De ijzeren broek van Merijn de Boer

 Kuifje-tekenaar Hergé legde me eens uit hoe je het onwaarschijnlijke geloofwaardig kon maken. Sindsdien noem ik dat de wet van Hergé. 'Alle details, heel de achtergrond moet kloppen,' zei hij. ' Pas dan zul je geloven dat Jansen en Jansens hun vreselijke val overleven en er met hooguit een pleistertje vanaf komen.

 Zo bereik je bij de lezer de gewenste 'temporary suspension of disbelief'. Hergé tekende heel het album De zwarte rotsen opnieuw nadat Engelse briefschrijvers hem hadden gezegd dat onder meer het schotse rokje dat Kuifje draagt en een locomotief niet klopten. 

 In zijn nieuwe roman 't Jagthuys gaat Merijn de Boer vergelijkbaar te werk. Heel de introductie is zeer gedetailleerd. De hoofdpersoon rijdt met de bus van station Breukelen voorbij Nieuwersluis en gaat op bezoek in een buitenhuis. Zover niks ongewoons, behalve dat een schep dient als deurklopper. De bewoonster heeft een verontrustende naam, maar zoiets kan. Ook is er een zoon die zich verstopt. 

 Bezoekster en moeder praten over ditjes en datjes. Er wordt thee gedronken.

 Dan blijkt dat de bezoekster gekomen is voor deze vijfendertigjarige zoon, die opgegroeid is met een 'scheve heup'. Waarna de moeder en passsant zegt: 'We hebben hem een ijzeren broek om moeten doen'.

 Nu blijkt waarom de bus van Breukelen hierheen is gereden. De ijzeren broek is nooit meer uitgegaan. Een ijselijke variant op de Zander-therapie, die het verhaal naar een andere wereld tilt.

 De moeder zegt: 'Ik wil dat mijn zoon seksueel gezond wordt.'

 Als de bus niet zo secuur vanuit Breukelen was komen aanrijden en de thee gedronken was een wending als deze onvoorstelbaar geweest. Nu moet ik verder lezen.

De loop der dingen

 Ze lopen ja, en dingen zijn het ook. De klassieke instal­latie van de Zwitsers Fischli & Weiss die zo heet (1987) bracht werk van vijfentwintig kunstenaars bijeen in de Amersfoortse Kunst­hal Kade.

 Loop, dingen. Beweging. Het spel van de omvallende dominostenen tot in het oneindige. En dat terwijl kunst toch de sublieme stilsta­nd nastreeft. Waarin alle beweging wordt samengevat.

 Er begint iets. De vleugelslag van een vlinder aan de ene kant van de aarde wordt tot een orkaan aan de andere. Of sterft weg. Zo kom je aan de geheimzinnige kracht die hier overal aan het werk is: het toeval. Het bestaat, leerde ik, en zou zelfs bereken­baar zijn. Maar dan wel door een onbestaanbare computer groter dan het heelal. En zolang die er niet is spreken wij van toeval.

 Wat trekt kunstenaars naar het onvoorspelbare? Hoe zal de boterham met chocoladepasta in het glazen potje - een van de microbiotopen van Jonael van der Sloot - er over een jaar uitzien? Wanneer zullen de lampenkappen van kaarsvet van­ Hildegard Tholen in druipsculpturen ontaard zijn en tenslotte op de vloer neergekomen?

 Het blijft geblinddoekt spelen. Tegen een gek. Van wie je altijd verliest. 

 Frank Halmans gebruikt een batterij zandlopers om de tijd tot stilstand te brengen. Hij heeft ze in een glazen kast opgeborgen, die meestentijds horizontaal hangt, zodat er geen zand stroomt. Totdat opeens heel kort de kast beweegt en het zand zakt. Heel even maar. Waarna even later het omgekeerde gebeurt zodat het netto resultaat van zandverplaatsing nul blijft en de tijd getemd.

 Van het een komt het ander. Maar wat is het een en wat het ander? En hoe volgt het een uit het ander?

 Blijven kijken, is de boodschap. Als een kind naar een rups. Bijvoorbeeld naar de fascinerende landschappen van Michiel van Bakel in Jaagpad (2015). Alsof je de ogen van een vreemd insect te leen krijgt.

 John Cage vond het geluid van het verkeer al interessanter dan zijn muziek.

Muzenstraat komt

 'Stille straten daar bij de zee.'

 Ging het springtouwversje dat ik hoorde op een warme zondagmiddag. Op Scheveningen, niet ver van de vuurtoren. Het wijsje bleef me altijd bij, meer tekst weet ik niet.

 Nu eind volgende maand toch werkelijk het boek getiteld Muzenstraat, Haagse verhalen - met Haagse tekeningen van Marcel van Eeden - verschijnt komt de vraag. Wat is er toch met Den Haag?

