Verdwijnen

 Nu doe ik het alle dagen, maar er was een eerste keer. Ik bedoel vanuit een makkelijke stoel naar de mensen, de verschr­ikkingen van de wereld kijken zonder erdoor bedreigd te wor­den. Aleppo of Mosul zien, zonder er te hoeven zijn.

 Als kind zag ik op een verregende Duitse vakantie de film 'Ein Mann geht durch die Wand' met Heinz Rühmann. Een man wordt onzichtbaar, kan ongestoord slaapk­amers van vrouwen binnengaan zonder dat ze het merken. Hij bespiedt, haalt grapjes uit, loopt door muren heen. Het leek me een ideale oplossing voor mijn verlegen­heid.

 Aan deze film dacht ik bij de aankondiging van de tentoonstelling: 'How to disappear completely' in de Rotterdamse Garage. Daar zal ook de raad­selachtige film 'Horizon' van Sema Bekirovic weer zijn.

 Het meest wilde ik onzichtbaar zijn op school. Het was de tijd dat er nog banken stonden. Op zich zelf een prachtige uitvinding. Je kon je rekken en strekken, heen en weer schuiven op de gewelfde zitplank, kijken naar de gekraste graffiti van lang geleden voorgangers.

 En kijken naar de nekharen van het meisje voor je. Tot je de beurt kreeg en genadeloos zou blijken dat je er niets van wist. Zes jaar nekharen.

  Daar groeide mijn wens onzichtbaar te worden. Ik kon ineen duiken, er niet zijn tot mijn naam klonk. Sommige leraren werkten alfabetisch. Mijn naam kwam naderbij.

 Mosul en Aleppo komen voorbij, maar ik hoef niet bang te zijn dat ik de beurt krijg, kan rustig in mijn stoel blijven zitten en door alle muren heen lopen.

Tags: 

Trump-kunst

 Hyperrealisme of fotorealisme is geen goede titel voor de tentoonstelling die vanaf 25 februari te zien is in de Rotterdamse Kunsthal. Het gaat niet om het hoe maar om het wat. Waar gaat dit over?

 Werk van dertig schilders. Drie generaties inmiddels. Het houdt niet op.

 Het lijken foto's. Dat ze dat niet zijn herken je aan de componerende hand van de schilder. Die rangschikt, ordent, kwasi-achteloos natuurlijk, zoals foto's ook altijd iets toeva­lligs behouden. Het ontstond in de late jaren '60. Een vorm van pop-art, het dagelijks leven.

 Robert Bechtle schildert het onderwerp 'Mens en auto'. In Amerika, waar openbaar vervoer nauwelijks bestaat, zodat mens en auto ongekende symbioses aangaan.

 Mens, auto, straat of weg. Er staan huizen. Dat is de wereld.

 Wat kan de hyperrealist ermee? Toch niet een artistieke impressie geven, nee hij kan alleen maar het omgekeerde: perfectioneren. Het erger maken. Het is haat-liefde die spreekt uit de schilderijen van Robert Bechtle. Meer Amerika dan dit kan niet.

 Er zijn weinig auto's geschilderd, zelfs in Amerika. Alsof de kunst zich ervoor schaamde. Maar alles komt terug. Dit is kunst in de tijd van Trump. Het Sovjet-realisme van Amerika nu.

Baudelaire herdacht

 Het is 160 jaar geleden dat ‘Les fleurs du mal’ van Charles Baudelaire (1821-1867) versch­een. De Stichting Spleen brengt een tweetalige jubileum-uitgave met ook reflecties van 40 Nederlandse en Belgische dichters. En vanaf 24 februari zijn er overal in Europa presentaties van 'Als engel, maar met roofdierogen'. Vast een voorproefje: eerst 'Het gif', vertaald door Peter Verstegen:

 'De wijn verleent het smerigst dranklokaal meteen/ Een wonderlijke weelde,/ Doordat er in zijn rossig gouden waas zo menig/ Mythisch zuilengewelf verscheen,/ Als een zonsondergang aan nevelige hemel./ De opium verruimt de wereld, en het meest

Wat zelf geen eind wil nemen,/ Verdiept de tijd, verhevigt onze zinnenweelde,/ Er vult tot berstens onze geest/ Met duistere, melancholieke zaligheden.

