Chuck Berry, de dichter

 Chuck Berry is dood. De man wiens teksten rock 'n roll tot poëzie maak­ten. De man op wiens gitaarvondsten Keith Richards en de Stones hun oeuvre bouwden. En zoveel anderen.

 Zelf zwart en al wat ouder bekeek hij de blanke high school teenagers en beschreef ze, vol verlangen. Zo'n jeugd had hij zelf willen hebben in St.Louis, waar zijn vader een kleine bouwond­ernemer was.

 Ik zag mijn held in het Concertgebouw, dat hij, zoals na elk optreden, verliet met aan elke arm een blonde stoot.

 De film die Keith Richards als eerbetoon van hun gezamenlijk optreden in St. Louis maakte is onvergetelijk omdat Chuck niks anders deed dan Keith zijn plaats wijzen. Jennen, door opeens naar een andere toonaard te gaan en zo meer. Immers hij was de baas en Keith wel tien keer zo rijk en beroemd, maar toch niet meer dan z'n bewonderaar. Daarom nu Sweet little sixteen:

 They're really rockin' in Boston/ In Pittsburgh, PA

Deep in the heart of Texas/ And 'round the 'Frisco Bay

All over St. Louis/ And down in New Orleans

All the cats wanna dance with/ Sweet Little Sixteen

 

Sweet Little Sixteen/ She's just got to have

About a half a million/ Famed autographs

Her wallet filled with pictures/ She gets them one by one

Becomes so excited/ Watch her, look at her run

 

"Oh Mommy, Mommy/ Please may I go

It's such a sight to see/ Somebody steal the show

Oh Daddy, Daddy/ I beg of you

Whisper to Mommy/ It's alright with you"

 

Cause they'll be rockin' on Bandstand/ In Philadelphia, PA

Deep in the heart of Texas/ And round the 'Frisco Bay

All over St.Louis/ Way down in New Orleans

All the cats wanna dance with/ Sweet Little Sixteen

 

Sweet Little Sixteen/ She's got the grown‑up blues

Tight dresses and lipstick/ She's sportin' high heel shoes

Oh, but tomorrow morning/ She'll have to change her trend

And be sweet sixteen/ And back in class again 

 ps. In de oorspronkelijke tekst was zijn alter ego Johnny B.Goode een 'colored boy', de platenfirma maakte er 'country boy' van.

Tags: 

Wortelwereld

 Planten denken en voelen met hun wortels. Eigenlijk kijken we hier boven de grond naar het verkeerde. Blaadjes en bloemen zijn bijzaak. De plant zoekt daar beneden in het donker naar voedsel, strijdt en werkt samen met bacteriën..

 Fotograaf en kunstenaar Diana Scherer dresseert die plantenwortels. Laat ze groeien in de vormen die zij graag ziet. En de planten gehoorzamen, in het 'wortellaboratorium' waar ze samen met Nijmeegse wetenschappers werkt.

 Daar keert ze de wereld om. Onder wordt boven. Zoekende, tastende organen, daar onder onze voeten, met zintuigen die hun omgeving waarnemen.

 Diana dresseert de planten, hun wortels laat ze in de patronen groeien die zij graag ziet. En dat doen ze gehoorzaam. Kunst en wetenschap vinden elkaar.

 'Het zijn eigenlijk een soort haren of draden,' zegt ze. 'Dus kun je ze modelleren tot een weefsel, of een mat.'

 'Nog een heel gedoe om ze in het gareel te houden, Eigenlijk groeien ze alle kanten op, op zoek naar voedsel, donkerte, water. Maar als je ze op een sjabloon laat groeien, vullen die wortels tot mijn verbazing zelfs kleine holtes helemaal op.'

Tags: 

Voorbij

 Het was op mijn eerste verkiezingsavond in Amsterdam dat ik Joop den Uyl in het echt zag. In die tijd hadden de partijen allemaal een zaal waar je heen kon. De VVD in de Poort van Kleef, de kleintjes in De Kroon op het Rembrandtplein.

 De PvdA had de grootste zaal, de Koopmansbeurs van Berlage. Ik zat als eerstejaars student onder het podium met de katheder, waar Den Uyl het woord voerde. Hij was toen nog wethouder van Amsterdam. Wat hij zei ontging me, zoals van wat dominees en sprekers zeiden weinig tot me is doorgedrongen

 Maar wat ik nooit vergeten ben is dat hij heel opvallend een pantalon van een C&A-achtig kostuum droeg en daarbij een jasje van weer een ander ­pak. Ook stond hij bekend om het morsen van sigarenas op die pakken.

