Bellenbord

 K.Michel schreef een gedicht over het bellenbord onderaan een woontoren. Opgroeiend tussen nieuwbouw keek ik mijn ogen uit op de namen. Mijn favoriete naam was E.E.H.Hoen. Ik heb daar nooit durven aanbellen. Nooit ook heb ik E.E.H.Hoen gezien. Hij woonde vierhoog, de vitrage bleef dicht. Maar elke dag ging ik op weg naar school langs zijn naam. Bellenborden vind je ook aan massagraven op Italiaanse kerkhoven waar de doden gestapeld w­orde­n.

 Daar zijn er alleen namen, geen bellen. K. Michel schrijft:

 De ingang van een woontoren/ Links van de voordeur bevindt zich een groot bellenbord/ met huisnummers en naamplaat­jes/ En vrouw komt aangelopen - openhangende regenjas,/ dikke trui/ Zij drukt op diverse bellen en/ spreekt in de intercom:

 'Een ontbijtbord/ een zonnebril/ een potloodpunt/ een sherryglas'

 Uit het bellenbord klinkt/ geruis gekraak/ 'ha­llo' 'hallo' stemmen 'wie daar'

 'Een dakpan/ een autoruit/ een kwartel-ei/ een fruitschaal

De meeste dingen kun je maar een keer breken

 Vier gedichten nu gebundelde van Michel, met Engelse vertalingen van David Colmer en ilustraties  van An Onghena

schreef hij als poet-in-residence aan de Van Eyk in Maastricht, 2017.

Tags: 

Extaze 25

 Het door mij altijd 'Haags' genoemde literaire tijdschrift Extaze van Cor Gout en Els Kort (Couperus ziet toe) heeft z'n 25-ste nummer uitgebracht. Haags omdat het niet Amsterdams is en er vaak mensen in publiceren en tekenen die je nog niet kende.

 Bj het jubileumnummer gaat een luxe bijlage 25 stukjes proza en gedichten over 25 verschillende onderwerpen geïllustreerd door 25 artiesten. Zo is er dit gedicht van Felix Monter (pseudoniem van wieweet een Binnenhof-bewoner) over Givenchy, geschreven - dat moet wel - kort voor diens dood. En in stijl geïllustreerd. Het is een acrostichon. De letter h, krijgt 'hangsel' (Jacky? Audrey? Catherine?):

 wie de draagster van het mantelpak

- Givenchy? Dior? Beslist geen Chanel -

enige frivoliteit had toegeschreven,

wordt hardhandig teruggefloten door

de rokhoogte, de coupe en de strik,

vooral de laatste.

 

binnen dezelfde oogopslag

belle de jour.

zelfverzekerd naaktschap.

langoureuze strekking.

wild schuddende krullen.

geurende oksels.

 

omkering aller waarden.

  De tekening - inkt op aquarel - is van Wendela de Vries: (Geen) mantelpakje (2016 en 1963).  

Voeten

 Waar ik ook in een museum met oude kunst of een kerk kom gaat m'n zoekende blik als eerste naar haar uit: Maria Magdalena. Zoals ik in films - al zie ik nooit Hollywood-spul - denk 'where's the girl'.

 Omdat Pieter Pourbus de maagd Maria ter sprake bracht kwam het beeld van de twee belangrijkste vrouwen onder het kruis me voor ogen. De bedroefde moeder, die - toppunt van smart - later zelfs haar dode zoon als een kind op schoot draagt - in de pietà. Wat Michelangelo ook z'n best deed, je denkt toch, hoe kan zo'n oude vrouw een volwassen man torsen. De scene komt ook niet in de bijbel voor.

 Magdalena is de 'girl' in het nieuwe testament. De laatste die de verlosser in leven ziet, de man die haar als enige vrouw tot zijn laatste apostel maakte.

 De Magdalena figuur is, zo lees ik bij de Vlaamse Barbara Baert samengesteld uit vier bijbelpersonages, geleidelijk aan tussen de vijfde en de zevende eeuw. 

 Waaronder de vrouw in Johannes die het lege graf ontdekt en dan de tuinman ontmoet die zegt 'raak mij niet aan', woorden waaruit - onder meer - de discriminatie van vrouwen in de kerk voortkwam. Ze is ook de zuster van Martha die de Messias zijn voeten wast en met haar lange haren droogt. Kan het sensueler? Ze was ook een hoer, mocht ze daarom Christus niet aanraken? Zo doet ze boete als heremiet in de woestijn.

