De dingen van Aukje Koks

 In de catalogus bij de 'Ways of being' van Aukje Koks, nu in het Haagse GEM, staat ook een gesprek, waarin ze weerkerende voorwer­pen voorstelt, zoals broekzakken, manchetten, kragen van een overhemd, kledinghaakjes. Het skelet van een man, lijkt het vaak.

 Ze zegt: 'Ik heb op een zekere dag poëzie of herkenning in deze motieven of objecten gevonden en ik was niet meer in staat om die herkenning of associatie te laten gaan.'

(...)

 'Wat ik interessant vind aan die kledinghaakjes is het idee om ergens voor een korte tijd aanwezig te zijn, als een kortstondig bezoek. Op dezelfde manier ben ik gefascineerd door de poëzie van een boekenplank, in dienst van de dingen die hij draagt, terwijl de plank daarbij zijn eigen identiteit als het ware opzij zet.'

(...)

 'De onderdelen van het overhemd waren het resultaat van een korte romance, iets tijdelijks. Ik had nog best dingen kunnen toevoegen zoals een zin uit het boek The Miscreant van Jean Cocteau: 'What uniform can I wear to hide my heavy heart'. Deze zin gaat niet perse over mij. Ik stelde me voor dat alle kantoorwerkers dit soort uniformen in hun kast hebben hangen, en ze dragen terwijl ze hun verlangens en mijmeringen er onder verbergen.'

(…)

 'Vaak doe ik geen moeite om de reden van een specifieke keuze voor een motief te vinden. Ik heb dan de voorkeur om het te laten rusten in de banale diepten van het onderbewustzijn.' 

Tags: 

De zwijgende stad

 Vrijdag 19 februari organiseert Tijdschrift Terras een avond onder het motto 'De stad is een misverstand'. Meer stad dan Dresden is moeilijk voorstelbaar. Van exuberante glorie tot vernietiging. De Dresdenaar Dürs Grünbein schreef het lange 'Poëem over de ondergang van mijn stad',  Waaruit twee delen. Te beginnen met het moment vlak voor de bommen vallen - 13 en 14 februari 1945 - op de nietsvermoedende stad:

 ‘31

Spinragfijn, in het allerprilste zonlicht, wat trilt,

Wat kringelt daar in de lauwe lucht van Dresden? Staniol?

Denk eraan terug. Voor het kind, door moeder aangetuigd

Om te wandelen, was de blauwe hemel overvol.

Tussen paardenbloempluisjes, vliegers en ballons

Zag je iets, staalgruisglinsterend, vallen.

Niet te vatten was dat, prompt moest je lachen.

Moest met je ogen knipperen net als bij kerstslingers,

Van die ijzige. Wat was dat? Spaanders van metaal?

Was het ijzervijlsel dat daar op je neus dwarrelde?

 

39

Sindsdien zwijgt ze. Zwijgt als iemand die haar toon verloor,

Mijn stad aan de rivier, onverschillig voor wie verhuist.

Wie ver weg is vergeet ze. En van het rouwfloers

Heeft ze schoon genoeg. Zo door geschiedenis nat gepist

Is elke hoek hier dat geen plaats bleef voor allure.

Uit het hart sprak tot haar de beluisterde componist.

Lissabon in z'n hoofd en de krenking der muziek.

Verrijzenis? Ook dit verdraagt ze en met plezier

Zakt ze zwijgend terug in haar oude spiegelbeeld.

Ook de necroloog aanvaardt ze. (...)’

 

 Ps. Staniol is bladtin. Ps2. De vertaling is van Ton Naaijkens. Ps3. Wim Brands leidt volgende vrijdag in de Brakke Grond een ‘stadswandeling’ van Terras, met optredens van Tonnus Ooster­hoff, Ivo Victoria, Els Moors, Jan Baeke, Bernke Klein Zandvoort en de band Stadt. 

Ons kent ons

Avoid all circumstances that require new clothes, schreef E.M.Forster. Ik zag de pijnlijke voorstelling van gisteren. En m’n ergste vermoedens werden bewaarheid. Het is één grote, kleffe pot nat. Het correspondents dinner. Au. 

 De grote smoelenparade van televisielui en onze hoogste gezagsdrager. Die geestig moest zijn.

 Politiek, cabaret en televisie zijn voorgoed een geworden. Gordon, Herman Pleij of Dolf Jansen, wat maakt het uit. De Amerikanen doen het ook.

