Schapenvacht

 Toen ik na een nacht in z'n Normandische kusthuis in Ault aan Thom Mercuur vroeg waarom de zee 's nachts licht geeft, zei hij 'De zee zuigt het licht overdag op en straalt het 's nachts weer uit'.

 De beroemde Finse architect Juhani Pallasmaa zegt dat zintuigen voortdurend gezamenlijk opereren. Als je ziet hoor en ruik je tegelijk ook. Hij wilde niet meer een uitsluitend visuele architec­tuur maar gebouwen voor alle zintuigen en schreef 'De ogen van de huid'. Alle zintuigen, oog, oor, neus etc. zijn immers gespecialiseerde stukjes huid. Aan hem dacht ik bij 'Eiland' van Dorien Dijkhuis, in de nieuwe Extaze:

 ik stond een avond op de steiger van het eiland/ achter me gleed de veerboot terug de nacht in/ een verlichte zaal waar mensen waren/ de nacht was donkergroen

 op de dijk graasden schapen het zilveren gras/ hun vacht hield de dag nog vast, als zeilen bij zonsondergang/ voor me ademde het bos, daarachter sliep het dorp/ ik wist dat er ergens een bed was

 ik dacht aan jou, hoe jij niet hier bij mij was/ maar ergens ver weg een boek las, in de kroeg zat/ lachte, sliep, misschie­n/ aan mij dacht

 dat ik juist daarom het zilver zag, het donkergroen/ de adem van het bos, het flakkerend verlangen/ in een schapenvacht

Stadse meiden

 Breitner en Israels kleden de Amsterdamse straten aan met meiden. Een enkele dame doet haar boodschappen, maar die zie je hooguit terug in een portretopdracht. Op de grachten, bruggen en in de steegjes zie je de koffiepiksters die in sweatshops de slechte van de goede koffiebonen scheiden, de dienstmeisjes in hun witte schorten en de 'waspitten' van de kaarsenfabriek aan de Boerenwetering, achter het Rijksmuseum.

 In 1887 komt er een parlementaire enquête naar de wantoestanden daar:

 Vraag: Gij moet dus de bakken met stearine overgieten in de vormen, en de kaarsen afsnijden. Dat is uw werk gedurende 36 uren. Van zitten kwam dus niets in? Antwoord: Neen, mijnheer.

 Vraag: Kreeg gij 's nachts geen rustuur? Antwoord: Van 12 tot 1.

 Vraag: En gedurende dien tijd kondt gij dan wat op de grond gaan liggen? Antwoord: Ja, dan zocht ik maar een zachte plank op.

 Geen wonder dat de schilders makkelijk aan modellen konden komen. En dat de bordelen een uitweg boden. Uit een verhaal van Frans Erens in De Nieuwe Gids (1892):

 'Tusschen de vierkante meiden met de donkere rokken, die waaiden breed als krinolinen wijd. Vloog licht en rank, in volle zwaai en leliewit de slanke meid. Gloeiend heet en rood in zweet trapte ferm de sterke matroos, meenemend licht, het lichte wicht. In den nevelenden stof, in den wirbelenden dans, in het voeten gebons, in het plompende gestomp, in het vioolgesnerp verdween, kwam op de vliegende meid.' (...) 'En tusschen door de witte hand, verdwijnend hier, verdwijnend daar.'

Amsterdamse spiegelruiten

 Het schilderen van het nieuwe, grootsteedse Nederland begon in Den Haag. Hagenaars Breitner en Israels gingen rond 1885 het rumoer in de hoofdstad zoeken. Zagen Amsterdam opbouwen en groeien.

 Ze stortten zich op industrie, nieuwbouw, entertainment, mode en het caféleven. Israels was kind aan huis in het modehuis Hirsch met z'n mannequins. Breitners model Geesje Kwak werkte in een kledingateli­er.

 Het Haags Gemeentemuseum laat nu zien hoe na de landelijke rust van de Haagse School het stedelijk rumoer kwam.

