De zee van Kira Wuck

 'De zee heeft honger’ heet Kira Wucks tweede dichtbundel. Tussen iets en niets beweegt bij haar veel, zoniet alles:

 'Het uitzicht veranderde nauwelijks en

lag er loodzwaar bij

toen de eerste schepen aanmeerden

zagen de eilandbewoners dat niet

omdat ze nog nooit eerder een schip gezien hadden

wel de vele rimpels in het water

iets bewoog zich naar ze toe'

 

Iets en niets. 'Is geluk verdwijnen of juist gevonden worden'.

Tweede strofe van 'Beloftes over eten en gegeten worden':

 'Aan de gedekte tafel zien we dat de vorige bewoners

halsoverkop vertrokken moeten zijn

we pakken de levens op die door anderen zijn achtergelaten

trekken oude bloemetjesjurken en overhemden aan

lezen brieven en geven elkaar een nieuwe naam

en voelen ons licht

lichter dan anderen'

Tags: 

Rouwvliegjes

 Terwijl ik werk gaan ze bij voorkeur op mijn voorhoofd zit­ten. Op mijn neuspunt of kriebelen achter mijn oren. Mijn eerste gedachte was natuurlijk fruitvliegjes. Het huis afgezocht op rottend ooft, maar niks.

 Ze zoeken mij, vliegen heen en weer boven de werktafel lopen heen en weer op het blad. Ook op wit papier lopen ze graag. Alle etensresten verwijderd, maar dat is het kennelijk niet.

 En nu vind ik op internet het rouwvliegje, dat huist in oude potgrond en dode plantenwortels.

 Ik ga als aangeraden met een vork door alle potgrond 'om te zien of er vliegjes opspringen of opvliegen'. En gebeurt niks

 Loop de onderkanten van de potten langs en de onderzettertjes omdat daar 'vaak hordes kleine vliegjes, nimfjes, eitjes of zelfs larfjes zitten'.

 Maar niks. Steeds weer komen ze op mij af. Maar wat er op mijn huid zit dat ze aantrekt, geen idee.

 En waarom ze rouwvliegjes heten weet ik ook nog steeds niet.

 Wel een nuttige bestrijdingstip. Ze houden van wijn. Zet een glas wijn neer, ze zullen erin verdrinken.

Na-vormen

 Eerder schreef ik over het treffende verhaal 'De erker' van Bregje Hofstede, dat ik kreeg bij Tijdschrift Terras. Over licht en schaduw. Naar aanleiding van 'Licht en schaduw' van Junichero Tanizaki.

 De aanraking op z'n Japans. Hofstede schrijft: 'Schaduw is slechts een manier waarop de dingen hun omgeving raken. Er zijn andere. Windluwte, geur, de koelte van je huid nadat een hand is weggenomen. Na-vormen, die die wijzen naar wie ze achterliet. Die tweedehands vormen van aanraking familie van de schaduw, leggen hun vinger op een plaats en tijd. Hier was hij toen, Hier ben jij nu.'

 Na-vormen. Zoals je in een muziekstuk altijd het begin blijft horen samen met wat volgt. Wat voorbij is bijft.

 Tijd en plaats zijn betrekkelijk. De herinn­ering aan een moment, een indruk kan blijven. Zoals een handdruk of een blik. Zo goed als doden kunnen blijven bestaan.

 Wat is herinnering anders dan 'na-vorm'. Na-beeld, na-geluid. Waar altijd nog, hoe ook, wat bij kan komen.

 Striptekenaars weten dat ook. Daarom laten ze drie of meer Popeyes in het ravijn vallen.

Lakkunst

 Vanmiddag in het Van der Togt in Amstelveen Japans lakwerk (urushi) gezien. Niet het traditionele maar moderne voorstellingen in lak. Lak is hars. De kunst is het te kleuren, te laten drogen en zo glad mogelijk af te werken. Je kunt de techniek nog steeds leren aan kunstacademies.

 Maar in plaats van decoratieve doosjes, schalen en kistjes wordt het nu gebruikt om thema's als 'The light beyond us', 'The begin­ning of memory' of natuurverschijnselen als 'De melkweg' uit te beelden.

 Er zijn verschillende technieken om de oppervlakken te laten spreken. Zo zag ik onder meer maki-e (goudpoeder), chinkin (graveren) en raden (parelmoer).

 De vorm van de voorwerpen is vaak raadselachtig maar lijkt niet op onze abstracte kunst.

 Een autonome, ongrijpbare kunstvorm na de traditionele toegepaste lakkunst.

 Met deze titels krijgen de voorwerpen ook iets heel dromerigs. Waarbij de glans van het oppervlak je meeneemt. 

Olympische gedachten

 De wereld wil bedrogen worden, dus bedrieg haar. In Korea is het weer feest. Met de Olympische gedachte kan iedereen op de loop gaan. Sport is onschuldig, zij verbroedert, anders niks.