 Later hoorde ik over hem van mijn vriend die het schopte tot assis­tent van eerste ministers. Eerst Den Uyl, later Van Agt. Van Agt was veel aardiger, die maakte een praatje en nam hem mee voor de lunch. Den Uyl liet hem tussen de middag een broodje ei uit de kantine halen dat hij onder het doornemen van de stukken naar binnen propte.

 Later kreeg ik hem eens aan de telefoon uit New York toen hij voorz­itter van den gedichtenjury was geworden. Hij kende veel poëzie, Ischa Meijers 'Een jongetje dat alles goed zou maken' kende hij van buiten.

 Maar als het aan hem als wethouder gelegen had was het huis waarin ik nu al zo lang gelukkig woon allang gesloopt, de 19de eeuwse wijken afgebroken en de binnenstad gesneuveld onder 'cityvorming'. Alles voor de arbeiders.

 Sociaal democraten weten wat goed is voor een ander. Dat kan niet goed blijven gaan. Tot eergisteren heb ik op ze gestemd.

Tags: 

The storm

 Een dag en een nacht ben je op bezoek, leef je mee met een Japanse familie. En dat juist het etmaal dat tyfoon nummer 24 over Japan trekt. Van heldere zon naar woeste wind en regen, en terug naar een zomerse dag.

 In hou van Kore-eda om zijn precisie op de vierkante decimeter, wat wel moet als een gezin woont in een heel kleine ruimte, zodat iedereen zich half bukkend door de ruimte verplaatst.

 Hoe overleef je? Oma is weduwe geworden na vijftig jaar huwelijk. Een hele opluchting giechelt ze. Japan, de cultuur van de berusting.

 Haar zoon is schrijver, maar zit in een levenslang writers block zodat hij als privé detective de kost verdient.

 Wat klopt met de manier van leven daar, je zit letterlijk op mekaars lip en dat brengt stortvloeden van futiliteiten mee, prachtig Kore-eda materiaal.

 Zoals mensen aan boord van een klein schip intenser op elkaar betrokken raken, tot slaande ruzies toe, zo zijn het in dit flatje een gescheiden echtpaar met hun zoontje en de moeder van de man die de storm uitzitten.

 Ze komen nader tot elkaar. Niet dat er iets werkelijk verandert, aan het eind gaat ieder terug naar zijn eigen leven. Maar ze hebben er vrede mee. Hoe dat kan? Ga After the storm zien. 

Geloof

 Nogeens Maria. Altijd aan voorbijgelopen uit afkeer van de zoetelijkheid van moeder en kind. Op kindfoto's met moeder probeer ik altijd me los te rukken, mijn eigen weg te gaan. Het kruis wacht, zegt het verhaal.

 Hoe kon een bescheiden bijrol in het Bijbelverhaal - ze komt 49 keer eventjes voor - uitgroeien tot de draagster van het katholieke geloof?

 Het verhaal waarin God als verteller, onbereikbaar boven alles zweeft en Christus de bovenmenselijke held is. Die net als Socrates sterft voor zijn gelijk. Maar dan die moeder. Ze was na 1500 even weg, het brave meisje met haar moeder en vele halfzussen, maar in de bigotte 19de eeuw keerde ze glorieus terug. Jongens kregen als tweede voornaam Maria, geen muziekkorps van mijnwerkers ging voorbij zonder vaandel met de beschermvrouwe erop. De moedercultus zit er in het Zuiden des lands diep in.

 Het zou mooi geweest zijn als Maria behalve oppassende moeder ook meer geweest was in de kerkelijke hiërarchie. Maar de kerk blijft een mannenbastion, celibaat en al. Vrouwen mogen kinderen baren en de kerk stofzuigen. Het duo Venus en de kleine Amor hebben waarschijnlijk model gestaan voor Maria en haar zoontje.. Maar ach.. 

 Gerard Reve heeft me met zijn Mariaverering zelfs nog naar Kevelaer gejaagd. en in Scherpenheuvel zal ik altijd een kaarsje branden voor de madonna, al heb ik mijn auto daar nooit laten zegenen door de priesterploeg die alle dagen klaarstaat.

 Het heeft lang geduurd voor ik dat durfde, ik ben immers niet katholiek en het zou schijnheilig zijn. Waarom dan toch? Ik geloof in geloof. In kathedralen met flakkerende vlammetjes. In kitsch. En een lieve moeder had ik ook. De rest is bijzaak.

 Ps. Een half pond Mariakaakjes in de week, voor ons ongelovige gezin met drie kinderen, dat was het.