 Amsterdam schilderen of tekenen blijft moeilijk. De binnenstad, de grach­tengordel waren toen al een koektrommel cliché. Breitner en Israels losten het op door er meiden op los te laten. Breitners vaak uitgelaten waspitten en dienstboden, Israels mannequins.  

 Waar ik niet van wist was de introductie in het stadsbeeld van wat nog steeds heet de spiegelruit. Tot dan toe waren winkelramen klein. Net als die van gewone huizen. Nu konden er opeens grotere raamoppervlakken gemaakt worden. De etalage was geboren.

 Amsterdam liep uit, niet alleen om te zien wat tentoongesteld werd, maar om binnen te kijken door die reusachtige glazen oppervlakken.

 Herman gorter beschreef het in 1885. En Israels huurde een kamer tegenover de hoedenwinkel Mars aan de Nieuwendijk, om vanuit zijn raam de etalages en de klandizie te kunnen schilderen. 

Frankrijk kiest

 Volgende week verkiezingen in Frankrijk. En weer gaat het over identiteit. Net kom ik terug van de premiere van de film Latifa, vertoond in de Cinema Arabe. Over een goedwillende oudere Marokkaanse, moeder van een militair die sneuvelde omdat hij niet wilde knielen maar rechtop bleef staan.

 Op 11 maart 2012 stierf deze Imad, onderofficier in het Franse leger, in de eerste van drie schietpartijen door de 23‑jarige Mohamed Merah. Imads moeder Latifa gaat naar de wijk in Toulouse waar Merah opgroeide en waar hij nog altijd als een martelaar geldt.

 Daarna trekt ze de banlieus langs en houdt de jongeren van Marok­kaanse komaf voor dat ze nu eenmaal Fransen zijn. Geen gekke boodschap ook voor Turkse Nederlanders. Ze spreekt ze toe in klaslokalen en collegezalen, op congressen en in gevangenissen door het hele land. Het lijkt te werken, bij de jongeren, ouders en docenten, maar ook bij politici. Ze wordt geprezen door Hollande, komt op tv.

 Maar nu net zie ik op tv een heel sterke reportage van Saskia Dekkers uit de Parijse voorstad Trappes, waar zij de mensen kent, die duidelijk maakt dat Latifa's boodschap daar al achterhaald is. Trappes Islamiseert in snel tempo. Van een staat die hoofddoekjes verbiedt wil niemand meer wat weten. Trappes stemde altijd op socialisten, dat lijkt voorbij. Nog wat:  Cinema Arabe wordt bedreigd, terwijl het juist erg nodig is.  

Apeldoorns kanaal

 Verzinkend in de Verzamelde Gedichten van Wim Brands kom ik steeds aan het Apeldoorns kanaal terecht, tussen Eer­beek, waar ik een paar jaar woonde en Voorstonden waar hij vandaan kwam.

 Halverwege ligt het dorp Hall, waar ik een driedaagse boerenbruiloft meemaakte met dorpsgenootje Herman van der Velde. Op z'n Veluws heette dat een 'brullofte'. Waarom? vroeg ik.   

 'Omdat die zo brulln,' zei Herman.

 Het Apeldoorns kanaal werd druk bevaren. Elke kilometer een ophaalbrug. Evert Schut, kleinzoon van een papierfabrikant, en ik maakten een bootje van een kist en wat planken. Flink geteerd lieten we hem te water. Evert doopte hem 'pilente' wat volgens hem Veluws was voor waterhoentje. We wachtten bij de brug op aken. Schippers namen ons op sleeptouw naar de volgende brug. En daar wachtten we een boot terug af. Ik heb Wim dit wel eens verteld.

 Nu kom ik bij 'Gezelschap' uit de bundel Zwemmen in de nacht (1995):

 Opeens valt de nacht. We gaan/ naar binnen en doen het licht

 uit. Onze woorden verstommen,/ de motten verdwijnen

 We lopen naar onze kamers./ Waar we gaan liggen en

 tegen onszelf praten/ Zonder geluid.

