Andrea Freckmanns eigen Commedia dell’ arte

 Begin april komt er in Den Haag een nieuwe tentoonstelling van Andrea Freckmann. Of beter gezegd, een voorsteling. Want bij haar gaan schilderen en theater hand in hand. Zelf speelt ze duchtig mee.

 Vanmiddag zag ik waar ze mee bezig is. Er zit veel Commedia dell'arte in, de klassieke Italiaanse theatervorm waarin min of meer vaste personages improviseren op de oerthema's van de menselijke omgang, van meester-knecht tot de leraar-leerling en de liefdesgeschiedenis.

 En onvermijdelijk ook haar eigen leven, waarin vaste ingrediënten als de hond onder het driepotige tafeltje tot het hobbelpaard, de man en de reuzenvaas, haar eerste aankoop toen ze uit Dortmund in Nederland belandde. De voorgeschiedenis, het Duitse dorp met zijn kerkje krijgt als zetstuk een plaats en zelf zie je haar ih in landelijke dracht als dat zo uitkomt. 

 Vanmiddag zag ik haar bezig met het beschilderen van de speelvloer van de klassieke vier bij drie meter voor haar hoogstpersoonlijke Commedia dell'arte waar alles z'n plaats heeft. De aardige personages komen volgens de regels van links, de booswichten van rechts.

 Zelf is ze voorlopig de enige actrice, maar dat kan nog veranderen. Later meer.

Mr.Laurel & Mr.Hardy

 'Two minds without a single thought' zei Stan Laurel eens over de Dikke en de Dunne, 'Het publiek mag zich al bij voorbaat verheven voelen boven de absolute domheid van de twee,' zoals J.Bernlef in 1985 schreef in Raster, nu online te lezen bij Tijdschrift Terras.

 Het stuk begint met wat L&H onderscheidt van Charly Chaplin, Buster Keaton enzomeer. Ze zijn met z'n tweeën!  En verder: 'Chaplin is tragisch. Hij is een mens. Laurel en Hardy zijn nooit en te nimmer tragisch. Ieder voor zich bezitten ze geen enkel conflict, geen enkele spanning of 'gespletenheid'. Zij zijn geen mensen.

 Maar 'hoe komt het dat zij niet kunnen denken, geen gedachten kunnen ontwikkelen? Het antwoord moet zijn: omdat zij zich niets kunnen herinneren.' Ze leven in een wereld waar alles voor het eerst gebeurt. 'Met de proefondervindelijke nieuwsgierigheid van een kind. Een deur openen, een glas water vullen; niets is eenvoudig en het meest onschuldige voorval kan omslaan in een catastrofe.'

 Goed, Hardy herinnert zich 'in de verte' soms wel iets, maar 'zijn sociale gebaren zijn aangeleerd. Het zijn geen echte gebaren, maar groteske imitaties ervan. Het optimisme waarmee hij handenwrijvend iedere situatie tegemoet treedt is letterlijk op niets gebaseerd. Zijn egoïsme is dat van een kind: hij kan zich eenvoudigweg niet voorstellen (want niet herinneren) dat er behalve Oliver Hardy ook anderen op de wereld zijn.'

 Waarmee de stelling 'een mens is zijn geheugen' film na film, onderstreept wordt.

 Lees het complete stuk in 'Raster'.

Van onzen correspondent

 Willem Elsschot schreef dus voor de NRC, al weten we niet zeker wat wel en wat niet. Het raden blijft een mooi spel. Wat is Elschottiaans?

 Zo vind ik een verslag uit 1919 van de tentoonstelling van ‘oorlogstekeningen' van de Antwerpse schilder Eugène van Mieghem (1875-1930), wat Elsschot de kans geeft eigen oorlogsindrukken te gebruiken, opgedaan tijdens de Duitse bezetting van de stad in WOI. Van Mieghem, observeerde net als hij de Duitse troepen:

 'Hun schitterende uniformen en flinke buiken van 1914 en 1915, hun geleidelijke vermagering en vervuiling naar gelang de oorlogsjaren elkaar opvolgden en de blokkade nauwer werd toegehaald, hun verwaande koppen uit de eerste periode, toen ze op weg waren naar Londen, de onmogelijke wrakken van landstormmannen, die later onze woningen doorzochten om koper en wol te vinden (...)'

