Peter Verhelst

 Voor een koortsige die raar wakker wordt kan Peter Verhelst zomaar heilzaam zijn. Soms kost het me lange tijd te weten wie waar, ik? Dit is uit de cyclus Gezangen van de onver­richterzake, te vinden in 'Zing zing' (2015). Dagrest van een ramp op televisie?:

 'Hoe kunnen we dit wakker worden noemen in een wereld

die er alleen nog is omdat ze verdwijnt en wij

omdat we onszelf op het spoor onszelf in het oog krijgen,

als bezetenen een andere richting uit rennend - krijtwitte

over het water rennende basilisken, maar

 

elke voetafdruk spoelt weg

er drijven dingen voorbij

en lichamen met plastic repen en takken

en auto's

en

 

zie ons op de muren kruipen - hoe lag zal het duren

voor we dit kruipende sijpelende hijgende zwijgende

hurken ons huis zullen noemen?

 

We kijken van de daken in het wassende water, waarin

nauwelijks enkele seconden in het kolken

een ziedend oog ons, eindelijk iets enkel seconden

ons aankijkt.

Planten

 Franz Kafka wilde geen snijbloemen aan zijn laatste ziekbed. 'Waarom niet?' 'Ze zijn stervende,' zei hij. Daar kon hij slecht tegen.

 Waarom liggen er altijd zo veel bloemen bij het Indische monument aan de Haagse Waterpartij? Een hardnekkig gerucht wil dat de overtollige bosjes bloemen uit de Haagse ziekenhuizen daar door zorgzame vrouwen heen worden gebracht. Patiënt naar huis, bloemen achtergebleven. Toch zonde.

 Ik zeg dit omdat ik na m'n ziekte weer terug ben bij het verzorgen van de plandizie.

 De luispatiënten maken het onveranderd slecht. Op het balkon kwijnt de klimop voort.

 'Altijd ziek en nooit eens dood.'

 Er groeien nieuwe takjes, maar de blaadjes daaraan zijn uitzonderlijk klein. Alsof het bonsai planten zijn.

 Binnen verliest de naamloze kamerboom blad na blad. Ik heb besloten dit proces ten einde aan te zien. Ik heb de boom - een cadeau - nooit mooi gevon­den, hij is van het type dat je in duistere gangen van Gemeentehuizen vindt. Ze doen het overal, behalve bij mij. 

Tags: 

Eine Reise

 De magere rijtjes aanbevolen Duitse boeken die dezer dagen in de krant staan bevatten uitsluitend vertalingen. Goddank is Wolfgang Herrndorf er meestal bij. Maar W.G.Sebald niet. In de Duitse pers vond ik amper een woord over ons Boekenweekthema.

 Ik lees graag Duits. Grafiek is denk k de reden. Klankrijkdom, het voor-in-de-mond. Mijn leerboek van school ‑ Verdenius, Verdenius en Schouten ‑ redde me vanmorgen. Leeslesjes als dit brachten me eens bij Thomas Manns Tod in Venedig:

'Der Vater und die Mutter wollen eine Reise machen. Den Sohn und die Tochter nehmen sie mit. Der Knabe heisst Karl, das Mädchen Mariechen. Die Kinder haben noch nie eine Reise gemacht.

'Haben wir nichts vergessen,' fragt die Mutter. 'Nein,' sagt der'Vater. 'Ich habe den Koffer und das Geld, Karl hat die Zeitung und Marchiechen hat den Fahrplan. Habt ihr die Fahrkarten? Ja? Dann ist alles fertig. Da kommt der Zug schon.'

 Sie steigen ein und finden noch einen Platz. Die Lokomotive pfeift und bald ist das Dorf nicht mehr zu sehen.'

 Onvergetelijk, die laatste zin. En dan nu, de naamvallen.

 En tot slot Kafka, bij wie ik tenslotte uitkwam, Gibs auf!:

 'Es war sehr früh am Morgen, die Straßen rein und leer, ich ging zum Bahnhof. Als ich eine Turmuhr mit meiner Uhr verglich, sah ich, daß es schon viel später war, als ich geglaubt hatte, ich mußte mich sehr beeilen, der Schrecken über diese Entdeckung ließ mich im Weg unsicher werden, ich kannte mich in dieser Stadt noch nicht sehr gut aus, glücklicherweise war ein Schutzmann in der Nähe, ich lief zu ihm und fragte ihn atemlos nach dem Weg. Er lächelte und sagte: »Von mir willst du den Weg erfahren?« »Ja«, sagte ich, »da ich ihn selbst nicht finden kann.« »Gibs auf, gibs auf«, sagte er und wandte sich mit einem großen Schwunge ab, so wie Leute, die mit ihrem Lachen allein sein wollen.'