Tags: 

Martelaren

 Pasen nadert en zoals elk jaar denk ik aan m'n oude vriend Jan Pieter Guépin, die in 2006 stierf na het voltooien van zijn roman 'De drie bedriegers, Mozes, Jezus en Mohammed'. Een verhaal tegen het monotheïsme, de godsdiensten van het ene, enige gelijk. Het gelijk waarvoor Jezus binnenkort weer onder luid applaus sterft in de Mattheus Passion.

 Dat had niet gehoeven, hij wilde het zo. Jan Pieter Guépin leerde me dat er in oudheid twee heel erge mensen geleefd hebben. Mensen die stierven voor hun gelijk. Deze martelaren zag hij als inspiratoren van monotheïstische religie, de gesel waar wij nog steeds onder zuchten. Hun namen: Christus en Socrates.

 Plato‑vertaler Gerard Koolschijn schreef: 'Plato's Socrates was niet het symbool van vrijheid van denken en spreken tegenover een onverdraagzame massa, maar de hooghartige belichaming van het beter weten.'

 Socrates was de martelaar van Plato's gelijk, iemand die liever de gifbeker dronk en stierf dan te erkennen dat voor het standpunt van een ander soms ook iets te zeggen valt. Plato, die heel zijn leven besteedde aan het bestrijden van de democratie. Een groot kwaad!

 En dan Christus. Hij had het makkelijk op een akkoordje kunnen gooien met Pilatus, zegt Guépin, maar een compromis was voor hem ondenkbaar. In monotheïsme was en is er  nu eenmaal maar een waarheid, de zijne.

 En daar komt moord en doodslag van, leerde ons Jan Pieter Guépin, wiens hoofdfiguur keizer Frederik II bevriend was met Christenen en Mohammedanen, tot ergernis van de pausen. 

Noces

 Het lijkt de modernste variant van de traditionele Pakistaanse trouwerij. Aardig, menselijk, maar toch een family affair.  Hoofdrol Zahira mag per Skype vanuit Brussel zelfs kiezen uit drie Pakistaanse huwelijkskandidaten, waar van er een Frans spreekt en een zachtmoedige jongen lijkt. Wel moet er nog een maagdenvlies hersteld worden. Maar het huwelijk wordt ‑ per skype ‑ gesloten.

 Maar dan komt de ommekeer. Ze smeert hem, met haar Belgische vriendje. En haar broer, en de hele familie komt in het geweer om de eer te redden. Immers, als dit misloopt de familie zal zich nooit meer in Pakistan kunnen vertonen.

 Het kardinale moment is Zamira's zwangerschap en haar last minute afzien van de abortus. In diepe ernst over leven en dood. Niet alleen van het kind dat komt, maar ook, zoals zal blijken, van haar zelf.

 Als ze nu baas in eigen buik is dan zal ze dat blijven. Ook haar oudere zuster, die eerder gezwicht is voor een gearrangeerd huwelijk kan haar er niet van af brengen. Wel levert de ontmoeting een kraakhelder gesprek op tussen de zusters over het lot van de vrouw in de Islam.

 Zamira zal haar familie, hoe aardig ook, de rug moeten toekeren. Met alle gruwelijke gevolgen van dien, die ik niet verklap.

 Toch, evengoed pijnlijk dat het een Belg is, Stephan Streker, die dit zo kan verfilmen.

Shunga

 Shunga is erotiek of zo je wilt porno, maar dan anders..Eenmaal in het Sieboldhuis keek ik gewoontegetrouw bij de erotica. Valt er iets te lachen bij seks zonder de aardigheid te bederven? De Japanse makers van Shunga-prenten dachten van wel.

 In haar Shunga-boek beschrijft Inge Klompmakers kleurhoutsneden van de 18de-eeuwers Harunobu en Koryusai, uit 1603-1868, toen Tokyo Edo heette.