 En aandringend: waar gaat het over?

 Stuifzand, zal ik zeggen. Er zal een tram rijden naar zee. Dat moet genoeg zijn.

 Nog ben ik opgelucht. Ik heb Den Haag overleefd.

 Maar wat ik nou overleefd heb? Was het fietsen zonder licht, langs achterstraten? Het moet in het boek te vinden zijn. Bekijk de tekeningen van Marcel.

 Ik ontkwam. Het is goed afgelopen, ik durf er zelfs weer te komen. Na vijfentwintig jaar zette ik mijn eerste schreden terug, naar Duindorp, dat Willem Brakman me had aangewezen. Hij bewaarde Den Haag voor me. Tot de laatste stoeptegel.

 Wie ik ben, waar ik vandaan kom. Lees het boek en je weet het beter dan ik.

 Wat je zegt dat ben je zelf.

Met je kop onder lijn elf.

Met je kop onder lijn tien.

Wie niet weg is, is gezien.

De pijn van Menno Wigman

 'Slordig met geluk' heet de bundel waarvan de verkoopster in de boekwinkel een stapel torste. Net binnen. Slordig met geluk, een gedachte die in het openingsgedicht opduikt, dat 'Rien ne va plus' heet.

 Leven als aan een speeltafel. Hoog inzetten op het dichterschap, tot... Dat tot komt in deze bundel met volle kracht naar boven. Meteen in de opening al.

 'Je bent een dichter nu en haast elk meisje trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk. Je leeft. Leeft niet.'

 Gedachten achteraf zijn het. Waar het heen gaat staat er ook: '...haast zesendertig, ziek en mensenschuw, door poëzie van alles om je heen vervreemd (..)'

 En dan: 'Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?' En de slotregel, met dank aan Slauerhoff: 'Had je maar nooit een gedicht gezien.' 

 Dat 'ziek' komt terug in een paar gedichten, hij vertelde erover op de radio. Het was van de zwaarste soort. Hij overleefde. Zodat er een ervoor en een erna ontstond. En ziekenhuisnachten. Schrijven over nachten met pijn, die als een personage tegenover je zit.

 's Nachts slaap ik op een mes. Hoe ik ook vecht,

een onbehouwen pijn brandt me uiteen.  

Half drie. Mijn pijn zit tegenover mij.

We praten niet. We schreeuwen niet. We kijken

elkaar niet eens de kamer uit.

(...)

 Volgt de eindeloosheid van een ziekenhuisnacht. Wakend met de klok.

 En dat temidden van heel andere gedichten. Die bewijzen dat er leven is voor en na pijn. En ontwaken, met een lichaam.

Tags: 

I.M.Thom Mercuur

 Vannacht, even na drie uur stierf Thom Mercuur. Hoorde ik net van onze vriend Dave Meijer. Thom, die nooit ophield alles tegelijk te zijn en te doen: kunstverzamelaar, uitgever, kok, architect.

 De bouwer en directeur van het museum Belvedère in Oranjewoud was tot het laatst druk met een nieuw museum, te bouwen op Lauwersoog, een vliegende schotel boven het water vol kunst waar je ook kon eten. Want dat was het met Thom. Hier zie je hem met Dave aan de kade in Le Touquet vlak bij zijn huis aan zee in Ault, waar we logeerden en zijn theorie over het licht van de zee aanhoorden. Waarom, vroeg ik, na een nacht aan de branding en veel naar buiten kijken, is de zeespiegel 's nachts zo licht. Thom meende dat de zee overdag het licht in zich opzoog en dat bewaarde.

 In Le Treport kochten we vis voor die avond. Thoms schilderijenverzameling - nu bij Belvedère - omvatte heel veel zee, strand en vis. Schilderijen en eten gingen bij hem hand in hand. Ik heb eens een maaltijd bij hem gegeten in zijn gemaal - terwijl zijn verzameling lokeenden ons aanzag - die uit louter paling bestond, ik at als nooit. En overleefde.

 Hij was een Fries en niet zuinig, zijn Friesland was dat der 17 oude provinciën, inclusief Picardië.

 Zijn museum op Lauwersoog, boven zee, een schitterend ontwerp, ging net niet door. Verdrietig. Wie omhelst dit plan? Ons bedachte bezoek aan Roger Raveel kwam er niet van omdat Raveel stierf.

 En nu is ook Thom heen.

Tags: 

Bellen met Gerard Reve

 Vanavond in het Torpedotheatertje met Teigetje en Woelrat, praten over ervaringen met Ger­ard Reve. Ik neem stukjes radio mee, de onderbrekingen bij onze opnamen van De Avonden oa.. 't Is vol.

