Peter Popster

 Het sneeuwt in Amsterdam en ik denk aan Peter Popster. Hij wil niet meer zo heten, hoewel er in Amsterdam nog mensen rondlopen die fronsen als je die naam noemt. Ik zocht een zanger, we zochten allemaal een zanger. Begon je een bandje dan kwam je vroeg of laat bij het zangprobleem terecht. 'Zware shag roken', technische probeersels. Niets hielp. Hollandse jongens laten klinken als Little Richard lukt niet

 En dus repeteerde je met geniale gitaristen. Virtuoze keyboards mannen, funky bassisten en slagwerkers. Maar zonder zan­gstem. Koortje erachter dan maar.

 Tot ik rond 1970 van Peter Popster hoorde. Hij stond dagelijks voor zijn brood in de galerij van de stadsschouwburg. Ik ging erheen, het sneeuwde. En hoorde hem van ver al heel het rock'­n r­oll repertoi­re zin­gen. Van Long tall Sally tot Tutti Frutti. Loeihard, en nog zuiver ook. Met alleen een slaggitaartje bij hem. Ik gooide geld in z'n hoed en hoorde dat hij een Austral­ische em­igranten­zoon was die naar het land van zijn ouders was terug­gekeerd. In Australië was hij de double van Jesus Christ Super Star geweest.

 Hij wilde maar een ding een wereldberoemde popster worden. En dat droeg hij uit. Daarom heette hij al vlug Peter Popster. BIjna elke dag kwam hij bij me langs met wat hij dacht dat een geheide tophit was: 'Wim this is a hit!

 Zanger bij onze band? De jongens werden gek van hem.

 Hij woont weer in Australië, speelt op cruises en heet geen Peter Popster meer.

 Soms stuurt ie me een opname.

Werkster

 Zoals leven huishouden is brengt griep poëzie.

Erik Menkveld (1959-2014) kwam uit Eindhoven.

En schreef deze onvergetelijke kerkwerkster.

 De beuken waren al klaar.

Ik moest alleen nog zuigen

onder het hoogaltaar. Komt hij

binnen in vol ornaat:

kaarsje branden, prima

maar niet tijdens het werk.

altijd vriendelijk hoor.

Goed kerkvoogd ook.

Volgens mijn buurvrouw

al zo goed als zalig.

Maar voor wie zo gaat doen

ben ik een kwaaie.

De heilige vraagt soms

meer van mensen

dan alleen zijn nis

een beetje schoon te maken.

Nou doe ik niets meer daar.

Kíjken wat er dan gebeurt.

In vuile kathedralen is het

zo gedaan met het geloof.

Zit hij met zijn gewaden.

Tags: 

Griep

 Wanneer de griep het huis betrad werd alles enkele graden warmer. Er kwam een geur.  Ik zweette bij vlagen, dan weer had ik het rillerig koud. De hand op het voorhoofd deed zijn intree. Er was een glazen ther­mometer die kon breken.

 En daarmee het probleem van waar. Tante Addy meende dat niets ging boven in het achterwerk. Angstogen bij de kinderen. Het eindigde met onder de oksel of de tong.

 Eerst het 'afslaan'. In diepe ernst. De vraag bij dit alles was en bleef 'is het nu werkelijk griep of een gewone verkoudheid? 'En hoe de twee te onderscheiden.

 Een antwoord heb ik nooit gehoord.

 En zo werd ik in bed gestopt. Werkelijke koorts bracht dromen, doorzweet. ijskoud  bed­degoed. En moederwoorden: verhoging, het trekt bij, onder de wol, stevig instoppen. Maar de verhitte koortsen en visioenen van vroeger waar ik op gehoopt had bleven uit: 'Ou sont les fièvres d'antan?'

 Nu ben ik al dagen geveld. Heb 'ermee doorgelopen', anderen besmet wieweet. En de gebeden komen. Een dag koorts­vrij in bed.'

 Iets beter nu. De televisie vertoont vluchtelingen en Ame­rikaa­nse politici. Mijn moeder neemt m'n voorhoofd af met 'n wash­and­je. 