 Dan laat de tekenaar zijn 'satirieke opwellingen de vrije loop'. Ook als hij beschrijft hoe de 'Sittenpolizei' meisjes oppikt: 'Wat een meiden, mijnheer!' En dan die verliefde moffen. 't Is om medelijden mede te hebben. Doch ook voor het treurspel, dat het verhongerde volk te zien gaf, blijkt Van Mieghem in hooge mate ontvankelijk te zijn geweest. Getuige zijn 'vreeselijke soepkinderen' (...). En de 'afgematte, hunkerende kudden die in de richting van 't veilig Holland sjokken. Zeulend met bakbeesten van pakken, die vaak groter zijn dan 't figuurtje dat ermee beladen is.'

 En dan: 'Ikzelf ben hier gebleven.'  

De dingen van Toon Verhoef

 Als Toon Verhoef exposeert, zoals nu bij de Amsterdamse galerie Onrust, moet ik zien wat hij nu weer uithaalt. Hoe hij dingen uit de omgeving zijn doeken heeft binnengehaald.

 De dingen. Hij zegt dat de dingen meer en meer bepalen wat hij maakt. Opgewekte kleuren, geel tegen blauw. Hij herinnert zich uit zijn jeugdjaren in Argentinië half afgescheurde affiches aan de muren in juist die kleuren.

 De dingen, de vormen.

 Toevallige dingen uit de omgeving het doek binnenhalen, het toeval regisseren. Waarbij hij ook graag de verf laat zien.

 Altijd op zoek naar onbekende vormen.

 Zijn favoriete filmmaker is Godard. Die films maakt 'naast de film', die de perken van zijn medium te buiten gaat, zoals Toon dat ook wil. Het schilderen naast het schilderen.

 En telkens vindt hij weer vormen. Die ik niet kan benoemen anders dan met 'van dat brede plakband uit een oud postkantoor' of 'de etalage van een Franse bakkerij'. Onzin. 

 Toon Verhoef is niet te vangen. Je kunt hem wel lachjes ontlokken, de ironie is nooit ver weg.

Tags: 

De journalist Elsschot

 Vlaanderen is taal. Alle dagen om zeven uur kijk ik naar het VRT-nieuws en hoor - liefst uit de mond van Wim de Vilder of Goedele Wachters - de verschillen met het Nederlands. Puur plezier je taal zo helder en gearticuleerd te horen spreken.

 Het boek 'Van onzen correspondent' met een keuze van C.J.Aarts en M.C.van Etten uit wat Willem Elsschot (1882-1960) of beter de jonge Alfons de Ridder in de jaren 1918-1922 - vermoedelijk - schreef voor de NRC. Het begint met 'De toestand der Vlamingen' waarin  meteen de verschillen aan het licht komen.

 Elsschot? Vermoedelijk ja (niets werd in de krant met naam ondertekend). Het is geschreven in 1918-1919, direct na de oorlog, in de door Duitse b­ombardementen verwoeste stad Antwerpen. En werd niet geplaatst. Waarom niet? Het verschil in stijl en cultuur was de Rotterdamse redactie kennelijk te groot.

 Lees mee: 'Sedert de Belgen hun eigen pot weer koken is de toestand der Vlamingen er niet beter op geworden. Voor de oorlog was een Vlaming slechts een sukkelaar, zonder meer, omdat hij geen Fransch kende of een gek omdat hij 't wel kende  en toch van die kennis in 't publiek geen gebruik maakte. Je kwam dan in een netten winkel, bij Antwerpsche menschen om een hemd te koopen of zoo. Als je in 't Vlaamsch vroegt om een paar van die dingen te zien, dan spraken de Vlaamsche winkeljuffrouwen onder elkaar fransch, waar je bij stond, en gaven je daarna in 't Vlaamsch een beknopt overzicht van wat zij besproken hadden.