 Als Gerard in Frankrijk bouwde aan z'n geheime landgoed verveelde hij zich 's avonds en ging bellen. Joop was er niet, die sprak geen Frans en bleef in Schiedam. Zo praatte ik lang en veel met Gerard over werkelijk van alles.

 Een verhaal boeide hem bijzonder. Dat ik vertelde naar aanleiding van de twee legertentjes uit de dump op het Waterlooplein die ik voor hem had gekocht en die daar een zomer op de berg hebben gestaan. Ik had er eerst eentje gekocht en belde. ‘Niet duur,’ zei ik, ‘ 35 gulden maar. Met echte legerletters erop.’

 'Koop er dan meteen nog een,' riep Gerard.

 'Waarom?'

 'Omdat ze zo goedkoop zijn natuurlijk!' 

 Dit is Reve-logica. Emo Verkerk bracht ze naar Frankrijk.

 Naar aanleiding hiervan vertelde ik hem het verhaal van m'n vader over de officierscapes in het Nederlandse leger in de jaren '30.

 Wanneer ze op oefening waren met het regiment Wielrijders, vanuit de Bredase Kloosterkazerne, en de nacht viel, konden twee officieren van hun capes een tweepersoons tentje maken. Er zaten extra knopen in die capes, waarmee je ze aan mekaar kon vastmaken. Ze hadden daartoe ook een tentstok bij zich.

 Gerard kreeg geen genoeg van die twee officieren in hun tentje. 'Vertel nog eens..'

Appel en Fuchs

 Altijd al zag ik in Appel iemand die met beweging kon werken in een vlak zonder z'n evenwicht te verliezen. Maar zijn door kindtekeningen en naïeve kunst geïnspireerde werk uit de Cobratijd en later hinderde me.

 En nog. Eens te meer lijkt de zogeheten charme van het kinderlijke me een ergerlijk verzinsel van volwassenen. Wat kinderen ook zijn, niet naïef. Als kind al haatte ik wat van kinderen gebrouwen werd.

 Wat daarna kwam heeft Rudi Fuchs stevig vastgehouden. Het portret dat Appel van hem maakte hoort tot de meesterstukken in Den Haag. Om te beginnen is het een gelijkend portret, dit is hem, zo ziet Rudi Fuchs eruit. Meer Fuchs kun je niet schilderen. De twee blauwe tl‑buizen erbij moeten pure ironie en pesterij zijn. Appels commentaar op Fuchs' geflirt met modernisten - 'de schilderkunst voorbij'.

 Ook in de andere portretten schuilt - zover ik kan nagaan - vaak treffende gelijkenis.

 Het treffen is de sleutel in Appels schilderstijl. Als je zo werkt als hij schiet je in ene keer raak of mis. Niet dat hij zijn doeken niet voorbereidde en plande. Meestal zijn ook de schilderijen beter gelukt dan verwante tekeningen.

 Samensteller Franz Kaiser heeft meest voltreffers uitgezocht. Er zitten ook missers tussen, dat hoort bij Appel.

Tags: 

De muziek van Karel Appel

 Vanmiddag Karel Appel gezien, in het Haags Gemeentemuseum. Eigenlijk, eerlijk gezegd voor het eerst goed. Wat zat er vorige keren in de weg bij het bekijken van stukjes en beetjes? Ik denk gebrek aan ruimte. Dat vooral. Nooit eerder schilderijen gezien die er op verschillende afstanden gezien zo anders uitzagen.

 Gezichten veranderden van uitdrukking. Vrouwenkoppen van laatdunkend naar lokkend. Mensenkluwens vielen uiteen in losse gestalten. Een strandscene lost zich op in verspreide groepjes in het zand.

 Je moet dit met eigen ogen zien, lopend door de ruimten, zoals Appel ze maakte, lopend door zijn zeer grote ateliers. Op een tv-scherm blijft er niks van over, in een plaatjesboek ook niet. De plaats waar hij werkte en de verf spelen zwaar mee.

 Appel is een schilder van beweging. Alles beweegt bij hem. Hij swingt, maar zijn solo's landen in balans. Zo staat ie voor het doek, zie je op de vertoonde film van Jan Vrijman. Dat is Appels muziek.

 Tot vandaag heb ik dat niet goed gezien, niet goed begrepen. 

 En dan gebeurt er van alles, de verfdiepte werkt mee, het worden reliëfs. Vrouwen kijken je uit hun ooghoeken met steeds andere blikken aan.

 Er was vanmiddag een jong publiek, veel goedgeklede vrouwen en meisjes. Alsof ze bij de schilder in de smaak wilden vallen. Zou Appel een generatie zijn overgesprongen?

