maandag 26 december 2016 - 15:34
Gisteren, in de kelder van het Rijksmuseum, werd ik getroffen door een pregnant tijdsbesef. Ik keek bij de vroege Hollanders naar de Virgo inter virgines van de anonieme meester, naar de Maria Magdalena van Oostsanen en beeldjes van de Maria-groep uit Utrecht. En werd aangeraakt door de eenmaligheid.
De eenmaligheid die altijd duurt. Door Jacob Corneliszoon van Oostsanen dacht ik aan Willem Haakma Wagenaar met wie ik in 2009 op een stelling tot bovenin de koepel van de Alkmaarse Laurentiuskerk ben geklommen om zijn restauratie van Oostsanens Laatste Oordeel te bekijken.
Hij zei 'Kijk maar goed, straks is die stelling weg en komt heel lang hier niemand meer zo dichtbij.'
En in het voorbijgaan van de verdoemden en de engelen wees hij me op de bloemdecoraties in de hoeken van het houten gewelf: 'Elk bloemetje, met de hand geschilderd, steeds een ander bloemetje.'
En daarna wees hij me nog op de letters in de zinken dakbedekking, waar dakdekkers eeuwen geleden bij elke reparatie hun initialen hadden ingekrast.
De drang iets na te laten. Een schilderij of desnoods twee in zink gekraste letters. Er rijst een loodgieter voor me op, in de zestiende eeuw, met een gereedschapstas waarin ook wat brood voor tussen de middag. Hij eet het op tussen de gelukzaligen en de verdoemden. En de aartsengel Michael met zijn weegschaal.