 

Marthe Donas en Piet

 Toen ik 14 jaar oud het Parijse Musée d'Art Moderne uitliep en uitzag over de stad was ik gevangen door het kubisme. Dat je de werkelijkheid zo naar je hand kon zetten! Later kwam de twijfel. Zouden Georges Braque of Juan Gris weleens echt naar een gitaar gekeken hebben? Of schilderden ze elke ochtend weer klakkeloos hun zetstukken, en ontbijttafel?

 Ik speelde zelf gitaar en wist zeker dat Braque er nooit van z'n leven eentje in z'n vingers had gehad, anders dan om als zetstuk te verplaatsen. Hij schilderde de levenloze buitenkant van steeds het zelfde, almaar herordenend. Forse contouren, bewegingloze vlakken.

 En nu ontmoette ik de Antwerpse Marthe Donas die in Parijs kubiste werd. Maar zo anders. Donas, nu te zien in Gent werd door de Parijse avant-garde nauwelijks gepikt. Vooral door Piet Mondriaan niet. En ik begrijp precies waarom.

 Op een heel Belgische manier begaf zij zich in de verfijning van interieurs, het behang, vloeren, plinten, de details. Gebruikte anders dan hij levende materialen, stoffen, hout, gips. Je kunt het vrouwelijk noemen. Piet Mondriaan was daar geen liefhebber van, de ijzeren hein.

Bij Marthe werd het kubisme sensueel, van hoekig elegant, vol nuances. Geen stijlkleuren, o nee. Titels als Femme se poudrant, Femme marchant of Femme se coiffant. Vrouwen, lichamen en stillevens, in haar eigen kubisme.

Marthe komt uitvoerig aan bod in een portret in het curieuze liefhebbersblad Eigenbouwer. In een stuk van Peter J. H. Pauwels, haar Parijse doorbraak vooral, 1917-1920, toen ze met Archipenko werkte. 

Ik moet naar Gent, maar ik ben ziek. 

Autobahn

 Duitsland was lange tijd niet meer dan een versleten landkaart. Die ik uitlegde op de vloer, waarna ik er bovenop ging liggen. Mijn neus op de vreemde namen, die ik prevelend uitsprak. Van veel weet ik nog steeds niet meer dan dat. Na jaren kwam ik in Wiesbaden. Kaiserslautern bleef fantasie.

 Sleutel was de Autobahn, die stukje bij beetje door het land trok. Gokautomaten met drie wentelschijven en een Gewinnplan. S­igare­t­tenautomaten met HB. Het eerste flesje Sinal­co.

 Eerste spanning bracht de Europabrücke, een ellenlange, Baileybrug over de kolenhopen van het Ruhrgebiet. Nog jaren moest je van de Nederlandse grens naar de eerste aanslu­iting, Dinslaken, waar je nu voorbij zoeft. En hield het beton op bij Bruchsal. Het bleek veel later een kasteeltje in een park. Dinslaken bleef een naam. Het merendeel van de namen langs de weg bleven namen. De Raststättes, de Tankstel­les met ARAL en UTA. Anders niets.

 En zo is het nog. Over dit Duitsland is vrij weinig geschreven. Behalve bijvoorbeeld door Wolfgang Herrndorf in zijn laatste, onvergetelijke roman Bilder deiner grossen LIebe over Isa. Het minderjarige meisje dat de benen neemt uit een inrichting en Duits­land doorzwerft. Zo leer je een land kennen.

 Iets anders dan het zelfgenoegzame 'Was ich noch zu sagen hätte.' De enige Duitse regel die men hier nog kent. Lees Daniel Kehlmann, lees Herrndorf. In het Duits. Er ligt daar een ander land, waar ze een andere taal spreken. Of zoals Keulse vriendje Herribert spotte als ik weer iets had miszegd: 'Jaja, wollen sie noch ein stückchen Kipf?'

Na Therèse Cornips

 Therèse Cornips (1926-2016) is gestorven, ze gaf een generatie Proust te lezen. Want Frans kenden we nauwelijks. Deel na deel ging rond. Willem Brakman duwde me met m'n neus erop.