 Bij mevrouw Jinek zitten immers dagelijks de politici en de kreupelen tussen de grappenmakers en de sportlui. Er is geen verschil meer. Ieder gezicht, iedere bewering is even veel waard als de volgende.

 In dit ons kent ons is het alle dagen carnaval.

 Alleen de NRC zat er niet tussen, die hadden wijselijk de branchevervaging doorzien en zich vrijgehouden. De machtenscheiding in ere gehouden. Benieuwd hoe ze erover schrijven.  

Op schrikbarend dun ijs

 Zal de Nederlandse titel worden van de - nog onvertaalde - gesprekken van journalisten met W.G.Sebald (1944-2001). Een selectie vol wetenswaardigheden. Vanwaar die titel?

 Kort voor zijn dood zei Sebald tegen een Amerikaanse interviewer dat hij het geloof in 'de controleerbaarheid van zijn eigen biografie' rond zijn vijfendertigste had verloren: 'I'm out of control' is de kern van de zelfbeschrijving die hij geeft. 'Wat zich voordoet is altijd het onverwachte.'

 Ik herinner me de verhalen van vriendin Ria Loohuizen uit Norwich, waar ze met Sebald samenwerkte, over de ‘toevalsclub’ die hij grapsgewijs stichtte. Zie eerder in Avondlog

 Het inzicht in de instabiliteit en onberekenbaarheid van het eigen leven komt in de verzamelde gesprekken in steeds andere samenhangen voor. De beelden die Sebald daarbij gebruikt zijn vaak die van vallen, kantelen of inbreuk.

 Geschokt is hij bijvoorbeeld als het ouder worden van zijn ouders tot hem doordringt en hij moet inzien dat een nu meer dan tachtigjarige 'toen pas tweeëntwintig moest zijn geweest'.

 En dan zegt hij dat hij bij zichzelf heeft vastgesteld 'dat we ons steeds op schrikbarend dun ijs bewegen, dat we elk ogenblik weggerukt kunnen worden, dat het geheel van een breekbaarheid is die je bijna niet toelaat van de ene dag naar de andere te komen, en dat je, als je dat onder ogen ziet eigenlijk weet dat je alleen maar stil zou moeten zitten en je niet bewegen, opdat alles als het kan maar langzaam vergaat.'

 Vier jaar later kreeg Sebald bij Norwich, waar hij woonde, een hartaanval achter het stuur. 

De stem van Janis Joplin

 Zou ik gaan? Ik ging. Janis Joplin zingt in Little girl blue harder dan je kunt verdragen. Tegen wie zingt ze? Daarover gaat Little girl blue.

 Jacob Groot schreef eens over Elvis in Are you lonesome t­onight 'Hij zingt tegen zichzelf.'

 Janis Joplin overtreft alle zangstemmen. Er moet iets goedgemaakt worden. En je weet dat het niet zal lukken.

 Uit de blues en de soul - wezenlijk autobiografische muziek, de film legt het goed neer - haalde ze het dramatiseren van haar verhaal. Otis Redding wees haar de weg. Timing, spanning maken, bespelen van publiek. En tegelijk zeggen wat je op je hart hebt. Als ze over haar vak praat merk je hoe intelligent ze was.

 Je bent in Port Arthur in Texas, of waar ook, het meisje waar de jongens achteraan lopen of je bent het niet. Janis werd verkozen tot 'lelijkste man' van de school. Grapje. Berusten in zo'n nederlaag? Onmogelijk. Ze schreeuwde het onrecht uit tot haar laatste snik.

 Maar ook na schitterende concerten ging ze alleen naar hotelkamers, of met verkeerde man­nen. Je kunt de beste zangstem van de wereld hebben, maar ze gaan achter het blondje aan.

 Haar wapen, haar stem moest z'n vorm vinden. Hij was groter dan zij. De zwarte saxofonist Snooky Flowers: 'Is dit een blank meisje?' Het bandje Big Brother kon niet tegen die stem op. Heel de rock n' roll draait om stem. Zonder zanger is een band nergens. Janis kon hem eerst nog verstoppen achter het matige bandje Big Brother, maar niet lang. 

Tags: 

Wezen

 Verweesd noem je mensen of voorwerpen zonder houvast. Het eerste verhaaltje in Noodlanding, de bundel van Kyra Wuck, heet Wezen. Gek genoeg dacht ik meteen aan de dagboeken van de Max de Jong.

