Andrea's Commedia

 Op 8 april opent Andrea Freckmann in Den Haag haar ten­toonstelling 'Commedia Get on stage!'... Ik mag wat zeggen daar. En nu al weet ik dat dat een toneelstukje wordt. Andrea als de exposerende schilderes, ik als de gelegenheidsspreker. Katrijn en Jan Klaassen.

 Wat ik van haar ken heeft - vaak stiekem - iets theatraals. Figuren, levensecht geschilderd, dat wel, treden op als ja wie. In decors die de toeschouwer meenemen naar een Hollandse huiskamer of een Duits dorpsplein, waar werkelijk  alles kan gebeuren.

 In haar atelier dacht ik aan William James, die uitlegde dat het idee dat wij in het dagelijks leven 'rollen spelen' verkeerd is. Het is erger. In elke situatie ben je iemand anders. Wanneer ik doe of ik een kunstkenner ben die een toespraakje houdt speel ik niet die rol, ik ben zo'n meneer. Geen ontkomen aan. Maar Katrijn zal me niet met haar bezemsteel op mijn kop timmeren, dat doet een kunstenares niet.

 Andrea heeft bij haar nieuwe voorstelling de Commedia dell'arte opgeroepen, de klassieke Italiaanse theatervorm waarin elke acteur improviseert uit een vaste rol. Als ergens het leven theater is dan in Italië, kijk naar Beppe Grillo en Berlusconi.

 Mensen willen zich altijd boven een ander stellen.. Het wachten is tot de hogergeplaatste onderuitgaat.

 De vaste rolverdelingen keren altijd terug, heer en knecht, leraar en leerling. Voeren migranten al toneel op waarin ze Nederlanders belachelijk maken?

Gertrude Stein

 Gertrude Stein (1874-1946) kwam in 1903 naar Parijs werd een cultvrouw en schreef. Onder mee over haar vriendin Alice B. Toklas. Het raadsel van haar onbegrijpelijkheid kwam ik vorige week tegen toen Anneke Brassinga met haar zo passende stem voordroeg uit de korte toneelstu­kken (1922) die ze van haar vertaalde. Ik kreeg de tekst.

 Ze begon toneel te schrijven toen ze het verband ontdekte tussen aardrijkskunde, landschap en toneel. De wereld praat, vertelt verhalen. Haar eerste stuk was 'Wat gebeurde', dat zo begint:

 (Een.)

 Luid en geen waterval. Geen enkele hinder is ontmoedigend.

 (Vijf.)

 Een enkele som vier plus vijf en een erbij, geen enkele zon een enkel duidelijk sein en een uitwisseling.

 Stilte is in het zegenen en jagen en het rijp zijn van de gelijktijdigheden. Een eenvoudige melancholie die duidelijk kostbaar is en aan de oppervlakte en omringd en vermengd met wat vreemd is. Een plantaardig raam en duidelijk overduidelijk een uitwisseling in rollen en een geheel.

 Een tijger een opgezweepte en omsingelde overjas stevig uitgedost met vlekken oud genoeg om bruikbaar te lijken en snedig nogal snedig in het geheim en in een verblindende vlaag.

 Lengte wat is lengte als stilte zo beraamd is. Wat voor nut heeft een zere plek als er geen scharnier is en geen pluimstrijker en geen epiloog den zelfs geen gummetje. Wat is de gebruikelijkste uitwisseling tussen meer en het meeste gelach. Slordigheid is slordigheid en een koek is tja een koek is kruit, naar alle waarschijnlijkheid iets veel ergers 

(...)

 Is dit onbegrijpelijk? Nee, het raakt op een prikkelende manier aan het begrijpelijke. Dat is voor mij genoeg.

Te bestellen bij www.denieuwetoneelbibliotheek.nl

Tags: 

Verhalen van geesten

 'Wat ben ik meer dan stilte', heet het bundeltje 'spookverhalen' uit vele landen die Roos van Rijsw­ijk hervertelde. Ze begint dicht bij huis:

 'Jaren geleden vertelde een van mijn oma's, een nuchtere Friezin zonder neiging tot religiositeit of griezelen, dat ze op een nacht de buurman in haar gang tegen was gekomen. De volgende dag kwam ze erachter dat dit onmogelijk was: hij bleek die nacht te zijn overleden.' En dit komt uit Seoul, Zuid-Korea (2000). Als in veel verhalen verbeeldt de hoofdpersoon zich ook hier dat hij dood is. Het eindigt zo:

 'Ik ben een dode man. Ik ben gelukkig.

