Calabrië in de winter

 Wat ik me het meest herinner van Calabrië is de hopeloosheid. Huizen bouwen ze daar als betonnen skeletten, ingevuld met bakst­enen bouwblokken aangesmeerd met cement. Wit, en in niets lijkend op het op het pittoreske Italië dat je kent. 

 Je weet van het begin van de film Mediterranea: dit wordt niks. Deze twee vrienden uit Burkina Faso zullen het niet redden in Italië. Ze weten bij god niet waar ze aan begonnen zijn. Nadat ze de woestijn en de bootjes overleefd hebben staan ze daar in Rosarno. En daar is het net als in Heesch, er zijn goedwillenden en kwaadwillenden. Het is er koud.

 Hun vragen zijn en blijven die van verdwaalde kinderen: waar zullen we nu naar toe gaan, waar slapen we, waar is werk? Overal waar de groep vluch­telingen waar ze zich bij aansloten terechtkomt is het even onzeker, onbekend en onveilig. De vraag waarom gingen we van huis reist met ze mee. Tot ze in Rosarno terecht komen, omdat je als migrant tenslotte ergens terecht komt. Kans op een verblijfsvergunning is er niet.

 Je krijgt een glimp van een antwoord als de intelligentste van de twee doordringt tot het terras van de baas van het sinaasap­pelpluk en -v­e­rpakkingsbedrijf waar ze kunnen werken.

 Een gemiddeld woonhuis. Een welvarende Westerse woonkamer, de televisie staat aan. Maar ze zeggen daar in huis dat ze niet meer naar het nieuws kijken, 'altijd het zelfde'. Een onbereikbare wereld.

 Filmer Carpignano volgt de twee tot ook de camera geen raad meer weet en het opgeeft. 

De trek naar zee

 Wie van Den Haag weet kent de trek naar zee. Naar de oneindigheid. Pas nog vond ik het bij W.G. Sebald die de onvoorzien lange wandeling van Hollands Spoor naar het Kurhaus maakt in De ringen van Saturnus, en daar op het strand in slaap valt. 

 Voor altijd staat het beschreven in Willem Mertens' Levensspiegel van J. van Oudshoorn (1914), lievelingsboek van Marcel van Eeden en mij. De verliefde, beschonken, verdwaasde Willem ploegt vanuit de stad door het mulle zand. Totdat:

 'Thans kon hij niet meer en zat blootshoofds in de zacht wuive­nde helm half verscholen op een der hoogste duinen. Voor hem was van de zee, hier en daar nog onderbroken door een duinkuif, het grauw blauw aan de horizon met de verschietende zonnesprenkels zichtbaar. Het licht verschraalde al en met een blik op zijn horloge bemerkte hij reeds meer dan drie uur onderweg te zijn. Hij voelde zich plotseling onbehagelijk  de geluidloze verlatenheid van het alom wijde landschap. Zelfs geen vogel ontplooide de gestrenge stilte en als enig gebeuren dreef een ontzaglijke wolk als een statig zeilschip langzaam door de leegte. Hij bevond zich als laatste der mensen op de scheiding der beide Rijken. De wereld der stervelingen was verdoemd, ten onder gegaan, de aarde zwart afgebrand. Maar aan zijn gelaat voltrok zich het eeuwige leven. (...)

 En dan:

 'Toen wist hij plotseling, dat niets ter wereld hem kon redden van de waanzin, dat hij reeds gek was en holde luid om hulp gillend, duin op duin af, tot de aanblik van het vrije strand met de eenzame figuur van een schelpenvisser hem uit zijn ban bevrijdde. Hij kwam langzaam tot zichzelf en wist nu zelf niet meer wat hij ervan denken moest.' 

 Zondag rijdt er een tram naar zee, met een boek. 

Kimonomeisje

 Waarom is Breitners cyclus 'Meisje in kimono' nooit eerder gezien als het mirakel dat het werkelijk is? Begin jaren '70, toen Breitner door het modernisme uit de musea was verdreven,  droegen vriend Fran van der Hoeven en ik nog speldjes 'Wo bleibt Breitner'. Het mocht niet baten pas in de jaren '90 werd George Hendrik Breitner weer gezien.

 En nu dan. In het Rijks, zijn dertien kimonomeisjes bijeen. Tezamen een raadsel van toewijding aan, ja wat? Over de relatie tussen de schilder en het in het begin pas zestienjarige model Geesje Kwak is weinig meer bekend dan dat ze kort na de serie, in 1895 emigreerde naar Zuid-Afrika en daar in 1899 aan tuberculose stierf. Breitner werkte aan de serie door met de schetsen en foto's die hij van haar had.

 Beelden van een mager meisje met bleke, sprekende ogen, dat schuilgaat in wolken prachtige stof. Tegen Oosterse achtergronden met veel kamerscherm.