 Mensen die niet kunnen wat anderen rondom zo makkelijk af lijkt te gaan, een praatje maken zonder dat er onverschilligheid of erger van komt. Het verhaal van Kyra Wuck gaat over de ontmoeting van twee wezen. De ik wordt aangesproken:

 'Ik had mijn jas nog aan toen de wees tegen me begon te praten. Ik zat op de lege dansvloer tegen de muur geleund. De wees vertelde vrij ernstig dat er in Amsterdam honderdtien wezen onder de zevenentwintig woonden. Waarop we onze bierflesjes tegen elkaar aan sloegen met een vreemd soort enthousiasme (...)'.

 Het verhaal is dan al begonnen met de zin 'Ik ben weleens met iemand naar bed geweest omdat hij een wees was. Misschien dat je zoiets instinctief aanvoelt. Misschien herken je een wees aan zijn richtingloze manier van bewegen.'

 Nog steeds weet de lezer niet of de vertelster ook wees is. Je ver­moedt het, ook door de titel. En zeker na de tweede alinea: 'Zolang ik werd aangeraa­kt, wist ik dat er nog iets van mij over was. Van mijn buik, mijn armen, handen en haar. Mijn opgetrokken knieën tegen de morsige rug van een toneelschrijver of architect.'

 Nooit eerder las ik een verhaal over wezen. Op de kamer van de vertelster aangekomen eten de twee wezen een restje spaghetti en proberen te schaken zonder bord. Ze noemen om de beurt een zet tot ze de draad kwijtraken. De laatste regels vatten de ontmoeting samen:

 'Hij gebruikte zijn vingers om mijn haren omhoog te kammen. Daarna werd alles stil en leek het of de kamer kleiner werd.'

Winterse hallucinatie

 Vanmiddag even terug geweest in de andere wereld van sneeuw en ijs. Wit, stil en gedempt. Zoals je hem ziet uit het raam van de eerste ochtend. 'Het heeft gesneeuwd.' Vogel­poot­jes in verse sneeuw.

 Maar dan rennen kinderen gillend naar buiten. Volwassenen er achteraan. En beginnen sneeuwballen te gooien en door het ijs te zakken, sneeuw in monden te duwen en meisjes in te wrijven. 

 Mijn in Petersburg wonende vriend Pieter begon zijn radiore­porta­ges met de klank van de sneeuw, waaraan je kon horen hoe koud het die dag was.

 IJspret, in Teylers hangen de schilderijen. En kon ik zoeken naar de bronnen van de hysterie die jong en oud bevangt. Van het schouwtoneel van Breughel en Avercamp naar de vieze natte sneeuw met paardenstront van Breitner. Tot de Elfstedentocht erop volgt.

 Het is, denk ik, de omkering van licht en kleur die extase brengt. Wanneer – midden in de winter - de hemel duister wordt en de aarde opeens wit inplaats van grauw.

 De sneeuwschilder Schelfhout heeft het omkeereffect conse­quent toegepast in zijn zwarte luchten boven blinkend witte sneeuw‑ en ijsvloer­en.

 Hallucinerend! Ik noem dat het woestijneffect, want daar zie je die onverwachte, betoverende omkering net zo: de hemel duisterblauw, het woestijnzand zoveel lichter. Om niet te spreken van vrouw­en met heel lichtbl­auwe ogen. 

Tags: 

De dagen van Max de Jong

 Wat voor de een veelzeggend is vindt de ander saai. Zo vinden Carel Peeters en Maarten Doorman de dagboeken van Max de Jong niet boeiend. Ik wel. Ook omdat ze niet voor publicatie bedoeld waren. Kijkjes in een andere tijd. 

 Kritieken heb ik nooit willen schrijven, alleen mensen attent maken op boeken of wat ook. Over wat ik vervelend vind schrijf ik niet, daar heeft niemand wat aan.

 En dan zo veel mogelijk citeren. Dat de lezer een indruk heeft. Bedenkende, als iemand kan schrijven is alles, ook het minst belangrijke - of juist dat - interessant. Een geluidsneurose, oren op steeltjes. Dat helpt de literatuur.

 Zoals op zaterdag 10 april 1948. Max de Jong loopt rond met zijn Hospita's-roman in aanbouw: 'Om 12 uur pas naar bed gegaan, dus maar zes uur geslapen, met alle gevolgen van dien. Ja nou ben ik opeens weer helemaal geradbraakt. In die paar uur, die ik had zullen slapen, eerst geboenk op het dak en daarna gepraat naast me aan de achterkant. Van die juffrouw met haar hartsvriend kan ik nog plezier beleven. Zijn er de hele nacht.