 Geen familie zat er rond mijn nest, de

 zusters moesten extra lopen.

 Ik was een rijk en moeilijk mens. Ze liepen rond, rond terwijl om hen heen de doden slopen.

 En nu ik: rondom, rondom de ether-eeuwigheid.

 De fenolfinale, het lysol- en alcoholnirwana.

 Het lichte doorschijnlijf zo oud als bij verlaten.

 Een spookzak medicijnen zet de achtervolging in.

 Ik ben hier niet alleen gestorven; traag word ik met de anderen vervlochten.'

Het boekje verscheen bij de Van Eyk-academie in de reeks Schemerschijn. Ik weet iets van die wereld, eens was ik er. waarover later meer.

Dave Meijers Nulpunt

 Vanmiddag in de ‘schatkamer’ van het Wassenaars museum Voorlinden gekeken naar Dave Meijers veelluik "Nulpunt" (2002), een installatie van in totaal 449 schilderijen van 18x25cm. Voor de schilder vormen ze – in mijn ogen - samen een 'metalandschap' maar voor hem kennelijk ook dat nulpunt.

 Waar moet zoiets eindigen. Hoe eindigt een landschap? Met al zijn hoekige vlakken. Ik kende dit veelluik niet. Wist niet hoeveel Meijer al in 2002 binnen rechthoeken van 18 bij 25cm kon laten gebeuren.

 Het Zeeuwse landschap - zijn land van herkomst - zit er achter, dat moet wel, het schemert er doorheen. Ook al zijn al deze luikjes gemaakt in een zwarte kubus met alleen een bovenlicht. Want zo ziet zijn atelier eruit. Het landschap zit in de kop van de schilder. En dat eindigt bij de rand. Zoals de abstracte landschapschilder Ben Akkerman me leerde: let op de randen.

 Ook bij Dave zijn er randen, waar hij moedwillig overheen schildert.

 Zo kom je in de abstractie, en die brengt je bij het schoolbord en de vierkantsvergelijking. Zou je alle factoren in Nulpunt tegen elkaar kunnen wegstrepen tot je alleen een kale horizon overhoudt?

 Wees gerust, bij Dave Meijer blijft het landschap zich roeren. Altijd weer zijn er oneffenheden. Gewild of ongewild. En daar moet dan iets mee. Een dijk, een dukdalf, een rafel, een splinter. En in het atelier dat ene randje dat praatjes heeft. Soms wordt de kwast dan een zaag of een hamer

 Er is leven. Er is ruimte. Wat daar de kop kan opsteken zit in deze doeken. Veel.

 In 'Nulpunt' komt het hele oeuvre van Meijer samen, maar het laat ook ruimte voor wat nog komen gaat. Titels als 'Ergens en overal' zeggen het.

Tags: 

Oblomov

 Een fragment uit Het huwelijk van de rode vissen van de Mexica­anse Guadelupe Nettel, vertaald door Heleen Oomen.

 'Gisterenmiddag is Oblomov gestorven, onze laatste rode vis. Ik zag het aankomen, want al een paar dagen bewoog hij nauwelijks nog in zijn ronde vissenkom. Ook sprong hij niet meer op om naar zijn eten te happen of de zonnestralen die zijn habitat opvrolijkten achterna te jagen. Hij leek het slachtoffer van een depressie, of de tegenhanger daarvan in zijn vissenleven in gevangenschap. Nooit ben ik veel over het beest te weten gekomen. Heel soms maar hield ik mijn gezicht voor het glas van zijn kom om hem in de ogen te kijken, en als ik het al deed, dan nog maar heel even. Ik had medelijden met hem, zoals hij daar in zijn uppie in die glazen bak rondzwom. Ik betwijfel of hij gelukkig was. Dat vond ik nog het verdrietigst toen ik hem gisteren zag drijven als een klaproosblaadje op een vijver. Zelf heeft hij meer tijd, meer rust gehad om Vincent en mij te bestuderen. En ik weet zeker dat hij op zijn manier ook medelijden met ons had. Van huisdieren kun je in het algemeen veel leren, zelfs van vissen. Ze zijn als een spiegel voor gevoelens en gedragingen onder de oppervlakte die we niet durven zien.'