 Ik ging naar Cabourg, bij Proust het mythische Balbec en schreef Willem deze kaart. En vanuit Commercy noge­ens over de Madelein­e. De toevallig doorbre­ken­de herinnering, een kortsluiting tussen toen en nu.

 In Op zoek naar de verloren tijd zitten een stuk of tien van die momenten: het struikelen over de ronde keien op de binnenplaats van de Guermantes, de schimmelige lucht in een urinoir op de Champs Elyssees, de drie kerktorens bij Martinville en natuurlijk, het dopen van de Madele­ine in een kopje thee. Bijzaken die openbaringen worden.

 Moeilijk er het juiste woord voor te bedenken, schrijft Willem, maar ik heb een voorkeur voor het woord epifanie. Openbaringen zijn het. Voortkomend uit een willekeurige herinnering.

 Je moet maar durven, denk ik, zo'n grote aan­dacht vragen voor een zomerse logeer­partij van vroeger op het land, waarbij hij de gebruikelijke nachtzoen van zijn moeder door een late bezoeker is misgelopen en daar zo'n tachtig pagina's voor nodig heeft, of beter gezegd, zijn hele werk. Maar uit deze epifanie is alles ontstaan; de oorsprong van het plan zijn leven tot een kunstwerk te maken door het zich te herinneren, de samenhang ervan, de zin, de kiemcel van waaruit zich alles ontwikkelde.

 Dat is wat Proustiaan Willem Brakman me leerde.

Trümmer

 'Kennst du den?' vroeg Herribert, met grote ogen, bedoeld om angst aan te jagen. Hij was het zoontje van de leraar Duits in Keulen waar ons gezin vaak logeerde. Hij hield de helft van zijn zwarte zakkammetje onder zijn neus. We speelden in de achtertuin aan de Klettenberggürtel. Een luxe, ongeschonden allee. Gierend van de pret verdween hij.

 Verderop was het anders. De trams reden. Naar het station, dat wel. Maar mijn Duitsland was het Duitsland van de Trümmer. Puinhopen, houten hutten midden in de stad, bidonvilles, met modderige paadjes. Slatuintjes ertussen. Voor een jongen machtig interessant.

 Er waren twee mogelijkheden ofwel, iets was kapot of ganz nett wieder aufgebaut. Nog kan ik niet door Duitsland rijden zonder die blik. Resten van vreemde, Wilhelminische stati­ons en postkan­toren. Waarvan alleen de onderlaag gespaard bleef. Wat de vuurstormen van de geallieerde strafbombardementen van Bomber Harris overlieten. In Hannover zag ik zo'n onderbouw waar stoom­lo­komotieven doorheen tuften door stations van triplex en hardboard, krom­getrokken van het vocht.

 W.G.Sebald heeft de Duitse schrijvers verweten dat ze de vuu­rst­o­rmen onbeschreven lieten. Duitsers wilden de gruwelen niet weer oproepen, zegt Sebald in zijn 'Luftkrieg und Literatur'.

 Maar de Zweedse schrijver en journalist Stig Dagerman maakte het goed in z'n onvergetelijke reportage 'Duitse herfst'. Hij was er in de jaren '40.

 Dat boekje heruitgeven, dat zou nog eens wat wat zijn in een Boekenweek op het thema Duitsland.

 Niemand leert meer Duits op school, terwijl Duitsland onze belangrijkste partner is, niet alleen in de handel.  We zijn een eenkennig landje geworden. 

De Twijfel

 Je hoeft je in Nederland niet af te vragen waar god gebleven is. Hij mag weg zijn uit Jorwerd, maar op tv bijvoorbeeld zet Tijs van Den Brink zijn zuigerige gesprekken met ex- of  nog half gelovigen eindeloos voort, terwijl een gipsen god toekijkt. Adieu? De Twijfel leeft!

 Ook Bodar is een niet weg te rammen spook. Ik heb koorts en dan neemt de weerstand af. En zo kwam mijn sollicitatiegesprek met het Hoofd van de Vrijzinnig Chris­telijke Radio Omroep naar boven. Ik was tweeëntwintig. We zaten in de bestuurskamer met de ovalen tafel.

 Ik stond al bij de deur toen het hoofd vroeg: 'O ja, nog iets, heb je een geloof?' Ik stopte in de deuropening.