 Dat het anders zit weet iedereen, van de sportministeries en hun onverholen nationalisme en de dokters tot de sponsors heeft iedereen zijn belangen.

 Ik greep naar een van mijn lijfboeken, Ian Buruma's 'Voltaires Coconuts' (1999) waarin hij het verhaal van baron de Coubertin (1863-1937) en zijn beweging messcherp beschrijft. Dan ontdek je hoe Coca Cola, het Oranjehuis en Kim Jong-un elkaar vonden bij Heineken, waar sporters, officials en journalisten het glas heffen.

 Ik zag de intocht in het stadion van Pyeongchang. Vaak tropische landen die maar een enkele langlaufer inbrachten, omringd door zes officials. En dacht aan Buruma die beschreef hoe het in 1986 in Seoel was. Waar hij de leden van de Nationale Olympische Comités en andere bobo's zag rondhangen in de sjieke restaurants en hotels. 'En ik merkte iets vreemds op: hoe armer het land, hoe dikker en duurder gekleed zijn vertegenwoordigers waren. En ik merkte nog iets anders op: alle grootheden, de gladjanussen uit Bangla Desh en de Oegandezen met hun gouden Rolexen waren net als de iets bescheidener Zweden en Japanners verkleed als Engelsen: blauwe blazers, clubdassen en bruin suède schoenen. Sommigen waren staatshoofd, maar allemaal deden ze of ze de wereld regeerden.'

 Coubertin was een Anglofiel. Daarom droeg ook Anton Geesink tot op hoge leftijd een blazer. Lees Buruma. 

Tags: 

Andere tijd

 Kleine Geschiedenis. Gisteren, bij de presentatie van het jubileumboek van het studentengezelschap 'Baart' waar ik toe behoorde bleek dat de sleutel tot wat de leden rond 1970 hadden geschreven.

 De woordkeus, wat ons bezighield, heel de tijdgeest komt bij lezing levendig terug. Ondertitel: 'Hoe zestien Amsterdamse studenten vanaf 1963 wel even de media zouden veroveren'.

 En, ze schreven. Alles werd overhoop gehaald in krantjes als Hitweek, Propria Cures en het eigen blaadje Bikkelacht. Zo namen er een paar deel aan een linkse groepsreis naar Cuba, werden er twee maar liefst drie weken opgesloten voor hun blaadje met een pornofoto van Beatrix en maakten ze een tentoonstelling over de jaren '50, om de voorbije tijd van hun jeugd te gedenken, waar zelfs Harry Mulisch en Louis Lehmann kwamen kijken.

 Gerard Reve was beschermheer omdat ie ze wel leuke jongens vond. We mochten bijeenkomen in z'n huisje in de Rozendwarsstraat toen ie zelf al in Greonterp woonde.

 De Amsterdam University Press geeft het boek uit.

Tags: 

Lucebert revisited

 Op 22 maart 2015 beschreef ik in Avondlog hoe ik mijn hoofd brak bij de Lucebert-tentoonstelling in Kranenburgh te Bergen: ‘Te veel. Nogal wat had beter in het depot kunnen blijven. Nu gingen zijn herhalingen opvallen. De karikaturen en het Picassiaans stramien. De zwakke composities, van vooral de wandschilderingen. En het steeds maar onderstrepen van het belang van vrije expressie en de band daarvan met jazzmuziek.’

 'Dizzi for president'. Dizzy Gillespie had opgekeken van Luceberts negermuzikant als bevrijdende wonderman. Wist Lucebert hoe gedisciplineerd jazzmusici te werk gingen? Nee, hij blijft hameren op opstandigheid, ontregelen, bevrijding, En: 'Wie niets meer voelt / Moet maar eens horen.'

 Wat doorsijpelt is het grote gelijk van zijn generatie kunstenaars. Naoorlogse linkse mensen, diep overtuigd van de slechtheid van het monster mens. Zijzelf uitgezonderd natuurlijk.

 Maar wat hem in z'n beeldende werk weinig lukt komt in z'n gedichten beter door. Er hangen er veel aan de muur, ook in handschrift. De klankgedichten en taalspelletjes blijven hoor- en voelbaar. Totdat ze vervelen omdat hij er zo weinig mee zegt. Ritueel bezingt hij zichzelf, de dichter, en zijn poëzie. Ontroeren doet dat niet.

 Hij 'ijlt van gulzigheids wartaal'. En adviezen hoe te leven en te dichten vliegen je om de oren: 'Men moet', 'men dient' bij Lucebert nogal veel.

  Een fan was ik nooit. En nu lees ik in de krant dat hij, jong en wel, in de oorlogsjaren ook al zo ronkte.  