Dat alles doet het gif dat uit jouw ogen stroomt,/ Ogen zo groen, toch nooit vergeten,/ Die vijvers waarin mijn weerkaatste ziel moet beven./ Een hele drom van dromen droomt

Dat hun die wrange poelen water mogen geven./ Dat alles evenaart het wonder niet, zo groots,/ Van jouw invretend speeksel,/ Waarin mijn ziel sereen verzinkt als in een Lethe,

En dat haar naar de rand des doods,/ In machteloze duizeling, heeft weten mee te slepen!'/

 

En dan een Reflectie van Antony Oomen:

 'Ik vroeg me af: wat zoek ik toch in 't water van de spraak/ Waterval van trek en zucht, de staat van een halfdode/ Galligheid, hebberige lethargie, loodzwaar schril venijn/ Intussen amper nog de staat kennend van 't prille brein/ Van toen ik kind was, en nog volop vrolijk echt bestond/ De wonderlijke armoe van zo'n rossig gouden gloed, ach/ Overmoed: je durft eenieder te verschalken en te jennen/ O ja, als toverballen rollen grote woorden uit je mond/ Je adem riekt naar ledigheid, naar zwavel, verzuurde melk/ En bitter als grapefruit sijpelt de zerpe zever uit je smoel/ En dan, het pijpje en de naald, het poeder en het gruis/ Het gif dat niet zozeer de geest verruimt als hem verhuist/ Naar natte onderaardse holen en spelonken, diep verzonken/ Krochten in de aardkorst, waar wilskracht, zinnen en het weten/ Zich hebben ingewroet, door myriaden kevers aangevreten/ Wat, vraag ik, word jij aan frisse hartstocht nog gewaar/ Als 'k in jouw blikveld plons, want uit je ogen stroomt het git/ Nat, inkt, mat, pek, een zwarte pap met brokken gruwel/ Genaakbare peilloze spiegel van mijn thans glansloze staat/ Tegenstander, vol smart en vrees, venijn. Angstogen. Pijn.' 

Tags: 

Watteau

 Was Jean-Antoine Watteau de bedenker van het Fête galante? Nee, het was er al, maar zijn schilderijen brachten het wel in de mode. Zo moest je het doen om mee te tellen. Zo'n jurk als bij Watteau moest je als dame dragen. Daarin moest je gezien worden.

 In het Haarlemse Teylers is zo'n jurk te zien op de expositie van vooral Watteau's krijttekeningen, de kern van z'n werk. Hij tekende liever dan dat hij schilderde. En dan de gezichtjes. Watteau schiep een vrouwentype. Geen pruiken - Lodewijk XIV stierf in 1715 - vrij dikke wenkbra­uwen, kleine mondjes, stevige halspartijen, opgestoken haar met een strik erin. Lange benen, vooral bovenbenen. Het meisje op het affiche heeft een rare neus, beetje onderkin ook.

 Met z'n krijt kon Watteau meer dan met de kwast, in het bijbehorende nummer van Kunstschrift legt Jeroen Stumpel het haarfijn uit. Zijn arceringen, de krijtkleuren. Het scheppen van plooival en volume. Het gekleurd papier. Hij laat jurken om het lijf vallen in een paar halen. Die er voor altijd staan, krijt gom je niet uit.

 Waar kwam het galante feest vandaan? Je had geld, een buitengoed, gaf daar eetfeesten waar men danste, muziek maakte, je liet voorstellingen geven á la commedia dell'arte. En ieder kleedde zich erop. Alles buiten. Bij Watteau regent het nooit, en de meisjes weten hoe ze zich in het gras moeten neervleien. De liefdesmarkt bloeide.

 Dirk Hals en Teniers gingen hem in Holland voor met hun schilderingen van de buitens van de rijke Hollanders aan de Vecht of het Wijkermeer.

 Watteau kwam uit Valenciennes, niet ver van het Vlaanderen van zijn voorbeelden Rubens en Van Dijck.

 Het zijn in Teylers vooral zijn 'studies' van handen en voeten, houdingen en gelaatsuitdrukkingen in alle denkbare posities, driekwart, op de rug die het hem doen en waarbij je steeds weer denkt 'oh'. Je ziet Watteau om z'n modellen heen draaien of ie danst. Geen gezichtshoek ontsnapt hem.

Dorpsgek

 Hier zou ik graag met Wim Brands over hebben gepraat. In de dorpen waar wij woonden had je ze. In Eerbeek heette hij Gait, zoals ze daar Gerrit uitspreken. Gait bracht kranten rond. Oude kranten.

 Kranten moesten bezorgd worden, in brievenbussen geduwd, huis aan huis. De mensen in Eerbeek begrepen dat en gaven Gait stapels oude kranten. Een krant moest dagelijks in een brievenbus vallen, dat het klepperde en dat je hem op de mat hoorde vallen. De datum deed er niet toe, of ze gelezen werden even­min.

 Hij werd vriendelijk gegroet: 'Moi Gait'.

 Eerder, in de stad Zutphen, waar ik zes jeugdjaren woonde en Wim later schoolging, zag ik aan de Ijsselkade de mon­gool die Harmen hee­tte. Hij hoorde bij de stoomtram die daar na de oorlog nog korte tijd reed.