Kafka en Supertuesday

 Ik zie de 16-jarige Karl Rosssman zijn ogen uitkijken van vierentwintighoog in mijn lievelingsroman 'Amerika' (1911-1914), op het balkon van het flatje waar hij met reisgenoten Delamarche, Robinson en de zeer dikke Griselda is ingetrokken. Ergens in het ontzagwekkende Amerika. Het moet kort na 1900 zijn. Ze staren naar beneden waar de verkiezingsstoeten voorbij gaan, met orkesten, spandoeken, artiesten. Het publiek langs de route is opgetogen.

 Kafka was nooit in Amerika. Maar las wat hij te pakken kon krijgen over Amerika, voerde eindeloze gesprekken met mensen die er geweest ­waren.

 Voor hem het ware Beloofde Land, eerder dan Palestina. Wat wilde hij ermee? Ik vermoed dat het gedweep met Palestina in zijn kring hem de strot uit kwam. Amerika was voor hem het ware dromenland. Deze fantastische roman was zijn antwoord.

 Slaapzalen vol liftboys in het grootste hotel ter wereld. Het uitzinnige Reuzencircus!

 Het land van de onbegrensde mogelijkheden! Waar politiek en showbizz hand in hand gingen.

 Het onvoltooide verhaal breidt zich uit naarmate Karl Rossmann verder in Amerika doordringt. Zijn Amerika wordt met elke stap groter

 En nu? Morgen? Ik vermoed dat Kafka de onbegrensde Donald Trump gewel­dig had gevonden. Het Trump-karakter past perfect in Kafka’s Amerika.

Tags: 

Straatnamen, ooms en tantes

 Waar straatnamen zijn, zijn ooms en tantes. We hadden het er zondag in de tram over. Hoe een levenslang gebruikte straatnaam z'n eigen leven leidt. Voorbeeld was de Sportlaan, waarmee Muzen­straat begint. De nadruk verschuift. Pas nu besef ik dat de laan naast de tankgra­chten z'n naam dankt aan het houten Houtruststadion dat verdween. Onze tram reed zondag niet naar de Hoornbrug, en ging niet linksaf over de Geestbrug naar Oom Bob. Hoornbrug zegt 'Delft'. Voetballer en dichter Arjen Duinker schreef voor ons: ‘Lijn 1 voor een Delvenaar’:

 Haagweg, net na de Hoornburg:/ Kijk, daar wonen oom Wim en tante Luus,/ Ze hebben een kas met bijzondere orchideeën,/ Oom Wim rookt er aardig op los.

 Verderop zeggen: de Wenckebachstraat,/ Daar ben ik laatst met Heleen nog geweest/ Bij Edith en Chris die flauwe grappen maakte.

 Van Musschenbroekstraat: Tjeerd is jarig,/ In de Oldsmobile van zijn vader naar de Cineac,/ Op de terugweg aangereden, hoek Rijswijkseweg.

 Het Zieken: uitstappen en naar de Weteringkade/ Met Alfred, zijn ouderlijk huis, hij is/ Fan van Reve en Mishima,/ Heeft Indonesisch gestudeerd.

 Bierkade: Piet Hein komt met de boot uit Delft/ En gaat van boord waar ik soms/ Het nodige drink met Kees, Euf en Emjee.

 Buitenhof: een paar haringen, kroket bij Dungelman,/ Colaatje op de Plaats, kleren/ kopen met mijn moeder/ Bij de Bijenkorf, Schröder of de Bonnetterie,/ Boeken kijken op het Noordeinde,/ Door naar Meermanno.

 Bij voetbalclubs als ESDO, Maasstraat,/ Cromvliet, Quick, Laakkwartier, GDS, ADO, / Texas, VUC,/ Archipel, ODB, DEVJO, DUNO, GONA, Marathon/ Of HVV geraak ik zonder lijn 1.

Tags: 

Eenzame dode in Den Haag

 Hier toch het gedicht van Kees 't Hart waar we vanmiddag in de tram niet aan toekwamen.