 Morgen meer. 

Tags: 

Giacometti’s maat

 In de Oude Kerk dacht ik aan Alberto Giacometti (1901-1966), omdat iedereen die daar in z'n eentje rondloopt in de ogen van een ander klein wordt. De schilder en beeldhouwer raakte daardoor in moeilijkheden. Hij wilde figuren weergeven 'zoals hij ze gezien had'. Soms werden dat minuscule figuurtjes.

 Zo ook bij het portret dat hij schilderde van culturele zwamneus Jean Genet. Wat Genet over zijn sessies bij Giacometti schreef kwam - vertaald door Bernlef - in het tijdschrift Raster, waaruit nu een selectie online staat. Giacometti bekijkt een van zijn beeldjes:

 Hij: 'Het is eerder wanstaltig, vind je niet?'

 Dat woord gebruikt hij vaak. Hijzelf is ook nogal wanstaltig. Hij krabt zijn grijze, verwilderde hoofd. Annette heeft zijn haar geknipt. Hij trekt zijn grijze broek op die tot over zijn schoenen viel. Hij lachte zes seconden, maar zojuist raakt hij een beeld in de maak aan: gedurende een halve minuut bestaat hij uitsluitend in de overgang van zijn vingers op de kleimassa. Ik interesseer hem totaal niet.

(...)

 Hij maakt een map open en haalt er zes tekeningen uit waarvan er vooral vier prachtig zijn. Een van de tekeningen die me het minst doet stelt een minuscuul personage voor, helemaal onder op een enorm wit vel geplaatst.

 Hij. 'Ik ben er niet zo erg tevreden over, maar het is de eerste keer dat ik dat aangedurfd heb.'

 Misschien wil hij zeggen: 'Een zo grote witte oppervlakte waarde verlenen met behulp van zo'n klein figuurtje? Ofwel: laten zien dat de afmetingen van een personage zich verzetten tegen de poging van een enorme oppervlakte het te vermorzelen?

(...)

 Ik zit, kaarsrecht, onbeweeglijk, stijf op een zeer ongemakkelijke keukenstoel (als ik beweeg roept hij me snel weer tot de orde, tot stilte en rust).

 Hij (terwijl hij me met een verbaasd gezicht aankijkt): 'Wat ben je mooi!' Hij zet twee of drie penseelstreekjes op het doek zonder, zo lijkt het, zijn borende blik van mij af te wenden. Dan murmelt hij nog eens voor zichzelf: 'Wat ben je mooi.' Daarna voegt hij er nog deze constatering aan toe, een constatering die hem nog meer verbaast:

 'Zoals iedereen, nietwaar? Niet meer, niet minder.'

Tags: 

Kind

 Niets was me als kind meer vernederend dan kindzijn. Hoe kwam ik er af? Opgroeien ging langzaam. De streepjes op de maatstok voor lichaamslengte met vrolijke kindafbeeldingen schoten niet op.

 Deed je iets verkeerd dan was dat grappig en werd je uitgelachen. Heel de dag spelde ik op het dorp waar we toen woonden de teksten om me heen. Bij een huis aan het kanaal stond op de ramen 'café de brug'. Ik las het, letter na letter, maar het eerste woord bleef me een raadsel, ook door het vreemde streepje boven de e. Thuisgekomen was ik zo onvoorzichtig te zeggen, op de ramen staat 'safe de brug'. Op z'n Hollands natuurlijk. Oorverdovend gelach was m'n deel. Gevolgd door uitvoerige uitleg op de toon die volwassenen tegen kinderen aanslaan. Wat een café was wist ik natuurlijk nog niet. In die jaren leerde ik zwijgen.

 Het probleem was dat mijn moeder, oud-schooljufrouw juist dol was op vooral kleine kinderen. Ik werd voorgezongen, er werden me kinderverhalen verteld. Ze voelde zich zo thuis in de kinderwereld als ik me er onveilig voelde. Over de echte wereld, waar ik dringend meer van moest weten geen woord.

 Vanavond in de Brakke Grond en morgen in de Utrechtse Molen gaat het bij de Vorlesebühne over 'Liedjes die de kachel altijd zong' en ik hou m’n hart vast. Het lied van de kolenkachel, vooral bij storm brengt me de stem van mijn moeder, die verslaafd was aan dit lied, omdat mijn naam erin voorkwam:

'Wim zat zo hard te werken

Hij tekende een spoor

Een spoor met zeven wagens

Maar dat was moeilijk hoor.'

 Ergerlijk. Moest ik dat zijn? Spoor was op de hurken gesproken kindertaal. Waarom gingen mensen raar praten als ze een kind zagen? Zodat ik telkens weer moest verbeteren 'trein'.

Pagina's