Tags: 

Maria

 De weg van moeders schoot naar moeders schoot. Dacht ik langs de Utrechtse Nieuwegracht lopend, na de Maria-tentoonstelling in het Catharijneconvent. Van de baby of kleuter tot de 33-jarige dode jongeman die wat ongelukkig over z'n moeders bovenbenen ligt. Welke vrouw van rond de vijftig houdt dat vol? Maar de bisschoppen bestelden het en de schilders en beeldhouwers maakten het en dus kon het.

 Michelangelo's versie in de Sint Pieter speelt het klaar.

 De verloren zoon kwam thuis. Ik dacht aan de jongen achter de bar in het Italiaanse café waar ik met m'n vriendin wachtte tot we wat konden bestellen, maar die jongen telefoneerde maar. Er kwam geen eind aan. Mijn vriendin zei hij heeft heel wat te stellen met z'n meisje.

 Nee, zei ik, dat is z'n moeder. En ja, tenslotte klonk het 'Ciao mama'.

 De Utrechtse tentoonstelling begint veelbelovend, met oeroude beeldjes van moedergodinnen, vaak met kind, zoals Isis met de kleine Horus. De Cybille is er. In vele culturen had god een moeder, soms een vruchtbaarheidsgodin. Moeder, geliefde, hoer, madonna, de vele gedaanten van de vrouw. En dan hoop je op meer. Maar dat komt hier niet.

 Onze Christelijke Maria, die maar een paar keer in de bijbel voorkomt, is in wat volgt hier in Utrecht nooit meer dan het devote meisje dat zwanger raakt van ze weet niet wie. 

 Wie haar redden zijn de schilders en beeldhouwers. En hun opdrachtgevers, die weten dat een mooi meisje in hun kerk bekijks van kerkvolk zal trekken. OPp z'n moois met een naar binnen gekeerde blik die niet veel goeds voorspelt..

 De Maria devotie groeit als ze op het concilie van Efese (431), wordt erkend als moeder Gods en dus zelf ook goddelijk.

 Maar een volbloed vrouw zal ze nooit worden, die rol is weggelegd voor Maria Magdalena, de voormalige hoer die de geliefde van Christus werd en naast Maria onder het kruis knielt, waarbij zij de houten paal en zijn voeten omhelst.

 Maria werd ontvrouwd, een heilige boon. Het bederf treedt in als het gebruikelijk wordt de totaal verzonnen moeder van Maria te introduceren in de al te huiselijke Anna-te-drieën groepjes van oma, moeder en kleinzoon. Er komen ook nog halfzusters bij!

 Tja, in kerken zitten vrouwen, de mannen vind je in het café aan de overkant, tot ze even binnenwippen om het opdragen van de mis mee te pikken. 

Tanden

 De tandartsenij komt er bekaaid af in de letterkunde. Behalve 'Ivoren wachters' van Simon Vestdijk ken ik het jeugdverhaal 'De man met de wondermolen', een pleidooi voor poetsen.

 En nu vind ik in 'Geloof in mij' van Jacob Groot, waarin ik steeds terugkeer, opeens die merkwaardige, erotische geladenheid terug tussen tandarts (zij is een vrouw) en patiënt. Tussen aantrekking en pijn. Het machteloos terneer liggen, overgeleverd aan wat ze met je doet. Tegen je heup leunend of niet.

 En dat in de spanning van de klinische entourage van haar witte jas - wat daar onder? - en de beroepsmatige afstand. Ze heet Pantha (alles) en heeft ogen als edelstenen waar Eddie Combo voortdurend in kijkt. Zo begint ze het 'afgebra­nde dorp' in zijn mond te restaureren.

 'Hij staart in de bijous die zijn blik vermijden want uitsluitend aandacht hebben voor het binnenste van zijn mond, die hij voor ze openhoudt, zodat hij, naar ze opkijkend, behalve hun rust hun kunde kan peilen, hun toewijding, hun diepte, hun schakering van kleur naar gelang Pantha’s positie ten opzichte van het kunstlicht in de hagelwitte behandelingsunit binnen een raster van soortgelijke cockpitachtige eenheden, verspreid over een reusachtige hooggelegen etage van een geheel aan de tandheelkunde gewijd torengebouw, bijgenaamd De Tand, een tempel, los in de blauwe hemel van Suburbia.' 

Tags: 

Verdwalen

 Ik reed in het onbekende Utrecht op goed geluk een parkeergarage binnen, en kwam weer bovengronds in een Albert Heijn. Tegenover een stille moskee. Mijn richtinggevoel was zoek. Alle richtingen waren even goed of verkeerd geworden.