 'Oh, dat weet ik eigenlijk niet, zei ik naar waarheid'.

 Hij keek me blij verrast aan.

 'Ah,' zei hij, 'Je twijfelt.'

 Wat ik niet wist was dat de twijfel in de Vrijzinnig Protesta­ntse leer het hoogste goed was. Het kenmerk van het ware. Niet lang daarna woonde ik een congres bij in de Utrechtse Jaarbeu­rs, waar veel vrijzinnige dominees het woord voerden over vooral de twijfel.

 Eigenlijk was Gerard Reve ook Vrijzinnig, zei ik hem eens. Maar daar wou hij niet van weten.

 Aan het eind van dat congres sprak de voorzitter veelvuldig over de twijfel. Mijn vriend Peter Flik, die naast me zat kreeg het benauwd. Hij wou weg. Samen gingen we naar de telefooncentrale, waar ook de geluidsinstallatie bediend werd. Hij smoesde met de telefoniste. En even later klonk haar ernstige stem door de volle jaarbeurszaal: 'Telefoon voor de heer Twijfel'.

 Niet lang daarna was de VPRO geseculariseerd. 

Tags: 

Vaderstudies

 Terwijl ik 'As in tas' van Jelle Brandt Corstius' lees over de zij­ne beent mijn vader er dwars doorheen. Er bestaan zo weinig vaders­tudies buiten het verplichte sentimentele genre, Jelle komt op een gezegende manier, met vaders hulp, voorbij alle valkuilen.

 I love you dad, I love you too son is het gebod van nu. De vader van Jelle was ongrijpbaar voor zijn kinderen. Wat je leest is hoe zijn zoon desondanks, of juist daarom van hem gaat houden.

 En dan moet de zoon de as van zo'n man die sentimenten onzin vond en liefst bij het grofvuil gezet wilde worden, per fiets gaan bezorgen in de Middellandse Zee bij Saintes-Marie-de-la-Mer.

 'Mijn vader zou het volstrekt bespottelijk gevonden hebben om in een purperen zakje met mij op reis te gaan. 'Stop mij maar in een vuilniszak,’ zei hij altijd, als we hem vroegen wat we met hem moesten doen na zijn dood. Dat hij het niet erg vond om in een vuilniszak te zitten begreep ik wel. Maar wat zouden wij er van vinden vroeg ik hem soms. Vond hij het niet erg dat zijn drie kinderen het daar moeilijker mee zouden hebben, onze vader in een Komozak die waarschijnlijk nog te klein was en ongetwijfeld zou scheuren?’

 Een fietstocht dus. Nu hadden Jelle en zijn vader samen vaak korte fietstochten gemaakt.

 Zelf heb ik nooit met mijn vader gefietst. Hij hield niet van kinderen, van fietsen nog minder. En aan mij had hij een hekel.

 Jelle en zijn vader laten zien wat zin en onzin, aanstellerij en valsheid is in de vader-zoon verhalen van nu.

 Aan het eind hou je tegen al zijn regels in van Hugo Brandt Corstius.

De onbekende Marthe Donas

 Het Vlaamse tv-nieuws van zeven uur - beter, ook internationaal dan het onze van acht - bracht de Gentse ex­positie van schilderes Marthe Donas uit Antwerpen(1885-1967). Een ontdekking voor mij. Ze was er vlug bij in Parijs. Maakte in 1917 haar eerste kubistische en abstracte schil­derijen. Had een korte relatie met Archipenko die haar daarna in de vergetelheid liet vallen, vertelde Martine Tanghe fijntjes.

 Maar wat een doeken daar in Gent! Donas gebruikte het kubisme op een heel eigen manier. Met fijne kwaststre­ken. Zodat ze binnen die vormopvatting kon blijven schilderen. Ook gebruikt ze typisch Belgische interieurelementen als stukjes tegelvloeren. Meesterlijke kapsels ook!

 In december 1918 huurde ze een atelier in Parijs dat later werd overgenomen door Piet Mondriaan. Zij bracht daar ook Mondr­iaans eerste tentoonstellingen tot stand. In 1919 werden vele artikelen aan haar gewijd in het tijdschrift De Stijl.

 Ik moet snel naar Gent. En ook naar Ittre. Nog steeds is haar laatste woonhuis in Ittre een museumpje. Ittre, aan de zuidpunt van de Brusselse ring waar de snelweg plots eindigt in een karrespoor.   

 

Pagina's