 Als jongen las ik nooit gedichten voor een dode/ De dood was iets waar anderen wat in zagen/ Maar niks voor mij, ik hield niet erg van klagen/ De eerste dode was mijn opa van mijn vaderskant

 Daarna kwam toch ‘Kinderlijk’ van Vondel/ Dat mijn leraar Nederlands ontroerend vond/ Ik vond het raar: dat lachen met een lodderoog/ Ik leerde het uit mijn hoofd en droeg het voor

 Zo goed dat ik er zelf ook even om ging huilen,/ Maar dat was toen niemand het in de gaten had/ Ik ken het nog: ‘Moeder zeit hij waarom schreit gij?’/ Want boven was hij engeltje, die lieve schat.

 Nu heb ik dit gedicht alleen voor u geschreven/ Man, glazenwasser, schoonmaker en metselaar/ In Den Haag, ik ben gisteren bij u langs gegaan/ En bij uw huis heb ik nog een tijdje stil gestaan

 Leven is een raadsel, wie dat bedacht is gek/ Het is een ding een woord een stem een flat/ Waar stilte in de zomer tussen vogels zoemt/ En dinsdagavond de vuilnis buiten wordt gezet

 

Tags: 

Hoe Haags is het?

 Zoute wind, zand tussen je kiezen, maar dichter bij het Haagse kom ik met de buurvrouw. Die in Den Haag geboren was maar heel haar leven niet de zee had gezien, terwijl we daar toch vlakbij woonden. 'Ik heb daar niks te zoeken'.

 Ze treedt op in Muzenstraat en andere Haagse verhalen. Met meer korte, verstijfde regels zoals die van mijn grootmoeder: 'Het is de moeite niet meer.'

 Kortaffe zinnetjes waarmee heel een bestaan werd afgedaan. Een meisje werd neergezet als: 'Ook niet moeders mooiste.'

 Zinnetjes die een leven lang werden meegedragen.

 'Waar doen ze het van?'

 Er zit een peilloze berusting in. Een groot nu eenmaal.

 En het is niet om te lachen. De enige troost kwam soms van 'Zo goed als nieuw.'

 Ik blijk ermee vergroeid te zijn.

 Vluchten hielp niet. Het eerste niet-Haagse dat ik in Amsterdam onderging was een melkboer die een volle baard droeg en grapjes maakte. Het beviel me meteen al niet.

 Morgen rijdt een Haagse tram naar zee. Met Hagenaars en een Haags boekje. In de tekeningen van Marcel van Eeden en de verhalen rijden Haagse trams rond.

Vormgeefster Els Kort heeft de tien verhalen grafisch een route laten afleggen als ooit de interlokale tram naar Delft. 

Uitzicht

 De zieke schilder lag aan infusen en beademing. Zijn uitzicht was beperkt. We zaten driehoog, een rommelig stuk stad strekte zich uit. Hij zei dat hij probeerde deze ongevraagde raamuitsnede terug te brengen tot twee dimensies.

 Hij beschreef, ik noteerde: 'Het is flets en flauw, maar in gedachten projecteer ik alles in een vlak. Plotseling wordt het dan soms boeiend.'

 Daar lag hij, opgescheept met een uitzicht.

 'En over alles hangt de doem dat de televisie wordt afgezet,' zei hij. 'Een ziekenhuis reduceert iemand tot nul. De wereld wordt klein, bekeken vanuit een bed. Je merkt het aan het bloembeleid. Een enkel bosje, zoals dat van jou is best, niet die oerwouden waaronder wij zieken bedolven worden. Die verwijzen onverbiddelijk naar het graf. Je gaat denken: die overleven me nog. En altijd zijn er vazen tekort.'

 'Misschien in het keukentje,' opperde ik. 'Ja, op een onderste plank onder een gootsteen staan nog wat augurkenpotten.'

 Er bleek een vrijwilligster te zijn, die over alle bloemen in dat ziekenhuis ging. Zij besliste als een vorstin of ruikers 'weg' moesten omdat ze stonken of nog een dag meekonden. Met haar was de zieke in conflict geraakt om het miniboeket dat een vriendin voor hem had meegebracht.

 Die vriendin was, zoals veel vrouwen, gewend af en toe drie geplukte madelieven in een borrelglaasje te zetten. En zo'n glaa­sje had ze meegebracht. Maar toen de madelieven gingen hangen wilde de bloembazin ze wegdoen.

 'Mevrouw,' had hij toen met verheffing van stem gezegd, 'ik vind, het verdorren en uitvallen van bloemen oneindig veel mooier dan de bloei.'

Compost

 In het compostcirculatieplan van Anton Valens ontpopt de hoofdfiguur zich als tuinder. Onwillekeurig denk je aan de tuin van Voltaire, en zoals dat bij Anton Valens gaat wordt het verhaal overwoekerd met wildgroei van allerlei soort.

 En zo wordt het verslag van de aanleg van een moestuin tegelijk een roman over verlies, dood en leven. Je denkt soms aan de Schotse jaren van George Orwell.

 In het compostcirculatieplan maak je zo kennis met Jens de Jong, de gestorven 'literaire butler' van schrijver Peter Vervest. En met de zieke vriendin van Vervest. 

 Terwijl Peter twee kuub aarde in Jens' volkst­uin verplaatst, bollen plant, beschoeiingen aanlegt en de woelrat bestrijdt, herinnert hij zich hoe Jens schrapte en snoeide in zijn tekst. Tuinieren is een hard bedrijf.

 'Een mentale scheerpartij zonder scheerzeep'.

 Ze worden vrienden. En de tuin is wat ze bindt. En binnen de tuin vooral de behandeling van compost. Waarover je heel verschillende opvattingen kunt hebben.

De overwegingen van Anton Valens.

 Vaak gaat het in de boeken van Anton Valens om vernuftige bedenksels waarmee zijn eigen leven maar zeker ook de wereld als geheel beslist beter af zou zijn.

 Problemen zijn er om te worden opgelost. Zoals in 'Meester van de hygiëne', waarin hij de thuiszorg tot zijn domein maakte . Is een probleem eenmaal onderkend dan weet Anton Valens er wat op. Ook zijn 'compost circulatie plan' maakt in dit boek een weloverwogen indru­k. Maar dat geldt voor al Valens' plannen. Zo bevatte 'Het boek ont' een oplossing voor het postprobleem. Je herkent onmid­dellijk de last en moeite die elke bestelde envelop bij de ontvanger in huis brengt. Logisch daar een systeem, een praatgroep voor te scheppen.

 En zo biedt het compostcirculatieplan meteen al een veran­twoorde oplossing voor het compostprobleem. Als je er tenminste een probleem in ziet. Maar daar zijn de figuren van Valens meesters in.

 Je herkent menige wijdlopige spreker op avondjes. Natuurlijk kun je dit oplossen, als je maar. Tenzij je het probleem niet wilt zien natuurlijk. Maar nu:

 Hier is de hoofdfiguur zelf het probleem. Hij ziet in dat het alleen maar opgelost kan worden door zichzelf van het leven te beroven. Maar hoe doet een Valens-figuur dat?

 'Met een vleesmes van de Blokker, dat botter bleek dan bij aankoop was beloofd, begon ik te krassen, toen ik weer door twijfel werd besprongen. Vluchtig overwoog ik de voors en tegens. Voorheen had ik nooit in een leven na de dood geloofd, maar nu werd ik een innig gevoel van hemel en hel gewaar. Als ik deze gruweldaad doorzet, kom ik voorzeker in de hel dacht ik, of mijn zogenaamde ziel zal nimmermeer rust vinden en eeuwig gekweld ronddolen, of lijden aan extra nare nachtmerries.'

 En dan staat er 'plotseling moest ik plassen. Je zou zeggen als je zo bezig bent kun je het net zo goed laten lopen (...).

Zover kwam ik. Denkend aan menselijke compost. Hoe moet dit verder? Later meer

Pagina's