 De mannen van de tram naar Deventer hadden hem een pet gegeven en een koperen toetertje, om te helpen bij het rangeren. Hij was er alle dagen druk mee in de weer. Harmen hoorde bij de stoomtram.

 Tot ik op een ochtend op de kade kwam en de tram verdwenen was. Opgeheven. Lege rails, de mannen waren verdwenen. Alleen Harmen liep er nog rond, met z'n pet. 

Tags: 

Post Joegoslavië

 Het ontstaan van Joegoslavië, die lappendeken van katholieken, orthodoxen en moslims was een erfenis van het oude Oostenrijk-Hongarije, waar de keizers bijvoorbeeld de krijgszuchtige Serviërs snippers grond gaven langs de grens met het Turkse rijk.

 Tito probeerde er een multiculturele, communistische staat van te maken. Men werd elkaars buren trouwde onderling. Maar na de val van de muur spatte het uiteen in gruwelijke burgeroorlogen. Er bleven staten en staatjes over. De Kroatische film 'On the other side' laat zien hoeveel andere kanten dat naliet. Heel het verhaal speelt in een hiernamaals.

 We volgende Vesna, de Kroatische die haar Servische man kwijtraakte, in Den Haag veroordeeld voor oorlogsmisdaden. Ze woonden in Bosnië. Nu werkt zij in de thuiszorg in Zagreb.

 Als hij na twintig jaar gevangenis opbelt en haar wil terugzien is de boot aan.

 Je weet van Srebrenica, van Mostar, van Kosovo en zoveel meer maar van de sporen die de oorlogen in mensen nalieten komt nu pas iets boven. Landen vol patiënten. En een nieuwe generatie die vol afgrijzen en onbegrip terugkijkt.

 Je komt in deze film maar geleidelijk achter het voorafgaande, dat onuitgesproken voortleeft. Alsof de keurig moderne interieurs, de perfect functionerende liften in de nieuwe appartementsblokken moeten verbergen wat iedereen weet.

 Regisseur Zrinko Orgresta weet hoe weinig mensen over een oorlog praten die voorbij is. Ze laten het verleden liever rusten, het was erg genoeg. Totdat er iemand begint te praten, zoals Zarko, de Servische echtgenoot van Vesna aan de telefoon. Maar is hij het wel?

Af/Onaf

 Of je nu een verhaal schrijft of een tekening maakt, de verleiding is groot, als het lekker gaat, om door te gaan, te verkennen waar je dan misschien uitkomt. Wanneer is iets af?

 In de Amersfoortse Kunsthal KAdE is er bij de 'Goed gemaakt'-tentoonstelling een afdeling aan gewijd. Net als in het bijbehorende nummer van het jubilerende Kunstschrift.

 Wie schildert of schrijft is tegelijk toeschouwer. Tweemaal zelfs. Hij kijkt naar zijn eigen werk en verplaatst zich in de toeschouwer.

 Als ik dat ben gebeurt het al te vaak dat een maker alle ruimte voor zichzelf blijkt te hebben opgeëist en voor mij geen ruimte overlaat. En ja, als ik iets niet goed vind komt dat vaak door een teveel.

 De vraag 'wat kan weg' komt altijd terug.

 In Rotterdam, in Boijmans, ga ik altijd even langs Saenredams Mariaplaats (1662), de Mariakerk in staat van verval met de boompjes die opschieten op het dak. De sloop van de kerk (1813-1816) kondigt zich aan.

 Een vrijwel leeg grasveld achter de kerk. Er spelen wat kinderen, hondenuitlaters maken een praatje, opzettelijk klein geschilderd, waardoor het gebouw en de grasvlakte groter lijken. De kerkdeur is dicht.

 De tekening die hij – al in 1636 - maakte is veel drukker. Hij besloot kennelijk bijna dertig jaar later dat het leger moest. Toen was het af. 

Tags: 

Maria

 Dit verhaal begint bij mevrouw Van Solkema, een oud-lerares Nederlands die veel reisde en inmiddels gestorven is. Mijn zwager, die haar verzorgde kreeg van haar een ingelijste prent die hij weer aan mij gaf, geheel verstoft.

 Een prachtige reproductie met scenes uit het leven van Maria, die een jurk in lapis lazuli draagt. Verguld ook. Maar waar kwam hij vandaan? Ik maakte hem open en zag dat hij ongeveer zestig jaar geleden was ingelijst en gestempeld bij Partout, N.Z.Voorburgwal 49. Op de rand staat: Sammlung Eugen Gutmann. Ik zocht hem op. Hij was eens een joodse medestichter van de Dresdner Bank en kunstverzamelaar. De familie verhuisde naar Nederland.