- Maman! Il veut un chemise bleue numero 42! En moeder riep dan van boven, of van uit de keuken:

- Nous n'en avons plus, Maria! Montre lui une rose. C'est tout ce qui nous reste.

- Mijnheer, vertaalde de dochter dan alsof je niets gehoord hadt 'wij hebben die blauwe niet meer.'

  Vlaanderen was klein-Babylonië en is het vaak nog. Als premier Michel vloeiend Vlaams spreekt luistert men toch naar kleine uitglijers. Elsschot verkeerde tussen drie werelden, Zijn latere boeken heeft hij zorgvuldig vernederlandst.

  Ik bezit een stafkaart van Anvers en omgeving uit die tijd, waarop alle namen nog verfranst zijn. En het woord sukkelaar ken ik uit Suske en Wiske.

Varken

 Hier is de consument een varken geworden dat aanstal­ten maakt zichzelf te gaan eten. Vaak ook is in andere afbeeldingen de slager zelf tot een varken geworden, dat likkebaardend zijn messen slijpt om zichzelf te gaan slachten.

 Ik heb varkens gekend op het landhuis waar ik als kind woonde. Altijd goedgehumeurd knorrend als ik ze oud brood bracht of nog beter als hun soep werd gebracht in enorme pannen, soep die de hele dag in de keuken stond te pruttelen en waar alle restjes in verdwenen. Ze herkenden me. Op weg naar school kwam ik langs de slachterij. Het hoge gillen hoor ik nog.

 Des te verbaasder was ik toen ik voor het eerst op een zakje boterhamworst een zelfetend varken zag als dit.

 Dit is een Deens varken. Zijn gebakken spekzwoerd is geworden tot de snack die niet hij maar ik straks zal eten.

Ik en jij

 Je kunnen verplaatsen in anderen, empathie is naast autisme een issue van alledag geworden. Siri Hustvedt schrijft er onder meer over in haar bundel opstellen over 'kunst, sex en de geest' die de mooie titel 'A Woman Looking at Men Looking at Women'  draagt.

 Het begon er mee dat ze als ze als kind een ijsblokje zag het lijflijk koud kreeg. Ze kon er ook niet tegen als tekenfilmfiguren vreselijke valpartijen meemaakten. Het is me niet vreemd, eens heb ik mijn jammerende zusje moeten weghalen uit een Laurel & Hardy-film toen de dikke zijn broek in brand was gevlogen.

 Hustvedt werd overgevoelig genoemd, ze was 'de prinses op de erwt'. We zijn bij de synesthesie, de vermenging van de zintuigen, waarin je veel varianten hebt. Zie je een ander pijn lijden dan kun je die zelf ook voelen. Wanneer je een ander streelt zal je ook jezelf in zekere mate strelen: het 'spiegelen'. Waarmee de grens tussen zelf en ander wordt overschreden. Wat sommigen onprettig vinden, een inbreuk op hun autonomie.

 Maar, wat voel je werkelijk, en wat haal je in je hoofd?

 Niemand leeft alleen. Mensen gaan voortdurend met elkaar om. Maar hoe weet ik dat ik ik ben en jij jij? We zitten allebei in een omhulsel van huid. Een baby weet al waar hij of zij ophoudt en de moeder begint. 

 Wat zeg je als je zegt 'ik' en 'jij'?

 En zo door. Ik lees. Oliver Sachs prees haar werk.

Tags: 

De halve Hannah

 Het is winter. We zijn aan de Belgische kust in een van de rijen flats. Wat haar man misdaan heeft weten we niet precies, het moet wel een pedofiel vergrijp zijn waarvoor hij in de gevangenis zit.