 In Maria Magdalena is veel vrouwelijks bijeengebracht. Alleen het moederschap blijft bij moeder Maria.

 De mooiste scenes blijven voor mij die waarin ze onder het kruis knielt, en vaak de doornagelde voeten omarmt. Inniger liefdesscene ken ik niet.

Tags: 

Katie gaat

 't Is jammer dat regisseur Wayne Roberts met de titel al de afloop weggeeft. Katie says goodbye. Ze mag haar uniformpje uit het wegrestaurant in de woes­tijn houden. Dat is immers het enige dat ze nog heeft.

 Het eerste wat ze doet is het naamplaatje met 'Katie' loshalen en weggooien.

 Ze spaart, heel de film door. Om hier ooit weg te komen. Het geld dat ze verdient, ook door seks met vrachtrijders wordt zorgvuldig opgeborgen in wat anders dan en schoene­ndoos. Kapster wil ze worden, in Californie.

 De film gaat over zoiets alledaags als goedhartigheid. Wat in Nieuw-Mexico door velen wordt aangezien voor onnozelheid.

 Als ze seks heeft met een halfbloed vriendje en plannen maakt, blijft ze een hoer. De kleuren daar, van de uniformpjes tot het landschap vormen een paradijselijk contrast.

 Het gezicht van Katie straalt een onoverwinbaar vertrouwen uit. Dat is de kern van het verhaal. 

 Zelfs als ze aan het eind met lege handen staat, bestolen en bedrogen, huilt ze even flink, staat dan op en steekt haar duim op om met een vrachtrijder naar Californie te lif­ten.

Theo Thijssen

 Theo Thijssen is ‘gedundrukt’. Ik herlees hem. En wat me tegenstaat in de 'zwembadpas' is de zelfvertedering. De vertedering  waarmee Thijssen Kees de Jongen beschrij­ft moet wel voortkomen uit hoe hij terugkeek op zijn eigen jongensbestaan. Een kleinigheid daarbij is dat ik ook zelf de zwembadpas heb uitgevonden toen ik een jaar of elf was.

 Ik liep van school naar huis met klasgenoot Appie van der Sande. Langs het vierde veld van Quick Haag, waar hij vaak voetbalde. Ik zat niet op voetballen al wilde ik niets liever, Appie wel, die had het blauwe shirt met het haantje op de borstzak. Ik zat bij de welpen. Nog niet eens bij de echte verkenners met hun kaki shirts en hun hoeden.

 We hadden haast. En ik dacht aan het lopen van de verken­ners bij hun marsen. Zo moest je natuurlijk lopen. Dat ging veel vlugger.

 'Hee, zei ik tegen Appie, 'je loopt verkeerd, 'kijk zo moet het, dit is de verkennerspas.'

 En zo liepen we naar school, met zwaaiende armen, net als Kees de jongen. Ik verzin niks.

 Wat Theo Thijssen met zijn jeugdvertedering niet wist is waar het in het jongensbestaan echt om gaat. Om het meetellen. De schrijver die dat voorgoed heeft opgeschreven is Thomas Rosenb­oom.

 In zijn verhaal 'De buitenproef' uit zijn debuut 'De mensen thuis'. Daar is het echt alles of niks op de landjes, je bent daar iemand of voor altijd een lulletje rozenwater. De verterende angst waarmee Timon rondloopt 'buiten' is waar het om draait in een jongensleven. De vertederde Theo Thijssen wist daar niets van.

Maria en de duif

 Gisteren, bij het werk van Pieter Pourbus in Gouda stootte ik weer op het Maria-probleem. Maria is saai, wat moet een vrouw die Gods zoon voortbrengt anders dan zich houden aan de regel 'Sois belle et tais-toi'.

 Ze krijgt in het Bijbelverhaal zo goed als niks te doen. Op een ezeltje zitten, zich laten feliciteren door de drie koningen en tenslotte haar dode zoon bewenen.

 Haar enige werkelijk dramatische moment is dat van de verkondiging. Het zal je maar gebeuren. Er staat en een engel in de kamer en er vliegt een duif op je af met de boodschap: je bent zwanger van God. Wat voor gezicht moet een dorpsmeisje daarbij trekken?