 Zijn latere nazaten, het echtpaar Fritz en Louise Gutmann woonde in Heemstede, en dachten dat ze geen gevaar liepen, ze waren immers gedoopt en de afgezette Duitse keizer Wilhelm II kwam vaak langs en bekeek de kunst. Maar het echtpaar werd door de Nazi's vermoord - Fritz doodgrknuppeld in Theresienstadt, Louise in Auschwitz vergast - en de verzameling van de Gutmanns geroofd. Een deel is nog steeds zoek.

 Achterkleinzoon Simon Good­man schreef zijn familiegeschiedenis, 'Orpheus clock', die in 2015 verscheen.

 De Sammlung is nu in Heidelberg, in de UB. Het handschrift waar mijn pagina uit komt is op perkament gem­aakt in Frankrijk omstreeks 1420. Onbekend door wie. Het zijn 36 pagina's miniaturen plus een calendarium van 24 bladzijden met veel randversiering. En de schepping, het oude testament, leven en lijden van Christus, en ja, het leven van Maria. Eens eigendom van Kasimir IV van Polen (1444-1492).

 Hoe de mooie Maria met haar heupsieraad op de Nieuwezijds terecht kwam weet ik nog niet.

Geen gedichten

 Gedichtenweek. Mijn lievelingsdichteres is Szymborska(1923-2012). Vooral om die ene regel: 'Mijn zuster schrijft geen gedichten'.

Een regel waarmee alles gezegd is. De titel is niet nodig, zo min als de rest van het gedicht, waarin ze uitlegt dat ook de rest van de familie geen gedichten schrijft.

Er is een keuze verschenen uit haar vroegste gedichten, uit de jaren '40, oorlogstijd. Waarin je haar weinig genoeg ziet groeien, of beter krimpen. Zoals in 'Maten': 

 'De jongen, voetganger van plaatsen en dagen/ - plaatsen en dagen in verpletterde vorm -/ de herinnering aan thuis, explosie en de hemel./ In de leegte verdwenen drie muren:/ breedte hoogte lengte./ De vierde bleef naakt/ zoals de tijd. Maat en gewicht.

 In de nis van het raam/ moeilijk te ontcijferen potloodstreepjes./ Hoe vrijpostig was de hand die/ de lengte van het kind mat!/ Kijk hoger: daar zijn ze niet./ Op die plaats zijn de tekens trefzekerder:/ dwars door de slankheid van de jongeling/ geheel tot de volwassen lengte/ gehavende kogels op de schaal van het leven.

 De jongen, wiens lippen/ het bloemenexamen niet gehaald hebben,/ de jongen,  wiens hart/ te lang één liefde mocht hebben -/ heeft nu een lastige gedachte:/ over zo'n aanhoudende ernst/ die je jeugdigheid kunt noemen - benauwend.' 

De Sfinx is opgestaan

 Een brede vleugelzwaai als van een valk. Er is na 2000 jaar een openbaring, een wederkomst in aantocht. Niet die van Christus. De sfinx verrijst uit het woestijnzand.

In Zutphen was vandaag een gedichtenzondag met velen, waaronder Marc Cooper die The Second Coming van de Ierse dichter W.B.Yeats (1919) las. Waarom? Deelde hij - in deze dagen van Trump - het apocalyptische visioen van Yeats?

Hoe ook, weer valt een wereldorde uiteen. Dit zijn tijden waarin de blik van een dichter als Yeats past. De Wederkomst, maar van wat of wie? Vertaald door Jan Eijkelboom:

 'Zwenkend en zwenkend in steeds wijdere kring kan de valk de valkenier niet horen/ dingen vallen uiteen/ het centrum houdt het niet en louter anarchie is op de wereld losgelaten/ het bloed‑vergifte tij is losgelaten, en overal wordt de ceremonie van de onschuld verdronken/ de besten missen elke overtuiging, ter­wijl de ergsten vol zijn van een hartstochtelijke kracht.'

 'Zeker is er een openbaring in aantocht. Zeker is de Wederkomst in aantocht. De Wederkomst! Net is dat woord eruit of een reusac­htig beeld uit de Spiritus Mundi verontrust mijn blik: ergens in zand van de woestijn beweegt een vorm met leeuwenlijf en mensenhoofd, een lege blik, meedogenloos als de zon, zijn trage dijen, terwijl overal rondom schaduwen draaien van verontwaardigde vogels.'

 'Het donker valt weer/ maar nu weet ik dat twintig eeuwen van versteende slaap tot nachtmerrie worden gekweld door een bewogen wieg, en welk rauw beest, zijn uur nu ein­delijk gekomen, schuifelt naar Bethlehem om te worden geboren?'

Ja, de Sfinx is waarlijk opgestaan en naar Washington geschuifeld. 

Pagina's