(...)

 De vertalersclub die verbonden is met het Tijdschrift Terras bracht een boekje uit met tien vertaalfragmenten, getiteld 'Een explosie kan zo fraai zijn'. Fragmenten die doen uitzien naar komende boeken. Eerder verschenen van Guadelupe Nettel 1973) in vertaling 'De gast' en 'Na de winter'. 

Waar was ik toen ik er niet was?

 Monica Meijsing onderging een zware operatie, onder zware verdoving. Iets wat mij ook overkomen is. En dan is meteen de vraag 'waar was ik?' Ze schreef een geschiedenis van  het bewustzijn tot op heden.

 'Waar was ik op het moment dat er een gat in mijn bewustzijn was? Was er eigenlijk wel een gat in mijn bewustzijn - ik was immers onmiddellijk na het 'welterusten' van de anesthesist in de verkoeverkamer?'

 In mijn ziekenhuis heette dat 'special care'. Een merkwaardig voorgeborchte waar ik langzaam ontwaakte naast een bed waarin een oude Tibetaan in klederdracht verzorgd werd door zijn dochter. Dus niet van het ene moment op het andere, net zoals de verdoving vooraf stapsgewijs ging, maar met ruimte voor fantasieën. Dat verschilt per patiënt. Meijsing kwam zomaar van de ene toestand in de andere terecht, op een andere plaats. Er was een stuk van haar leven weg.

 En dan komt de volgende vraag: als ik weg was en weer terugkwam wat en waar was ik dan eigenlijk in de tussentijd?

 Daarover gaat dit boek: 'Wat zijn we precies? Zijn we ergens van gemaakt en van wat dan? En wanneer bestaan we nog en wanneer niet meer?' Zijn we onze geest, ons geheugen of ons licha­am of allebei?

 Wat hier op de achtergrond meespeelt is denk ik de vraag wie is hier de baas? Sinds God dat niet meer is hebben het brein en het lichaam nog een eigenaar?

 Zo brandt de strijd om het bewustzijn los. Van Descartes en Locke tot Dennett, Swaab, Lynne Baker en de robot.

 Wat bedoel ik als ik zeg 'ik'?

Lucky

 Hij kan zelfs Red River Valley op z'n mondharmonica spelen. Harry Dean Stanton heeft alles wat een klassieke filmacteur nodig heeft. Hij kan z'n gezicht onbeweeglijk houden. Niet een keer knippert hij met zijn ogen. Alleen aan het eind van 'Lucky' lacht hij heel even.

 Een klassiek Western-tableau vivant. Een vlek in Arizona tussen de oeroude cactussen met een enkele diner, waarin alles zijn plaats heeft en het enige drama de weggelopen schildpad Roosevelt is. Een naam die zegt hoe oud hij al is.

 Stanton zal kort na de opnamen 91 worden, nog geen schildpaddenleeftijd. De dood komt maar heel terloops voorbij af en toe. Als jongen schoot Lucky eens op een spotvogel en tot zijn schrik hield diens gezang opeens op.

 Als Lucky vertelt dat hij bang is doet hij dat alsof hij een geheim verklapt waarover men zwijgt. Zekerheden. Hij verzamelt ze uit kruiswoordpuzzels en van tv-quizzen. Zo weet hij dat de renaissance een ding is.

 Langzaam. Tegendraads. Hij rookt, maar is volgens de dokter zou ophouden schadelijker zijn dan doorroken. Niet veranderen dus. Zolang er niets verandert ben je onsterfelijk.

De trooster

 Het woord is eigenlijk 'inkeer', dat is wat mensen zeggen te zoeken die tijdelijk in een klooster in retraite gaan. Zou dat kunnen, tijdelijk? Ik lees Esther Gerritsens 'De trooster'.

 En denk 'het is een eigenschap', een manier van in het leven staan. Zoals Jacob, de concierge en klusjesman van het kloost­er, de hoofdfiguur.