 Pieter Pourbus laat het interieur het werk doen. Maria - die nergens op gerekend had - draagt haar daagse goed, zonder opschik. En wordt opgeschrikt uit het lezen. Wat leest ze? De bijbel? Maar onder haar leestafel ontvouwt zich een prachtig lijnenspel van de plooien van haar jurk, het kleedje over haar lezenaar, die op een katheder staat met een kleed erover dat in schitterende plooien afhangt. Dit alles uitgerekend naast haar bedstee, wat iets aanduidt, maar wat?  Het moet toch wel iets zijn van wat voorafging aan deze wonderbaarlijke zwangerschap.

 En dan zijn daar de engel en de duif die van boven komt, en ze heft haar handen. Geschrokken? Vreemd genoeg hangt een drieluik met Adam en Eva aan de wand. En minstens zo vreemd, in het midden, een wel erg opzichtige vaas met dure bloemen erin die wijzen op ja wat? Een bos bloemen van de vader?

Pieter Pourbus in Gouda

 Vanmiddag in Gouda het werk van Pieter Pourbus (1523-1584) gezien, de Gouwenaar die de meest toonaangevende schilder van Brugge werd. In een rijd dat de wereld op losse schroeven kwam, artistiek, religieus, politiek.

 De tachtigjarige oorlog breekt uit. In een kroniek: 'De deer­licke lamentatie ende becl­agh vanden dis­tructie vanden Stede van Brugghe' (1590).

 Zie zijn ernstige portretten, nog ver van de gouden eeuw. Zijn voorzichtige pogingen tot renaissance. Dat is de charme van Pourbus, het zoekende. Zijn Laatste Avondmaal (1548) is een charmante warboel vergeleken met de eerdere orde aan tafel. Er wordt ruzie gemaakt een stoel valt om, men valt in slaap. En de duivel gluurt toe.

 Wat in zijn portretten en figuren het meest opvalt is hoe hij zijn personages treft. Bijbelse figuren zijn nog niet voorspelbaar door een stan­daard-uitbeelding. De Zeven vreugden van Maria (ca. 1550) laten haar van meerdere kanten anders zien dan de devote clichés.

 En zijn Maria Magdalena op de Bewening van 1565 omvat stevig en teder zijn dode pols, vlak bij het gat dat door zijn hand is geslagen.  

 Daarbij legt ze haar rechter wijsvinger tegen haar slaap. Een gebaar dat ik van geen andere schilder ken.

Tags: 

Elsschot als kunstcriticus

 Je hand op een lege plaats slaan heette het. Iets moest er liggen maar het lag niet op z'n plaats. Ik hoor zeggen 'alles heeft hier z'n vaste plaats'. Een stroomstoring als vanmiddag hier verplaatst je naar niemandsland.

 Ik tastte naar het schilderij 'De kindertafel' van Gustaaf van de Woestijne, dat Willem Elsschot op 22 juni 1920 in zijn stuk voor de NRC beschreef. De correspondent - als hij het was - ontpopte zich als een kunstcriticus. Hij had geluk, er was veel oude en nieuwe schilderkunst te zien in Antwerpen, Vlaams - werk van 220 schilders en beeldhouwers - maar ook Frans, met Marquet, Bonnard, Vuillard, Signac. Hoewel Elsschot de Pont Neuf van de pointillist 'zeer knap doch slechts weinig ontroerend' vindt. Wat hem het meest treft is De Kindertafel van Gustaaf van de Woestijne (1919).

  De kinderen moeten apart eten: 'Rondom een groote, opgedischte tafel zitten zes kinderen van vier tot tien jaar oud ongeveer, volgens ouderdom geplaatst. Men ziet het, dat ze broertjes en zusjes onder mekaar zijn. Ze hebben zekere familietrekken gemeen, ze hebben hetzelfde aschblonde haar en dezelfde helder-blauwe kijkers. Maar op elk aangezicht ligt een ander karakter te lezen, uit elk paar oogen straalt de persoonlijkheid, de eigen ziel van het kind. (...) En zo door.