 Biekorff. Iemand had kamfer in de soep gedaan. (Zoudie werkelijk...) Goed op letten. Hilletje vluchtte min of meer, laat maar zo tot nader order. Bij Simon van het Reve en Hanny gezeten. Was wel gezellig. Lehmann laten lezen, geen interesse en vond er niets aan, zij las er tenminste nog even in, maar was er ook niet aan toe. Mee opgelopen. Hij is autistisch en onmogelijk, banaal en vervelend, en verrekt geestig. Ik ben enigszins over mijn slaap heen (...)’.

De kronieken van Max de Jong

 Verzonken in het dagboek van Max de Jong, schrijver van het onsterfelijke gedicht 'Heet van de naald', het laatste woord over ongeluk in de liefde. Ik lees dat hij in 1947 begon aan een roman over het uit­ges­torven ras van de hospita's. Toen bij het vinden van een kamer 'vrije opgang' nog een hemelse zeldzaam­heid was. Ik maakte een staartje mee.

 En dus geen vrouw die de trap bespiedde, geen damesbezoek na tienen duldde en de elektriciteitsmeter bewaakte. Zoals die van mijn vriend Jan in de Tweede Constantijn Huygensstraat, die hem ver­bood platen met elektrische gitaren te draaien, want - ze wist dit zeker - dat kostte meer elektriciteit.

 De tijd dat je 's avonds geen plee mocht gebruiken en scheet in een zakje dat je 's nachts uit de goot van je dakkamer op straat liet vallen.

 Die nooit voltooide roman 'Mijn hospita's' begon zo: 'De eerste hospita waar een ieder mee te stellen heeft, is de eigen moeder. De laatste hospita, waar een ieder bij belandt, is de moeder van zijn kinderen. Daar tussenin staan de anderen.'

 Het leven van een kamerbewoner voor wie vrouwen onoverkomelijk blijven. Ik denk vooral door zijn manische eerlijkheid. En wat een virtuoze stilist! Geestig, bitter, en zo veel in weinig woorden. 

 Max de Jong noteert in dit document hoe zijn generatie aankomende schrijvers en intellectuelen in nu vergeten armoede met elkaar omgaat. Zijn centrale podium is het goedkope eethuisje De Biekorf.

 Eten, wonen, publiceren, alles is problematisch. Het wemelt op alle pagina’s van de mensen over wie hij meningen heeft, met wie hij onenigheid krijgt. Maar zelfkritiek is er ook. 

 Aan paranoïde trekjes ontbreekt het de chroniqueur niet. In zijn kring - ook die van Gerard van het Reve en uitgever Geert van Oorsc­hot - werd hij meest gezien als een wellicht talentvolle q­uerulant. Immers, je wist nooit wat deze rare snuiter nog zou doen.. Dit dus, postuum. Want zomaar opeens was hij in 1951 dood.

Tags: 

Tenen

 Op 20 februari doet de Vorlesebühne in de Utrechtse Molen 'Ze mogen in mijn tenen..'. Ik ben dezer dagen een en al teen.

 Tenen gaan naamloos door het leven. We hebben geen ringteen, wijsteen of middelteen. Alleen de Grote en Kleine worden onderscheiden, wat daartussen zit wordt niet benoemd. Zoiets als duim of pink kent men daar niet.

 Het heeft lang geduurd voor ik mijn tenen beter leerde kennen. Er waren nabijere lichaamsdelen die aandacht vroegen.

 De tenen kregen hooguit aandacht als ik ze stootte of wanneer iemand er op ging staan. De pijn was dan zo hevig dat ik een en al teen werd. Tenen bleken meer dan andere lichaamsdelen ofwel ongevoelig of juist extreem gevoelig.

 Later ontdekte ik hoe dat kwam. Het wordt uitgelegd in het mannetje van de neuroloog Ramachandran. De zenuwuiteinden van de tenen liggen in ons brein vlak naast die van de geslachtsdelen. Waarom de extremen elkaar daar raken is onbekend.

 Wel begrijp ik nu beter waarom Mohammedanen in de Moskee hun schoenen uitdoen. En ook Japanners en Chinezen thuis ongeschoeid leven. Je kunt ze niet erger beledigen dan dat vergeten. De gevoeligheid van de voet is daar de gevoeligheid van heel de mens. En zo kom ik in de Molen onder meer te spreken over de onderscheidene lichaamsgeuren, van oksel tot haargrens, de typisch Westerse riekende voeten en de uitvinding van de 'geurvreters'.

Pagina's