 Je merkt het als een staatssecretaris die de benen heeft genomen uit politiek Den Haag door Jacob wordt binnengelaten en zich aan hem vastklampt, terwijl hij toch geen echte broeder is. Hoe komt Jacob van hem af?

 'Alleen terug in de gang leek de rust meteen weergekeerd. Ik hou erg van de tegelvloer daar. Voor ik mijn voet neerzet, rusten mijn ogen altijd kort op de tegel die ik zo zal raken, waardoor mijn stappen in een perfecte mal vallen, een opeenvolging van telkens op de juiste plek aankomen. Dat alles op een zacht zoemende innerlijke melodie. Het is de melodie waarop ik loop en zo lijkt mijn gang nooit mijn eigen gang, meer een gehoorzaam volgen.'

 Een Bekende Nederlander, het windt de kloosterbroeders op. Alleen Jacob had nooit van hem gehoord.

Lopen

 Over Friedrich Nietzsche lees ik het liefst in de driedelige biogra­fie van Curt Paul Janz, waarin geen trein­reisje, pension of pakketje met worst van zijn moeder ontbreekt. Nu bij Hans Driessens nieuwe vertaling van De vrolijke wetenschap (1882 ev.). We zijn in Genua.

 Nietzsche wandelt er, over een Corso in de bovenstad, raad ik bij dit stukje over 'Het lopen'. Hij was een groot wandelaar, vertrouwde geen gedachte die niet in de buitenlucht tot hem was gekomen: 'Er bestaan gedragingen van de geest waarmee ook grote geesten verraden dat ze afstammen van gepeupel of gedeeltelijk gepeupel - de loop en de tred van hun gedachten verraden hen namelijk; ze kunnen niet lopen. Zo kon ook Napoleon tot zijn groot verdriet niet als een vorst en 'legitiem' lopen bij gelegenheden waar je die kunst eigenlijk moet verstaan, zoals kroningsprocessies en dergelijke: ook in die gevallen was hij altijd alleen maar een legerleider- trots en gehaast op het zelfde moment en zich daar ten zeerste van bewust. - Het is vermakelijk om de schrijvers te zien die de geplooide gewaden van hun volzinnen om zich heen laten ruisen: op die manier willen ze hun voeten aan het oog onttrekken.'

 Nu weet ik het: Poetin loopt als Napoleon, en Trump als Oliver Hardy. 

De Partij voor de Achteruitgang

 Toen in Tsjechië de lokale verkiezingen van 1911 naderden en er minstens zoveel partijen waren als nu hier, bedacht Jaroslav Hasek, schrijver van de brave soldaat Schwejk, een lokale partij om zijn stamcafé te ondersteunen: 'De Partij voor de Geleidelijke Vooruitgang binnen de Grenzen van de Wet'. 

 En nu ik Umberto Eco's 'Kronieken van een vloeibare samenleving' heb gelezen denk ik, wat we missen is een 'Partij voor de Achteruitgang'. Of zoals mijn vriend Willem Brakman zei 'Als je niet weet hoe je verder moet, moet je terug.'

 Eco begint een stuk met 'volle kracht achteruit'. En ik zie grote denkers als Buma het Wilhelmus op scholen verplicht stellen.

 Eco komt na het mislukken van de overhead projector terug bij het schoolbord, dat hij zelf als professsor gebruikt.

 De meeste voorwerpen en organisatievormen om ons heen zijn in de 19de eeuw uitgevonden. Er zijn zegt hij, veel uitvindingen gedaan die door vernieuwing niet verbeterd kunnen worden, alleen nog verslechterd, zoals het kopje, de lepel of de hamer. Zo zijn er de laatste tijd kop-en-schotels waarbij de kop niet in het midden van de schotel geplaats moet worden. Dat wordt morsen.

 Het beste voorbeeld blijft het ten gehore brengen van elektrisch versterkte muziek in grote ruimten. Honderd jaar sinds de uitvinding lukt het nog steeds niet de Rolling Stones in een stadion zo te versterken dat het publiek een beetje kan volgen wie nu eigenlijk wat speelt. Terug dus. Naar de kleine zaaltjes waarvoor die instrumenten en stemmen bedoeld waren.

Tags: 

Pagina's