Tags: 

Hoe God stierf

 Voor hij vorig jaar stierf heeft meester-vertaler Hans Driessen 'De vrolijke wetenschap' (1882) van Nietzsche voltooid. Het leest vederlicht. Bleef de ironie bewaard? Ik zoek de beroemde paragraaf 125, 'De krankzinnige man', vrij naar het verhaal over Diogenes, maar die zocht een mens:

 'Hebben jullie nooit gehoord van die krankzinnige man, die op een heldere ochtend een lantaarn aanstak, de markt op liep en onophoudelijk schreeuwde: 'Ik zoek god! Ik zoek God!' - Omdat daar juist veel mensen bijeen stonden die niet in God geloofden, veroorzaakte hij een groot gelach. 'Is hij dan verloren gegaan?' zei de een. 'Is hij verdwaald als een kind? zei de ander. 'Of houdt hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij op een boot gestapt? Geëmigreerd?' - zo schreeuwden en lachten ze door elkaar.

 De krankzinnige man sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. 'Waar God heen is?' riep hij, 'Ik zal het jullie vertellen! Wij hebben hem gedood - jullie en ik. Wij allen zijn z'n moordenaars! Maar hoe hebben we dat gedaan? Hoe konden we de zee leegdrink­en? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat deden we toen we deze aarde van haar zon loskoppelden? Waar beweegt ze nu naartoe? Waarheen bewegen wij ons?'

 En zo door, en door: 'Moeten niet 's ochtends lantaarns worden aangestoken?'

ps. vergelijk deze nieuwe vertaling eens met de oude van Hawinkels, een wereld van verschil, en verbetering..

 

Jacob Groot en het verlies

 'Verlies me niet', het nieuwe 52 strofen lange gedicht van Jacob Groot gaat over ver­laten. Over mensen die uit elkaar raken. En wat het omslag noemt: 'het kwetsbare gebied van de beëindiging en de verwijdering.'

 Wat is verlies precies? Kan je iemand echt kwijtraken? Of blijft er altijd iets? Kan het zelfs een verrijking betekenen.

 Jacob Groot begeeft zich in dit niemandsland. En hij begint zo:

 'Zonder dat ik het ben kom ik bij je in een andere tijd/ Een moment wacht op ons lichaam als een plaats/ Rust niet tot we komen waar het ons vindt/ Worden we begeleid?/ Alsof het de laatste geluiden zijn voor het eerst/ Zal er gezegd worden wie we waren?/ Een instrument speelt ons/ Een instrument speelt met ons/ Een instrument speelt met ons mee'

 En dan de 37ste strofe, die zegt:

 'Ik neem geen afscheid En jij?

Ik heb al afscheid genomen/ Dan hoeft het inderdaad niet meer, al moet je het natuurlijk zelf/ weten

En jij?

Ik neem geen afscheid

Zullen we samen gaan?

Tags: 

Hoe plooien vallen

 Er zitten twee kanten aan een plooi in een kledingstuk. Ener­z­ijds verhullen ze, anderzijds doen ze het omgekeerde, ze sug­gereren wat er onder schuilgaat. Dit ontmoet ik in het essay over plooival van Jeroen Stumpel in zijn 'Kleine geschiedenis van de kunst', een boek vol ontdekkingen waar je als museumbezoeker telkens weer van opkijkt.

 Hij geeft eerst een dialoog weer uit 1584 waarin museum bezoekende kenners in Florence commentaar leveren op de draperieën, de panni, rond de kneeën van figuren bij schilder Naldini, die ze te 'opgeblazen' vinden. En ja, ze hebben gelijk.

 Van de schilderkunst naar de gebruikte stoffen is maar een stap, die Stumpel brengt naar de 19de eeuw en Emile Zola's modehuis in 'Au bonheur des dames'. De paskamer is van alle tijden. Hoe 'valt' het?

 Waar kleren gedragen worden spreekt de 'visuele en sensuele aantrekkelijkheid van de eigenlijke stoffen' en daarin vallen plooien. Maar hoe? Er waren specialisten zoals de Antwerpse 'draperyman' Jozef Vanhaken, bij wiens begrafenis heel de schildergemeenschap meeliep.

 'Gemeten in kubieke centimeters is de grootste hoeveelheid verf zonder twijfel aan lappen en doeken besteed. Dat dringt gek genoeg niet meteen tot je door,' schrijft Stumpel, 'Toen ik voor het eerst tegenover Pontormo's Visitatie stond, duurde het een tijd voor het me begon te dagen dat ik voornamelijk draperie stond te bewonderen - prachtig bewegende, luchtig geplooide en eigenlijk wat onwezenlijke doeken, bekroond door de gezichten van Maria, Elisabeth en twee omstanders.'

 Het boek is een uitgave van 'Kunst en schrijven'.

Pagina's