 Dan beschrijft de correspondent het decor: '...vooral die opgedischte tafel met borden, glazen, schotels en vruchten, - vormt in het schilderij een knap geborstelde "nature morte". vol leven en frischheid. De schotel bloemige aardappelen die reeds klaar staat is een mooi brok kunst en de met melk volgeschonken glazen, wit tegen het witte tafelkleed houden hun volle waarde, en alhoewel die beide tonen ener zelfde kleur zoo danig weinig van elkaar verschillen, toch heeft de kunstenaar de juiste schakeering aangeduid, zoodat die bijna gelijke tinten niet alleen niet in elkaar vloeien, maat we door elk de eigen zelfstandigheid van het voorwerp sprekend  herkennen.'

 Uit: (Van onzen correspondent')

Tags: 

Nescios buitenlandse fietstocht

 Met Nescio terugreizen naar de tijd dat het buitenland nog het buitenland was. Dat maak je mee bij lezing van het t­ijdschrift de Parelduiker waarin Lieneke Frerichs de - deels fiets deels trein - tocht beschrijft die de vijftig jaar oude J.H.F.Grönloh in 1932 maakte met zijn volwassen dochters Miep en Bob (ook wel Bop). Naar Noord-Frankrijk en België. Picardië, Cassel, St.Omer en verder.

 Hij schreef twee brieven naar zijn vrouw 'Ossi' thuis.

 Hoewel Nescio vaak in Bombay was voor zaken had hij zich in het buitenland nooit thuisgevoeld. Over zijn Brusselse hotelkamer bij het Noordstation (het is warm weer) schrijft hij: '..was doorkookt om te stikken, alles heet, de vloer, de lakens, en 't raam moest dicht om 't lawaai van auto's en vooral van den tram. ' Was net zo erg als in Bombay in Januari en ik heb maar enkele uren geslapen. Nou is gelukkig de heele lucht bewolkt & 't regent nogal. Maar nog om 8 uur was de vloer heet en mijn broek brandde toen ik 'm aantrok. M'n nachthemd kwam gisteravond gekookt uit koffertje.'  

 Maar dan, over de Franse grens begint een 'tooverachtige fietstocht door heuvels' naar Cassel. En 'ik had in Antwerpen een strooien deukhoed (!) gekocht om geen zonnesteek te krijgen, de hoed van opa, zoo'n Amerikaansche farmer zoo'n lange drooge met een lang bordpapieren gezicht en die had ik op m’n kop voor den regen en 't water liep er uit, maar iedereen was even aardig. 'Nous sommes un peu mouillés'.

 'Terugkijkend, 'schrijft Frerichs, 'besefte Grönloh dat hij zich tijdens die tocht van 1932 voor het eerst in het buitenland werkelijk thuis had gevoeld.' Daarvoor had hij het landschap buiten Nederland altijd 'min of meer onverteerbaar' gevonden. 'Kortenhoef - Loenersloot. Je kunt er voor mij Zwitserland en Italië en Tyrol voor in ruil krijgen en een gulden toe.' 

 ps. Lieneke Frerichs is bezig met haar Nescio-biografie.

Tags: 

De stilte van Menno Wigman

 Het is stil in de stad sinds Menno Wigman er niet meer is. Een Menno-achtige stilte. De stilte van een stille man, die maar soms wat zei. En dan zoals 'Kernrot'. Ik was in 2013 bij hem en Diana Scherer toen hun boekje 'De vrede moe' verscheen, met foto's die Diana maakte van geboetseerde, erg dode, kleine popmensen, in een gootsteen of op beregend plaveisel. En gedichten van Menno als dit:

 Het kind dat ons niet kreeg, het wordt herdacht/ op avonden als deze:/ verlepte bloemen, Bach en voorjaarsregen.

 En jij, mijn stomme pop,/ jij weet welke naam ik het zou geven. Hij niet./ Dat kon ik nog verzwijgen.

 Het ging ons goed. We rookten en we dronken,/ verwisselden van huid,/ vonden de liefde uit... En toen die buik.

 Ik durfde niet te kijken./ rook zeepsop, voelde ijzer, stond op breken./ Kernrot, dacht ik. Kernrot.

 en hoogverraad. Hoe kon ik. Had hij niet./ Wat bleef: een mist van tranen,/ vier muren en het kind dat mij niet kreeg.

 Soms schrijft het op de speelplaats van de maan/ een naam die ik herken./ Pisgeel mijn pillen maar ik kom eraan. 

Pagina's