 Als zijn echtgenote Hannah hem niet laat vallen, zoals iedereen, maar in het gevang blijft bezoeken is dat genoeg voor haar familie en kennissen om zich ook van haar af te keren. Haar zoon wil haar niet meer zien, haar kleinzoontje mag ze niet meer zien, al komt ze met diens lievelingstaart aangezet.

 Er blijft van Hannah's leven steeds minder over. Als zelfs haar zwemabonnement verlopen is wordt dat een teken. Net als de dode walvis op het strand. Maar wat had ze dan moeten doen? Het wordt krachtig aangeduid in de trein­scene waar een zwart meisje haar overspelige vriendje uitscheldt door haar telefoon. Net wat Hannah zou willen doen. Of?

 Het is Charlotte Rampling die de film maakt. Hoe? Haar blik, haar oogopslag is die van iemand die half in de wereld leeft en steeds meer in een eigen niemandsland, haar ver­lopen flatje aan de desolate kust.

 Toch heeft ze niets misdaan, ze blijft alleen maar menselijk in de omgang met haar echtgenoot.

De dichter Nietzsche

 Achter in ‘De vrolijke wetenschap', in de nieuwe ver­taling van de vorig jaar gestorven Hans Driessen komt Nietzsche als dichter aan het woord, in de 'Liederen van prins Vogelvrij', bij uitzondering vertaald door Ard Posthuma. En zie, de wanhoop spreekt, ’s nachts aan het strand bij Genua, zoals in 'Het geheimzinnige vaartuig'.

Gisternacht toen alles sliep,/ amper wind met afgemeten/ zuchtjes door de straten liep/ en mijn slaap het af liet weten,/ hielp geen pil, noch wat ons diep/ slapen laat: een goed geweten.

Zonder de gewenste slaap,/ liep ik eindelijk naar het strand,/ zag, onder een milde maan, man en schuit op 't warme zand,/ slaperig beide, herder, schaap:/ slaperig stak de schuit van land.

Wel een uur lang, leek het mij/ (of een maand, een jaar, om 't even!)/ dat mijn denken t had begeven/ 't werd een grote grijze brij,/ 'k werd een afgrond in gedreven,/ bodemloos - toen was 't voorbij.

Ochtend - op het diepe donker/ van de afgrond, welbehoed,/ lag een vaartuig. Alom klonk er:/ Wat was loos? Wat zag je? Bloed? -/ Het bleef stil! Wij sliepen, sliepen/ allen  ach zo goed, zo goed!

De horizonloze wereld van Michael Wolf

 De van oorsprong Duitse fotograaf Michael Wolf woonde lange tijd in Hongkong. Daar begon zijn studie van het moderne stadsleven. Bij de 'Architecture of density'.

 Wij kennen die grote tegenstelling net zo goed. Generaties architecten zetten 'blokkendozen' neer volgens de regels van Bauhaus en De Stijl, maar in die eenvormige, rechthoekige hokken werd gewoond. En zo anders dan de architecten - bezield van wat goed was voor de mens - hadden bedoeld. Oude, onregelmatige, hoogstpersoonlijke woonvormen staken de kop op, binnen de rechthoeken. Zoals de leraren van Bauhaus zich inrichtten naar hun eigen idee, tegen de voorschriften van de bouwers van hun huizen in.

 In Hongkong leidt de beklemmende 'woondichtheid' tot hoogstandjes van individuele expressie van de individuele emotie.

Het individu is niet kapot te krijgen.

 Wolf laat de benauwenis zien in zijn horizonloze 'no-exit'-stijl, maar ook de ontsnappingen.

 Zoals in zijn stoelenserie, die laat zien hoe kapot zitmeubilair eindeloos improviserend bruikbaar wordt gehouden.

 Er staan voorbeelden uit zijn verzameling in het Haags fotomuseum.

'Informele oplossingen' heet de serie, Hoe je werkhandschoenen te drogen hangt, of een matje achter een leiding duwt. Vindingrijkheden die Corbusier of Mondriaan een doorn in het oog zouden zijn.

Pagina's