 In het Westen was en is seks een ernstige zaak. Alsof een grapje de opwinding zou breken. In Japan gaat het samen.

 De locaties in het kleinbehuisde Japan geven er ook aanleiding toe, thuis, met een kind over de vloer of een wegvluchtende minnares of in een badhuis, zoals je bij ons de 'stoof' had.  Veel voyeurisme ook, daardoor. Iedereen ziet elkaar.

 Het 'aardse plezier' gebeurt in Edo vooral in wat de 'drijvende wereld' wordt genoemd, een ommuurde wijk vol eethuizen en, bordelen. Wil je daar niet herkend worden dan kan je een grote strooien hoed kopen om je onder te verschuilen.

 Erotische strips zijn er, gemaakt ook door beroemde schilders. Sinds 1765 in kleurendruk. Het begon al vroeg. Er is een geschilderde 'falluswedstrijd' van Toba Sojo (1053-1140), waar het gaat om wie de grootste heeft en vrouwen eerst giechelend toekijken, maar daarna gaan meedoen.

 Japanners worden niet opgewonden van naakt, halfgekleed is beter. Wel worden de geslachtsdelen komisch uitvergroot en zie je geliefden in acrobatische verstrengelingen.

Brakmans droom

 Met vriend Willem Brakman sprak ik ook over religie. Gelovig waren we geen van beiden. Wel deelden we een gevoel voor het onverklaarbare.

 'Ik droomde,' zei Willem, 'dat ik wakker werd in een prachtige, zondoorschenen kamer, met los waaiende gordijnen. Ik stond op, liep naar het raam en zag dat mijn kamer op de eerste etage lag van een groot landhuis met een Frans aangelegde tuin. Op mijn nachtkastje stond een ontbijt gereed, met een kan verse koffie. Maar binnen noch buiten was een iemand te zien.

 Graag zou ik iemand bedanken voor deze schitterende ontvangst, dus ging ik de gang op in mijn kamerjas, en liep de gangen door. Maar nergens was een levende ziel te bekennen. Toen werd ik wakker.'

 Volgens Willem was dit een religieuze droom. Hij zocht iets of iemand om te bedanken. Gewoonlijk vragen mensen goden om gunsten. Hij niet, hij wilde alleen iemand bedanken. Maar wist niet wie.

 Zijn verhaal zette zich in me voort. Zodat ik het landgoed in Leuven plaatste en inkleurde met gele kiezelpaden en plavuizen in rood en zwart. 

Tags: 

Tastbare gebeden

 Kwam vanmiddag in het Leidse Siebold Huis terecht, het Japan museum dat nu zg. Ema ‑ gebedsbordjes ‑ laat zien. Dat zijn een soort ex‑voto's zoals de katholieken ze tot voor kort op heilige plaatsen ophingen om de gunst van hun heiligen af te smeken. Had je bv. een zwakke enkel dan hing je een mooi geciseleerde koperen voet op in de kapel. Soms ook hele schilderijen.

 De Japanners doen het nog steeds, massaal. Ze hangen ze aan de dakranden van tempels, langs de wandelpaden er omheen. Op vaak zelfbes­childerde houten plankjes. Bijvoorbeeld het dier van het jaar, met op de achterkant een persoonlijke tekst. En zo zag ik kleine schildjes met soms komisch aandoende afbeeldingen die genezing van alle denkbare kwalen vragen. Het vee moet ook gezond blijven.

 De god Ebisu, een van de zeven geluksgoden gaat bijvoorbeeld over de gezondheid van kinderen.

 Wel opmerkelijk hoe vindingrijk visueel hun cultuur is. Alsof de goden liefst plaatjes kijken.

 De Japanners verschillen niet van ons als het gaat om het doel, bijna altijd afsmeken van gunsten. Altijd maar vragen. Bedankjes aan de goden zoals ze bij de katholieken voorkwamen, denk aan de schilderijen in Jezus-Eik van genezen vrouwen en kinderen, zag ik niet. 

Tags: 

Pagina's