Mark Cohen (2)

 'Toen ik wist dat ik de komende vijftig jaar vast zat in Wilkes-Barre, zat er niet anders op dan surrealist worden.' Aldus fotograaf Mark Cohen.

 Een kleine stad, waar hij een fotostudio dreef, gespecialiseerd in feest- en huwelijksreportages, pasfoto's. En na zijn werkdagen de straat op ging om voorbijgangers, buren te fotograferen. Niet om Wilkes-Barre te portretteren, meer omdat zijn oog steeds weer viel op details. In hoe de mensen eruit zagen, wat ze aanhadden, of in wat er op straat lag. Een in stukjes uiteengevallen boterham naast een plas op het asfalt.

 Niet schilderachtig zoals rotzooi pittoresk kan zijn, niet veelzeggend, erg veel niet. Hoe kwam die boterham daar? Hij ziet er niet aangevreten uit. Heeft iemand hem in stukken gescheurd, misschien om een vogel te voeren die er vervolgens geen trek in had?

 Zo werkt Mark Cohen. Hij werd ook surrealist, zegt hij, omdat ie steeds maar de zelfde huizenblokken rondliep. 'Running around the block', een begrip dat Randy Newman me leerde. 'A small action rate.' En hoe vaker en langer je dan kijkt hoe ongewoner het gewone wordt.

 Niets spreekt meer vanzelf.

 De mensen zijn arm, working class ze leven vaak in het openbaar, op stoepen en op straathoeken. Vaak af­gekeerd, terloops. De fotograaf moet jarenlang een beken­de, alledaagse figuur geweest zijn in Wilkes-Barre. En het toeval helpt hem vaak, of juist niet, als iemand zich afkeert of die mevrouw net oversteekt. Soms zet hij z'n flits in, en dan is het op straat echt 'o jee een flits'.

 Het is kortom geen recept. Alleen Mark Cohen met zijn oog voor detail en uitsnede kan dit doen. In Wilkes-Barre.

 

 

 

Tags: 

Mark Cohen (1)

 Vuile knieën. Hoe smerig waren wij, was de wereld nog rond 1975. Daarover gaat Dark knees, de tentoonstelling van Mark Cohen (1943) die zijn leven lang foto's maakte in Wilkes-Barre, Pennsylvania.

 Omdat hij daar toevallig woonde, het had ook een stadje ver­derop kunnen zijn. Zodra je het Fotomuseum binnenkomt word je meegezogen naar jaar en omstandigheden. Veel jaren '70. Door details die spreken voor een verdwenen wereld, die hij laat zien in korte afsnijdingen. Gedeelten van gezichten vaak, een arm, handen, voeten, een kin, een kruin, van iemand die in de weer is met wat ook. Maar ook geïsoleerde voorwerpen komen tot leven, een oud T-shirt op een hoopje, regendruppels op plaveisel, een knoop.

 Op hoeveel manieren kan een man zijn handen in zijn zakken steken? In zakken van welk materiaal? En dan? Je ziet materialen van de tijd. Vroege kunststof in ongelukkige, uitgelubberde plooien, tweed overjassen waar nu geen zwerver meer mee over straat zou gaan.

 Je ruikt Wilkes-Barre ook. Mensen en kleren die niet zo gewassen waren als nu, huizen niet zo gesopt. Kinderen gingen op zaterdag in de teil, het zelfde water voor allemaal. Wasmachines kwamen net kijken, bij de rijken. Mijn moeder huurde in die jaren een Hoovertje. Elke maandag kwam een VW-busje ze brengen voor de halve straat en haalde ze 's avonds weer op. In Wilkes-Barre zal het niet veel anders geweest zijn. Vlekken op een kous, in de tijd dat een vlek nog zo erg was dat er vlekkenwater bestond. Cohen fotografeerde vlekken. 

Tags: