Chileens water

 De zeeën langs de grens van Chili bewaren ge­heimen. Zoals dat van de paarlmoeren knoop die op de zeebodem werd gevon­den en waar de film naar genoemd is. Hij werd terug­gevonden op een stuk trein­rails dat aan een dis­sident was bevestigd om hem snel te laten zinken.

 Chili heeft meer dan 4000 kilometer kust, je moet het land in drieën snijden om het op kaar­ten te kunnen weergeven. Toch werd het nooit een zeevarende natie. Een naar binnen gekeerd land. De zee werd hooguit begraafpl­aats voor dissidenten die de junta uit vlieg­tuigen liet goo­ien.

 Zee, veel zee. Maar dan? Natuurfilms kennen een paar clichéverhalen waaraan natuurfilmers hun al te mooie beelden steeds weer ophangen. Vooral het eten en gegeten wor­den. Daar grijpt de leeuw de gnoe. Zoniet hier.

 De zee zwijgt. Is getuige.

 Documentairemaker Patricio Guzmann – die niet kan zwemmen en bang is voor water - maakte een overtuigend verhaal. Waarin de inheemse Patagonis­che Indianenbevolking van eens - buitengewoon mooie mensen! - wordt uitgeroeid en ook de eerste Engelse zeelie­den en de politieke gevan­genen uit de Pinochet-tijd hun graf krijgen.

 Maar door men­sen bedreven gruw­elen zijn niet geheim als niemand zich ervoor schaamt.

 En zo zijn er verhalen aan zee. 

De ingrepen van Frank Halmans

 Frank Halmans zette op Facebook drie foto's van nieuw werk, met als enig bijschrift: 'Nieuw boekwerk, een vervallen huis.' Eerder was er al een verkoold huis en maakte hij stapeltjes boeken bewoonbaar.

 Van mijn slogan 'Een huis is een mens is een huis' - of omgekeerd - is het maar een stap naar 'Een boek is een mens is een boek'.

 De lichamelijkheid van huizen en boeken. Hun verval.

 Het verval van mensen zie ik alle dagen.

 Boeken worden door Frank chirurgisch behandeld. Hij grijpt in - dat is onvermijdelijk - niet alleen in het voorwerp boek, ook in de tekst. Onvermijdelijk steekt hier of daar een woord, een regel de kop op, op een heel andere manier dan de schrijver ooit bedoelde.

 Frank Halmans is een lezend kunstenaar - we delen Willem Brakman - zoals ook Marcel van Eeden. En dan wordt een boek, dan wordt lezen onder lamplicht een ingrijpende bezigheid. Met gevolgen.

 Boeken overleven mensen. Op het Waterlooplein tref ik soms een stapel drukwerk die de stoffelijke rest moet zijn van een mensenleven. Wie dit las is dood. En dan sta ik te reconstrueren. Wie las eens Anja Meulenbelt, de Naked Ape, Ton Regtien, het Kinsey Report, McLuhan, Jung, Laing, Foudraine?

 Lawaai. Achter mij is de hele benedenverdieping van een vervallen huis in behan­deling. Kaalgestript tot op de muren. Geen restje behang. Vloeren eruit, er is een diep gat gegraven. De kelder van een nu nog onleesbaar interieur. 

Janis Joplin in Krasnapolsky

 Ik aarzel de film Little girl blue te gaan zien zoals bij veel uit die tijd. De oorspronkelijke indruk­ken raken dan overs­poeld. Ik laat ze liever zoals ze nu in m'n kop zitten.

 Het moet de middag van 1 april 1969 geweest zijn. Een menigte showbizz journalisten had zich verzameld in Krasnapolsky, een grote zaal met een podium waarop een tafel met wat microfoons. Het wachten was op Janis Joplin, toen al zo beroemd dat alle bladen iemand hadden gestuurd.

 Het wachten duurde en duurde. Tot Co, de jongen van CBS-Neder­land die ik wel kende me aanschoot en vroeg 'Misschien kun je even meekomen, ze voelt zich niet zo goed'. Ik had vaker bemiddeld tussen muzikanten en instanties. Janis was net zo oud als ik.

 Co nam me mee naar een kleedkamertje achterin, streng bewaakt. Lieneke van Schaardenburg van de VARA was er ook. En daar zat ze. Ze droeg de blauwe satijnen broek die ik van foto's kende. Achter een waterglas gin. Ik ging bij haar zitten.

 'Ik durf niet,' zei ze. Net al ik had ze de zaal met journalistenvolk waargenomen.

 Ik kon het me goed vorstellen, dat zei ik ook. En begon gewoon maar te kwebbelen over ditjes en datjes. Over haar nieuwe soulband met blazers, onder leiding van Dave San­born. Eindelijk blazers om tegenin te zingen. Vroeg bijvoorbeeld of ze ook dat stuk in de Rolling Stone had gelezen over groupi­es, een nieuw fenomeen. En of ze al last had gehad van mannelijke groupies. Waarop ze giechelde en zei 'I wouldn't mind if you came around'.

 En zo door, Lieneke en ik kregen nog een paar woorden op de band ook. En dat was het. Geen persconferentie.

 Die avond stond ze in het Concertgebouw, met de band, in nog steeds dezelfde blauw satijnen broek. En gaf een schitterend concert dat ik opnam en uitzond voor de VPRO. Vraag maar niet hoe ze zichzelf zo vlug had kunnen opkrik­ken.

 Er is bij CBS nooit een officiële plaat van verschenen. Ze hebben er zover ik weet zelfs nooit naar gevraagd. Nu staat het materiaal wel op Youtube. Tenminste wat we overhielden na het inregelen.

 Een klein jaar later was ze dood.

Tags: 

Aukje Koks in GEM

 Waartoe zouden kleren, parafernalia, al de kleinigheden die we met ons mee sjouwen, anders dienen dan om ons te verbergen? Dat was de vraag waarmee ik uit 'Ways of being' kwam, de grote tentoonstelling van Aukje Koks in het Haagse GEM.

 Het omgekeerde van de nieuwe kleren van de keizer. De keizer is verdwenen, van zijn kleren resten nog slechts afschaduwingen. Ik leerde de thema's en rekwisieten van het Theater Aukje Koks de laatste jaren een beetje kennen. Niet eenvoudig bij zo'n doortrapte illusioniste. Van haar rekwisieten weet je nooit hoe echt ze zijn. Er is veel trompe l'oeil. En ze zijn ook verder heel bedrieglijk.

 De at­tributen zijn vooral die van man, vrouw en geld. De man vaak teruggebracht tot een kleerhanger, de resten van een overhemd, en zonnebril. De vrouw soms niet meer dan een passement met rijen totaal verschillende knopen.

 Met deze aan- of afwezigheden van personages maak je geleidelijk kennis. Er zijn ritmische vermenigvuldigingen van zonnebrillen, serpentines, hemdsmouwen.

 Ook het medium blijft daarbij consequent onzeker. Een kader kan een gouden lintje zijn, in stof of verf. De luxaflex (Undertones, 2011) en de handschoen net zo goed geschilderd als echt.

 Een afbeelding is nooit zomaar een afbeelding op papier of doek. Hij kan uitgeknipt en opgeplakt zijn, echt of in schijn.

 De illusioniste laat zich bij vleugjes kennen in heel geestige titels als: Can I take your coat? A serious thought (2011, voor de paraplu in de donderbui), of Public property (voor het rudimentaire overhemd).

 Letters zijn er ook, steeds in touwschrift. Het touw hoort tot de vaste attributen van Aukje Koks. Hoort sinds jaar en dag tot haar vaste raadselbagage.

Tags: 

PCC

 De wanhopige precisie waarmee tram- en treinliefhebbers proberen de verloren tijd vast te pakken - alles moet kloppen, lettering, accessoires, bordjes - die zag ik vanmiddag in het Haagse trammuseum.. Het mooiste van ons land. Alles in de lak.. En het werkte, ons gezelschapje ontstak in euforie. De PCC 1022 zal rij­den. Eerste serie.

 Omdat ook in Muzenstraat en andere Haagse verhalen droomtrams rijden zal dat boek van Marcel van Eeden en mij worden aangeboden in een rijdende PCC. Aan Wim de Bie, mijn buurjongen van eens, die net als ik rond 1950 op het Savornin Lohmanplein heeft staan uitkijken naar de nieuwe Amerikaanse trams. Ontstaan uit Roosevelts New Deal als product van de Presidents' Conference Committee.

 Nu klommen we de treeplank op, weer. En wezen elkaar waar het om ging. Zie je, die bovenraampjes, Amerikaans! Als je daardoor naar Den Haag keek zag je de toekomst. En zo zaten we in de 1022, die we hadden zien komen in 1952. 

 De oorspronkelijke vering van de PCC - ik voel hem nog ‑ was ongehoord. Die van een Amerikaanse slee, een Pontiac of Cadillac. Je zweefde over de rails. Heel den Haag werd dan ook meteen misselijk en de vering moest worden vervangen.

 Wat trams en treinen met ons doen blijft onopgehelderd. In Muzenstraat doen Marcel en ik allebei pogingen onze vingers erop te leggen.

 Zo was mijn broer lid van een gezelschap dat eenmaal per jaar naar het stoomlocomotieven-depot in Kleef reisde toen zoiets er in Nederland niet meer was. Wat daar gebeurde was diep ontroerend. Ik zag er reeksen identieke foto's van. Mannen die even de pet van de Duitse machinist op mochten om daarmee op de treeplank van de stoomlocomotief te poseren. Dat duurde heel de middag.

 Aan de Parallelweg in Den Haag staat in de museumhal een pop met een HTM‑jas aan en een HTM‑pet op. Ik begreep meteen wat er gaat gebeuren als het museum straks in april weer open gaat.

 Voor die tijd zullen Wim en ik met onze gasten in de 1022 naar zee rijden, met het boek, naar de keerlus van lijn 11 en verder. Stuifzand tussen onze tanden. 

Tags: 

De omstandigheden van Frank Keizer

 De eerste dichtbundel van Frank Keizer heet Onder normale omstan­digheden. Geen normale titel. De beschreven omstandigheden zijn niet normaal. Of juist wel. Maar het woord omstandigheden is in de dichtkunst ook ver van normaal.

 Het woord omstandigheden wordt dagelijks door velen gebruikt, vooral om zo weinig mogelijk te zeggen. 'Wegens omstandigheden..'. Ik nami het eens per ongeluk in de mond tegen Cherry Duyns. Die meteen zijn Herenleed‑intonatie inzette toen hij antwoordde: 'Ah.. de omstandigheden.'

 Frank Keizer slaagt erin heel zijn bundel al met de titel op losse schroeven te zetten. De lezer komt terecht in een schijnwereld. Die begint met het hoofdstukje Mijn eigen problemen. Waaruit:

 'schrijven, heel simpel/ gezegd, is het overbrengen van informatie/ en dan bedoel ik niet het voorverpakte/ product, maar het gestommel/ van lichamen die zich de taal in denken/ zodat ze het leven/ anders gaan leven/ confrontatie dus en geen consensus,/ dit zijn de tegenstellingen/ die het bestaan rommelig maken/ en finaal/ want geschiedenis/ krijgt toch wel vat op je/ maar dit maakt niets uit/ ook al is mijn singulariteit me nog zo dierbaar/ ik weet ook welke engel/ me zal vinden om me toe te zingen/ in een deuntje voor de massa die niet meer bestaat/ nooit ben je soeverein geweest'

  Je leert zijn taal lezen, de taal van wat je niet begrijpt. En hij ook niet, omdat het onmogelijk is. De taal van de omstandigheden.  

Tags: 

De eetziekte

 Ettore Scola is gestorven en daarmee zijn beroemde trattoria 'Mezza Porzione' waar de arme vrienden uit C'eravamo tanto amati hun halve porties kregen. Maar de wereld van de halve porties is verdwenen.

 Koken, mijn moeder kon er niks van, hoewel ze de zeven jaren van haar verlo­ving vele schriften had volgeschreven met recepten.

 Nog hoor ik de wanhoop in haar stem als ze zei 'zal ik het terugdoen', wanneer mijn vader, in huis het begin en eind van alles, had gezegd dat het vlees niet gaar was.

 'Laat maar,' verzuchtte hij dan.

 De eerste keer dat ik bij een vriendje at, wiens moeder een plakje ham over de witlof deed en er in de oven een korstje van paneermeel over deed ontstaan durfde ik daar thuis niet van vertellen. Te pijnlijk.

 Eten was een dagelijkse dure plicht waar je binnen een halfuur mee klaar kon zijn. Elke dag een bord pap, van griesmeel tot karnemelkse met stroop. Om niet te spreken van de soep uit pakjes. Spruitjes slikte ik in hun geheel door, als pillen.

 Hoe dat sindsdien zo heeft kunnen veranderen begrijp ik nog steeds niet. Direct na etenstijd beginnen koks op de televisie alweer te orakelen. Kranten staan vol kleurenfoto's van gerechten. Bij kranteninterviews krijg je zelfs het bonnetje van het restaurant. Wat men ook doet, een congres, een presentatie, een museumuitstapje, het eindigt met eten.

 Ik kan me niet onttrekken aan het idee dat al dat eten verdwijnt in een peilloos gat van onvrede, agressie en gemis. Er moet iets mee worden bevredigd, en dat lukt niet. Zodat er almaar meer in moet. Met de gevolgen vandien.

 Ik hou het op Gerard Reve die eten een vieze gewoonte vond, die het best achter een jute gordijn gedaan kon worden.

Codex Seraphinianus

 Op het internettijdschrift Samplekanon las ik dat de Codex Seraphinianus nu makkelijk te downloaden is. Een merkwaardig boek, alleen al omdat het - als eens de hieroglyfen - onleesbaar is. In 1981 gepubliceerd door de Italiaan Luigi Serafini, die nog leeft maar niks wil zeggen.

 De Codex is een soort Encyclopedie die in 360 pagina's een wereld beschrijft die lijkt op de onze, maar dan anders. In een denkbeeldige taal, met afbeeldingen van denkbeeldige wezens en voorwerpen. Handgeschreven en getekend.

 Zou het een satire zijn, zoals de nog steeds buitengewoon komische redevoeringen van Tuiavii, het Zuidzee-opperhoofd ze hield over de Westerse mens, de Papalagi, met hun 'zware denkziekte' (1920)? Tot bleek dat ze bedacht waren door de Duitser Erich Scheurmann die op Samoa woonde. Er bestaat ook een uitgave met tekeningen van Joost Swarte.

 Maar nee, Serafini balanceert op het scherp van de snee, tussen begrijpelijk en duister, tussen herkenbaar en raadselachtig, tussen surrealisme, ZAP-comix en Escher. Clichés uit de utopistische traditie komen voorbij, maar er zijn ook vondsten.

 En over dit al hangt het onuitroeibare waas van de hippie-tijd. Alles moest anders. Maar hoe? 

Tags: 

De andere wereld van Al Galidi

 Het boek dat ik nu lees tast me aan. De andere kant van de wereld zie ik alle dagen, in lange rijen, aan kusten, langs spoorlijnen, in Calais. Maar 'Hoe ik talent voor het leven kreeg' van Al Galidi grijpt me bij de strot.

 Wat hij beschrijft is bovenal de onontwarbare, torenhoge stapel achterdocht, misverstand en agressie die ontstaat wanneer mensen uit de ene cultuur - op de vlucht voor oorlog of armoe - voor de neuzen staan van ordebewaarders in een andere. Wat gaat er om in die al die hoofden?

 Al Galidi ontvluchtte het Irak van Sadam, woont sinds 1998 in Nederland en vroeg asiel aan. Al die tijd mocht hij niet werken, leerde zichzelf Nederlands en werd schrijver. En nu heeft hij na veel andere, succesrijke romans en dichtbundels het boek geschreven met zijn eigen ver­haal. Een uniek boek.

 Denk je in, je bent niet onintelligent, je ontvlucht je land in oorlog. Je treedt toe tot de gemeenschap van de 'sans-papi­ers'. Waar het jarenlang beter is niemand te zijn. Soms worden Nederlanders daar gekken en asielzoekers berustende, verstandige mensen.  

 Al Galidi beschrijft eindeloze ondervragingen, opsluitingen, verdachtmakingen. Maar bovenal de Babylonische spraak- en cultuurverwarring van de asielzoekerswereld. Wie zegt wat, wie bedoelt wat? En hoe houdt en dichter zich daarin staande? 

 Met een heel apart gevoel voor humor. Je krijgt Nederlandse functionarissen te zien als nooit, maar ook half krankzinnig geworden junk-vluchtelingen. Neem het incident op de kampeerboerderij van boer Bouma. De hoofdfiguur kan een wandeling maken door het bos erachter. Eindelijk rust, tot een medewandelaar met een hondje opdoemt die hem op hoge toon uitlegt dat het hier verboden is vuur te maken.

 Maar dat was hij helemaal niet van plan, zegt hij. Maar wordt niet verstaan. Waarna een enorme rel losbarst. Even later hangen overal in de boerderij bordjes in meerdere talen dat het streng verboden is vuur te maken in het bos.

 Onbegonnen werk uit te leggen dat hij geen vuur maakte en het ook niet van plan was. Hij staat van nu af bij de gemeente te boek als brandstichter. En dit is een onschuldig voorbeeld.

Tegels

 Nooit eerder een schilderij van stoeptegels gezien. Ik zal ervoor naar Emmen moeten, waar Jawik Krudde zijn 'Tegels lichten' te zien is in het Centrum Beeldende Kunst. Een raadselachtig schilderij. Worden hier nu tegels gelegd of gelicht?

 De titel moet ontleend zijn aan het klassieke boek van Henk Hofland. Waarvan de clou is dat aan het licht komt wat zich lange jaren verschool: pissebedden, ongerechtigheden. Maar de mieren van Krudde lijken niet onder de tegels gewoond te hebben, die er vrij nieuw uitzien. Wat blootkomt is ook niet vochtig. Zodat de titel nogal betekenisloos wordt.

 Tegels houden me al jaren bezig. Er zijn twee soorten in Nederland. De eerste in de straat waar ik knik­kerde waren de standaard grijze zerk­jes van dertig bij dertig centimeter. Langs de kantjes afgeschuind, zodat zich waar ze aan elkaar grensden, een gootje vormde, waar een knikker altijd wel in zou rollen. Soms groeide er daar mos.

Aan het eind van de straat stonden enkele voor­oor­logse hui­zen. De trottoirtegels ervoor waren zonder gootjes, of sleuf­jes en grensden pal aan el­kaar. Een veel spannender oppervlak voor knikkeraars.

 Nu heeft Jawik Krudde op zijn schilderij tegels van het oude model afgebeeld. Ze zijn kennelijk nog steeds te krijgen.

 De eerste werden geproduceerd in 1907 door De Meteoor in Rheden. Een hoe groot oppervlak van Nederland er inmiddels mee bedekt is, is onbekend. In de omringende landen zie je ze weinig.

Pagina's