 Welke opdrachten gaf hij haar? Begreep ze uit zichzelf wat hij wilde? Maar wat wilde hij, wat zag hij in haar?

 Aan zelfvertrouwen mankeert het haar niet. Als een geschoolde mod­er­ne filmactrice geeft ze houding en gezicht aan de stemming van de schilder. Zodat je denkt aan Antonioni en Monica Vitti. Alsof de schilder en zij een geheim delen.

 Ze begreep hem zonder woorden, dat moet wel. De kunst van het poseren. Haar blik en lichaam drukten zijn stemmingen uit. Ze kijkt de toeschouwer maar een keer in het gezicht, verder hooguit vanuit de spiegel. Meestal dagdroomt ze.

 En daarna, zo staat secuur te lezen in de catalogus, begon het werk, dat resulteerde in wat eruit ziet als spontaan geschilderde momenten. Terwijl er juist zo vele schetsen en foto's aan vooral gingen.

 Breitner wist wat hij wilde. Geesje wist wat Breitner wilde. Wat dat was wist alleen het oog.

Tags: 

Teengeluk

 Vanavond gaat het vanaf acht uur bij de Vorlesebühne in de Utrechtse Houtzaagmolen over tenen. Lichaamsdelen waaraan je soms pijnlijk herinnerd wordt. Maar laatst was het anders, ik moest een vragenlijst invullen. Steeds vaker moet dat.

 En daar stond tussen vele vragen: 'Uw grootste geluksmoment'. Het antwoord was er voor ik het wist. Zonder nadenken had ik ingevuld: 'Teennagels knippen in de zon.'

 Ik wist ook waar. De zon scheen op een tegelvloer. Mijn grootste genot bleek zelfbevrediging. Op een balkon in Cortona, hoog boven het Trasimeense meer. De voetzool liet zich kennen op de plavuizen. In de dakgoot naast me zaten de duiven op een rij te koeren.

 Wat zouden tenen met geluk te maken hebben? Er zijn nagelstudio's waar ze geluk maken.

 In de bijbel vind je veel tenen. Ook als Christus heel nederig de voeten van zijn apostelen gaat wassen, voor het Laatste Avondmaal. In een woestijnland met veel stuifzand was het gangbaar de voeten van bezoekers eerst te laten wassen door een dienstmaagd voor er aan tafel gegaan werd.

 Een dienstbare Christus, de dag voor het verraad, dat hij zag aankomen. Zo kwamen uitersten, voet en messias, bij elkaar.

 Vanavond: Nader tot onze tenen.

Kunstberg

 Vanmorgen beving me bij het lezen van de Volkskrant een diepe weerzin. De voorpagina verkondigde 'Musea worstelen met kunstb­erg'. Een soort boterberg, indertijd ontstaan door misplaatste subsidies aan boeren. En nu dan kunstberg, ook ontstaan uit misbruik van onze belastingcenten.

 In een complete bijlage had de krant 'onderzoek' gedaan naar deze misstanden. Als je je geld investeert doe je dat immers om geen andere reden dan er ook zo snel mogelijk wat voor terug te zien. Investeer je in kunst dan moet dat wat opleveren. Waar zouden die depots anders goed voor kunnen zijn? 

 Alles werd vliegensvlug teruggerekend in geld. Sommige schilderijen in de depots bleken niet meer dan een of twee euro waard. Nou vraag ik je. Er waren minuscule lichtpuntjes, zowaar worden er depots opengesteld voor publiek. Kunst is van iedereen voor iedereen.

 Ik denk dat binnenkort de archieven aan de beurt zijn. Al die opslagkosten in het Letterkundig Museum. En wat brengt het op? Ruimen die boel. Nederland, meer dan andere Europese landen raakt razendsnel in de greep van het populisme. Wanneer de meerderheid niet erg snugger is dan geldt de mening van zo'n meerderheid op zeker moment als de waarheid. Men noemt dat democratie.

 Er bestaan andere ideeën. Die zeggen dat niet alles is uit te drukken in geld. Kunst en onderwijs behoren tot de zg. 'merit goods'. Wat de investering in scholen en musea opbrengt zullen we nooit weten. Toch doen we het. Of wat het bewaren van onze kunstgeschiedenis ooit iets oplevert, geen idee. Rembrandt was lange tijd een onbelangrijk schilder. Eens heetten de Vlaamse primitieven zo omdat men ze vergeleken met Rubens werkelijk primitief vond. En nog in 1881 werd Vermeers Meisje met de paarlen oorring gekocht voor twee gulden en dertig cents. Om maar niet te spreken van studie en onderzoek om iets te begrijpen van het ontstaan van wat er nu is.  

 Maar nee: koeienletters in de Volkskrant zeggen 'