Schrijden

 Prinsjesdag. Nederlandse functionarissen die een dag lang staan, zitten of lopen. Verkleed. Ze zijn er niet erg goed in. Wie beheerst nog de kunst van het schrijden?

 Schrijden is het invoeren van een lichte vertraging in de passen die men zet, steeds een fractie van een seconde. Waardoor de indruk van zweven wordt gewekt. Zeker met lange, ruisende rokken.

 Het 'met waardige stappen gaan', een verloren kunst. Onze nieuwe koningin doet er niet aan, blijft een teenager. Ook vandaag in haar gelaagde, lange jurk. Een mooie, met Japans dessin, waarin ze toch alleen schrijdend zou kunnen voortgaan. Dit leidde tot een struikeling op de trap van het Binnenhof. En op Youtube

 Had ze leren schrijden dan was het niet voorgekomen. Ook lakeien zijn - zo anders dan bijvoorbeeld in Engeland - bij ons geen mannen met milita­ire training meer, die op een exercitieterrein het afstand houden hebben geleerd, maar dwaas verklede ambtenaren. Een genoegen voor genieters van silly walks.

 Langdurig zitten blijft lastig. Veel onrustig beweeg, de dikke minister van justitie koos tenslotte maar voor wijdbeens. Onthullend voor de minister van onderwijs en cultuur bleek haar hoedje, afgekeken van een Hendrik Kerstens‑foto. 

 Het echte spektakel zat in de beveiligers. De raadselachtige mannen - een enkele vrouw - die niet naar de voorstelling keken maar naar het publiek. Eentje achter de koets, vier ernaast. Donker pak, zelden de knoop van het colbert gesloten. Vast om snel een pistool te kunnen trekken. Met gezichten of ze morgen weer een dienstje achter Wilders moesten draaien.

 ps. Willem Brakman geeft in 'Het groen van Delvaux' deze onovertroffen omschrijving van schrijden: ‘Ononderbroken klonk er zachte muziek en dat was de gevoelstoestand op het moment dat ze verscheen: rustig, met een zelfverzekerde, wat nadeinende stap en bewegingen die door een of ander vrouwelijk hormoon iets nawuivends hebben en waar ik maar niet genoeg naar kijken kan.’

Tags: 

Passage

 'Geen betere Passage dan die van Den Haag: beneden is er de schemer, die altijd wel iets verzacht, en hoog boven, onder het glazen dak, is er het licht van dichtbij het wateroppervlak maar dan aan de onderkant.'

 Zo begint Willem Brakman zijn 'Het groen van Delvaux'. Het onvoltooibare Passagenwerk van Walter Benjamin indachtig legt hij uit hoeveel minder de Passages van Brussel en Londen -  'Burlington Arcade' - zijn en noemt zelfs niet die in Parijs waar de ouders van de held uit Célines Mort à crédit in grote benauwd­heid - gaslicht, riool, koolmonoxide - hun winkeltje drijven.

 Zo komt hij bij de ansichtkaart van Paul Delvaux' schilderij 'Acropoli­s', die altijd op zijn bureau staat: 'Een vertrouwde vlek, die zich alleen bij tijden laat peilen door de zogenaamde vluchtige blik, dat is de blik die waakzaam veel betrapt nog voordat het bewus­tzijn erbij is. De vrouwen zijn dan zeer in zichzelf verzonken en willen het liefst met rust gelaten worden omdat ze inval na inval hebben. Wat de vluchtige blik peilt is de sfeer: toneela­chtig, onbestemd, het licht van plantenkassen maar ook van stations bij dreigend onweer. Het licht wil op de kaart on­bekend blijven maar laat zich alleen zien in de Passage (...)'. En kijk: 'Acropolis heeft een deur met sierlijk smeedwerk, waarachter licht brandt.'

 Brakman is op weg naar het restaurant van het Passage Hotel voor een kopje koffie. Mij en passant meevoerend naar het verdwenen driekantige bioscooptheater Passage, waar ik op het derde balkon 'Gigi' zal zien met Leslie Caron.

 Zo gaat lezen. Lang kon ik het niet goed. Nu beter. Onder bordjes met 'Niet storen' of 'Wij rusten van 2-5'.

Brakmans ridder

 'k Herlees Willem Brakman, onderzoek zijn unieke wendingen, en ben aangeland in het jaar 1995, in Een voortreffelijke ridder, waarin hij als Don Quichote door Den Haag en Duindorp rondgaat. Af en toe moet hij zijn paard aan een lantaarnpaal vastbinden en zijn lans in een hoek zetten. Hier zit hij in een café aan de Ieplaan. En praat:

 'In wezen ben ik een zwijger,' zei de Don, 'mijn praten is een vermomming. Luisteren zou mij liever zijn, maar ik moet altijd hard werken voor de woorden komen die ik zo graag wil horen. Mijn groot verlangen is, dat men zo tot mij zou spreken dat ik zou kunnen zwijgen.'

 En dan beschrijft hij een echtpaar aan de afwas, zoals die zich voltrekt in de nabijgelegen Cederstraat. Aan de vaat staan de aanbedene van Don Quichote, mevrouw Haase en haar echtgenoot een robuuste slager.

 'Maar weinigen weten van de geheime krachten van de afwas, het is iets in het schuim, het draaien en aaien van de kwast en de antifoon van de hulp bij het afdrogen. Hier helpt geen moederlief, en ik ben gedwongen om te zien alsof het me werd gedicteerd. Ik ken deze slager, zijn voorliefde voor vaseline op oogleden, mascara, eyeliner, en ken ook zijn deuntjes, gefloten over gouden ondertanden tussen bungelende halve beesten. Het zijn de jongens van de fijne vleeswaren.'

 'Zo is het wel goed' zegt de toehoorster van de Don in het café. En kijkt 'met een smal mondje' in de richting van het Valkenboschplein 'waar het wemelt van de passanten, van vrije, onbezorgde mensen.'

 Don Quichote in Duindorp of langs het Verversingskanaal. Het blijkt heel goed te kunnen, al wordt hij af en toe door een overijverige politieagent bekeurd. 

Tags: 

Literatuur en waanzin

 Van Ranne Hovius verscheen Vogels van waanzin, Psychiatrie in Nederlandstalige romans en gedichten. Een doortimmerd historisch overzicht. Dat na de beschrijving van een rij rampen en ongelukken, op z'n minst gissingen en lukrake behandelingen in de psychiatrie eindigt met de conclusie dat er geen conclusie is.

 Hoe was het? Een verdachte had een advocaat, een gek stond zonder bijstand tegenover de almachtige psychiater, die gruwelijke therapieën op hem kon loslaten. Van ijsbaden tot castratie. Simon Vestdijk werd van zijn depressies - 'de hel op aarde' - verlost door medicatie, zoals beschreven in de roman De persconferentie (1969). En dat na levenslange succesloze behandelingen met opium, elektroshocks tot slaapkuren. Totdat de arts Willem Brakman hem Tofranil bezorgde.

 De conclusie van Ranne Hovius luidt dat we noch van creativiteit noch van waanzin, noch van het mogelijk verband tussen de twee veel weten. En dat terwijl psychiaters ‑ in de woorden van Jan Arends 'de psychiatrisch gestoorden' - toch steeds weer de alwetende, godgelijke geneesheer uithingen. Met steeds wisselende theorieën en praktijken.

 En nog. De almacht van de behandelaars tegenover wie in de war is blijkt ver van verdwenen. Ze bestempelen, ze schrijven medicam­enten voor en zijn niet aanspreekbaar. Als mantelzorger deed ik nogal onaangename ervaringen op. Ik had me als amateur nergens mee te bemoeien, ook al kende ik het geval beter en ruimde ik de rotzooi op. 

 Hovius beschrijft ook nog de dwaze theorie van Breton en de surrealisten dat iedereen creatief is. En dat er o zo zoveel unieks in ieders onbewuste huist. Mooi is dan de conclusie van schrijfster/patiënte Unica Zörn dat alle wanen op elkaar lijken.

 Ja, manische depressiviteit, manische schrijfdrift - zover men weet hoe dat werkt - levert soms wat op. Iedereen die schrijft weet dat 'losgooien', roes, soms zin heeft, of je het nu met drank doet of met middelen. Maar daarna moet het opgeborrelde wel in gedisciplineerde nuchterheid vorm krijgen.

 Ik ga Een moderne Antonius van Vestdijk herlezen. 

Erri de Luca

 'Zo laten de bladeren, de haren, de bladzijden, de druppels los.' Schrijft Erri de Luca over weggaan uit zijn geboortestad. Weg uit Napels.

 Hij ging van huis weg op zijn achttiende, per trein. Lees in Tijdschrift Terras zijn 'Napolide'. Een smar­telijk afscheid: 'Ik nam plaats bij het raam en bleef on­beweeglijk kijken naar de processie van mijn afscheid die buiten voorbijtrok. Terwijl ik de stad losliet, kwam ze onder mijn huid terecht, als een vishaak die via een wond binnendringt en door het lichaam reist, om er niet meer uit te kunnen.'

 Ik kan niet lezen zonder me te vergelijken met, te meten aan het beschrevene. Al lezend neem ik dus op mijn beurt afscheid van Den Haag. En door De Luca te lezen word ik de vis die een haak heeft ingeslikt.

 Maar onze wegen scheiden zich. Net als onze metaforen. Ik hield Den Haag altijd onder de leden als een ziekte. Heb er dertig jaar niet durven terugkomen, bang dat om de eerste straathoek een bekend gezicht zou verschijnen, ouder, maar onmiskenbaar. Bang dat ik onder de portiekwoningen weer zou veranderen in wie ik was. Niets om naar terug te gaan.

 Na de huisachterkanten van de Haarlemmerhouttuinen kwam ik tot stilstand onder de stationskap waarop stond Blom en van der Aa. Daarna volgde ik grachten tot ik leerde dat grachten niet de vlugste weg zijn. Piet Koopt Hoge Schoenen hielp me verder. Ik logeer nu een mensenleven in Amsterdam maar thuis heb ik me er nooit gevoeld. Het belangrijkste van mijn Amsterdam is dat het niet Den Haag is.

 En de Luca schrijft - in de vertaling van Annemart Pilon: 'Nooit meer kon ik elders aarden. Wie Napels loslaat laat namelijk alles los: hij heeft zelfs geen spuug meer om zich aan iets of iemand te hechten. het knippen van mijn treinkaartje was als de hevige klap van een deur die achter je wordt dichtgesmeten. Er zat een gat in mij, niet in mijn kaartje.'  

 ps. 'Slachtoffer van een gelukkige jeugd', is een wellicht toepasselijke zin van Willem Brakman.

Tags: 

Steglitz

 Paden kruisen elkaar. Van Willem Brakman erfde ik een lievelingsboek, de Berliner Kindheit van Walter Benjamin. En terwijl ik me juist mijn eigen Tante-wereld binnenschrijf ontmoet ik bij hem Tante Lehmann. In de Steglitzerstrasse. 

 'In elke jeugd rezen toen nog de Tantes op, die hun huis niet meer verlieten, die altijd, als we met moeder op bezoek verschenen, op ons gewacht hadden, en ons altijd met het zelfde zwarte mutsje op en in de zelfde zwartzijden japon, vanuit de zelfde leunstoel, aan het zelfde erkerraam welkom heetten. Als feeen, die een heel dal doorweven, zonder er ooit in af te dalen doorwalsten ze stratenrijen zonder ooit in ze te verschijnen. Tot deze wezens behoorde Tante Lehmann. Haar goed Noordduitse naam garandeerde haar het recht zich een mensenleven lang in de erker te posteren waaronder de Steglitzerstrasse in de Genthinerstrasse uitmondt. Die hoek hoort tot degene die de loop van de laatste dertig jaar nauwelijks heeft beroerd. Behalve dat in deze periode de sluier die haar voor mij als kind bedekte, viel. Want toen heette ze voor mij nog niet naar Steglitz. De vogel Stieglietz had haar zijn naam gegeven. En woonde de tante daar niet als een vogel, die kon spreken, in haar kooi. Steeds als ik hem betrad was hij vol gekwinkeleer.' 

 ps. De Stieglitz heet bij ons het puttertje, de distelvink. En, in de Berlijnse voorstad Steglitz bracht Franz Kafka zijn laatste gelukkige jaar door, met Dora Diamant. 

Ondergronds Den Haag

 Wat zou er nog van over zijn, de dichtgemetselde ondergrondse gangen die liepen van het Mauritshuis naar het Bin­nenhof en het paleis Noordeinde? Bij Willem Brakman komen ze vaak voor, maar wat verzon hij, wat hoorde hij van wie?

 Vanmorgen in de Volkskrant komt Nell Westerlaken met prenten en wetenswaardigheden. Bouwhistoricus Lucas Vis situeert gangen van paleis Noordeinde naar een pand in de Molenstraat. Zo'n gang kom je ook tegen bij Brakman. Conservator Buvelot vertelt dat Johan Maurits een gesloten tuin liet aanleggen tegenover zijn huis, te bereiken via een ondergrondse gang. Maar verder? Kunstwerken en majesteiten moesten in geval van volksopstand toch geëvacueerd kunnen worden. En, net als in de film Diplomatie is er sprake van geheime toegang voor maîtresses.

 Er bestaat een Brakman-Den Haag. Als het hem schikt ondergronds. Dan ligt s' nachts in de Hofvijver een roeiboot klaar waarmee naar het waterpoortje onder het Mauritshuis gevaren wordt, en - zoals in 'Van de in hoger kringen verliefde' - gewelven betreden waar zelfs Oldenbarnevelt optreedt.

 En in 'De koning is dood' staat: 'In het zwakke licht van de looplamp zag ik inderdaad vage restanten van zolderschilderingen, dik bebladderd en beschim­meld, maar telkens als ik wat scherper wilde zien struikelde ik op de brokkelige vloer.' Ze horen muziek, hoefgetrappel. Waarna zijn gids hem vertelt dat ze zich nu onder het paleis Noordeinde bevinden 'en voegde er gemelijk aan toe dat daar dag en nacht vanen en menuetten werden gedanst en taartjes geget­en, wat uit zijn mond klonk als een klacht uit de Franse Revolutie.'

 De taartjes zijn natuurlijk van Krul, ook Brakmans hofleverancier.

 'Vlak daarna, waar het plafond koud en vochtig boven ons welfde, een gedempt steunen en klagen. Dat was de Gevangenpoort, wees een omhoog geprikte vinger. Dat vochtige gewelf bleek nog maar het begin, want even later hoorde ik het onmiskenbare gemurmel van water. 'De beek', klonk het verwijtend, 'we zitten nu onder de Hofvijver in de buurt van de crypte. Opgepast.' En ja, iedere Hagenaar weet van de Beek, die achter Kijkduin ontspringt en zich een weg baant langs de voormalige tankgracht, onder het Verversingskanaal door naar het Catshuis en vandaar ondergronds naar de Hofvijver. 

Straatnaam

 Vanmiddag is in Enschede de Willem Brakmanstraat onthuld, geopend, hoe zeg je het. De doopplechtigheid, onthulling van het straatnaambordje door zijn zoon Steven, vond plaats kort voor de aftrap van Nederland tegen Chili. Het was stil op straat.

 Heel juist. Willem had een hekel aan teamsport. Zijn broer, met wie hij later levenslang gebrouilleerd raakte voetbalde. Zelf deed hij aan athletiek.

 Hoek H.P.Blijdensteinlaan en Nieuwe Schoolweg, daar stond het gezelschap, op wandelafstand van het Museum Twenthe. Omdat ik bevriend was met Willem weet ik dat zoiets als een straatnaambordje hem geheel in beslag kon nemen. Hij was bijvoorbeeld diep doordrongen van het verschil in aanzien tussen wegen, lanen en straten. De lettering van zo'n bordje, de plaatsing, het was alles vervuld van betekenis.

 Nu nog de plaats. Wij – weduwe Moof Brakman, Steven en Paulien, de genodigden - zagen dat het goed was wat burgemeester Peter den Oudsten had bekokstoofd voor Willem. Een straat noemen naar een schrijver blijft een precaire zaak. De Willem Frederik Hermansstraat in Amsterdam is bijvoorbeeld een aanfluiting, een onbewoonde sleuf van de kade naar de spoordijk. Veelzeggende Amsterdamse onachtzaamheid.

 Er schijnt een regel te zijn dat straten niet van naam mogen veranderen, zodat alleen nieuwbouw in aanmerking komt. Verschilt dat per gemeente? Nee, in Enschede was dat formeel ook wel zo. Aan de burgemeester Den Oudsten vroeg ik hoe hij dan toch dit straatje in een oude villawijk had kunnen regelen. Ingewikkeld. Er was een gedeelte van een bestaande straat losgekoppeld en ziedaar.

 Ik zag Willem zelf hier gaan, op weg naar het museum waar hij zo vaak kwam. Hij bezat een groot vermogen tot zich verkneukelen. En als het om Willem Brakman gaat geloof ik stellig in het bestaan van iets als postume verkneukeling. 

I.M. Gerrit Jan Kleinrensink

 Vaak heb ik ze meegemaakt, dat zonderlinge duo dat ruim dertig jaar met elkaar optrok. Foto's kwamen er, een schitterende website. Toch, eigenlijk kon het niet en dat wisten ze allebei ook wel. Morgen gedenken we Gerrit Jan (1943-2014).

 Een schrijver die bij zijn leven steeds vergezeld wordt door de man die - onverstoorbaar - bezig is met zijn biografie. Willem Brakman (1922-2008) herschreef heel zijn onmetelijke oeuvre van meer dan veertig romans lang zijn leven. Met wat voor werkelijkheid doorging nam hij geen genoegen. Neem die fameuze strandfoto. Hij zit als peuter nabij Duindorp met het gezin op het strand, een vrien­delijke vader met een opgewekte kleuter op schoot.

 Brakman schreef: 'Hoewel een groepsfoto ben ik de hoofdpersoon: gezeten op de schoot van mijn vader, die beide armen om mij heen heeft geslagen, wat al met al een innig en lijfwarm tafereeltje oplevert. Kinderlijk geluk, aan het gemis waarvan ik een levenlang heb geleden, is hier echter niet betrapt, ik herinner mij het gefotografeerde moment in 't geheel niet en dat is ook juist.'

 Lees het vervolg - Brakmans waarheid - op de site wbrakman.nl.

 Willem zei biografieën te haten. Toch gaf hij Gerrit Jan regelmatig materiaal en zei 'Ik laat hem totaal vrij, ik zou absoluut geen invloed willen uitoefenen.' 

 Een wonderlijke verknochtheid tussen die twee, waar Brakmans verzet geheel in thuishoorde. Ook tegen mij mopperde hij af en toe over Gerrit Jan. Dat hoorde erbij. En een dubbelinterview voor Vrij Nederland uit 2002 besluit Brakman met: 'Ik moet zeggen: door mij heeft hij in ieder geval een boeiend leven gekregen.'

 Te laat voor een schop onder de tafel. Blijven ons twee Unvollendeten: de Brakman-biografie en de nog steeds onuitgegeven laatste roman van Brakman. In mijn hoofd komt geen eind aan zijn werk. Daar wordt Gerrit Jan Kleinrensink nu al een schepping van Willem Brakman. 

Juul

 Een jonge leraar genaamd De Haas is op sollicitatiebezoek bij een rector. Het gaat onder meer over zijn voorbije huwelijk. Hoe heette ze ook weer?

 “'Juul,' zei de leraar bedeesd en droef,' zij is een meisje Frankenmolen.'

 'En was deze Juul jaloers, was ze een kat, of vals als de spinnen, spilzuchtig, ontuchtig, dom of alles tegelijk?'

 'Misschien was ze niets van dit alles,' zei de jonge leraar De Haas, terwijl hij even beleefd voorover boog, 'ze was heel mooi en dat betekende dat iedereen haar gelijk gaf, wat ze ook zei. Zelden zag ik fletser geest meer bewonderd, vrienden grepen al naar hart en hoofd nog voor ze de lippen geopend had, dat heeft haar voorgoed verwoest. Ze had korte, wat blauwige vingers, maar ik was de enige die dat zag, zelf wist ze er ook niets van. Ze had ook een korte, wat blauwige geest.'” 

 

 Wanneer je niet weet hoe verder is een alinea Willem Brakman soms genoeg. Deze staat in het verhaal Rendez-vous in de dierentuin, te vinden in De verhalen (2013).

Tags: 

Pagina's