 Opeens wist ik weer wat verdwalen is. Niet dwalen, maar stilstaan in een onbekend voetgangersgebied, los van richting, leeg van hoofd, suizend van oude angst. Verdwalen roept een kind wakker, in een uitgestrekt bos waar alle bomen op elkaar lijken en hun toppen spookachtig ruisen. De weg vragen doe ik nooit, dat maakt het erger.

 Ik leerde van de architect Juhani Pallasmaa dat ogen, oren, neus en tastzin verfijningen zijn van huid, gespecialiseerde stukjes huid, zodat we een en al huid zijn.

 Ik was op weg naar de Vorlesebühne, in een paviljoentje dat moest liggen tussen het stuifzand achter het station. Naar Bernh­ard, Sylvia, Marten en de kleine parlando-muziek van Uli Kürner en Riek Westerhof. 

 Achter de moskee kreeg ik het in zicht. Was niet meer verdwaald en verkeerde tussen de stemmen. Wat een stem vermag. Een stem kan zuchten. Dat kan een verzuchting zijn, waar Fransen zeggen 'Ouf je respire'. 

 Ik zuchtte en ging binnen.

Till the end of the world

 Bewaard gebleven: een eenvoudig gidsje met woordenboekje Nederlands-Hongaars. Door mijn ouders ontvangen toen ze in 1956, na de Hongaarse opstand tegen de communisten overwogen een gevluchte Hongaar in huis te nemen.

 Spannende dagen. Je moest wat doen. De radio vertelde van de opstandige premier Imre Nagy en Janos Kádár. Alfred van Sprang deed verslag vanuit Hongarije. Het Polygoon journaal vertoonde massa's vluchtelingen die de last minute grens oversta­ken en Simon Carmiggelt gooide ruiten in bij de CPN.

 Filmer Béla Tarr (1955) laat in Eye de dubbele omkering van vandaag zien. De Hongaren - de zelfde van toen vaak, maar wat ou­der - bouwen muren om vluchtelingen tegen te houden, die er net zo uit zien als zij in 1956.

 Tarrs tentoonstelling Till the end of the world berust op de herhaling, die als beeldmo­tief steeds terugkomt in de fragmenten uit zijn films in Eye. Zijn laat­ste werk heet 'The Turin Horse', het Paard van Turijn.

 Een fragment daaruit toont een zeikna­t paard, en een verregende voerman. Prachtig hopeloos en uitzichtloos gedaan en zonder eind. Aangrijpend ook, je wordt zelf het paard met de oogkleppen.

 Alleen die titel. Zijn hang naar symboliek speelt Tarr hier parten. De fabel zegt dat Friedrich Nietzsche in 1889 in Turijn op straat een afgesloofd paard omhelst en gek wordt 'omdat hij zichzelf in het dier herkent'. Nietzsche, de man van de eeuwige wederkeer van het zelfde.

 Maar Nietzsche-biograaf Curt-Paul Jansz zocht het helemaal uit (1981) en ontdekte dat het een verzinsel is uit 1930 van een Italiaanse journalist.

 Onuitroeibaar omdat het zo mooi is. Te mooi.

Tags: 

Fontaine Sainte-Marie

 In het bos bij Parijs tussen Meudon en Clamart ligt de Fontaine Sainte-Marie. Een plek om uitstapjes heen te maken, er is een kleine uitspanning. Handke woonde in Clamart in de jaren '70 en keerde er nog vaak terug:

 Hij maakte de Fontaine tot de kern van zijn lange ‘Gedicht aan de duur’ (1986), waaruit dit, juist vertaald door Huub Beurskens.

 Wat is duur? Wat het niet is komt al vlug. Maar wat wel? Wie zegt 'op den duur' heeft het aangeraakt. Handke weet dat het warm is en kan het ook situeren: 

 'Op de vraag waar mijn middelpunt van de wereld is,/ zou ik de Fontaine Sainte-Marie antwoorden./ En ze is inderdaad een middelpunt,/ want bij haar rustte ik telkens/. wanneer ik van de voorstad Clamart/ door het bos ging/ om in de volgende voorstad, Meudon,/ mijn kind van school te halen, en nu herhaal ik deze route/ zo vaak ik kan./In het nabije Parijs stroomt de Seine,/ stroomt het water door de goten,/ maar verder wijd en zijd niets. De weinige vroegere beken lopen ondergronds,/ zijn overwelfd./ Met de Fontaine Sainte-Marie/ heb ik de enige bron van de wereldstad gevonden,/ het enige natuurlijke, levendige beekje./ Wanneer ik het nader,/ nooit afgezet door een voertuig,/ altijd te voet,/ kan ik, al aan de zoom van het bos, hopen op een bekoring (...)’

Tags: 

Pagina's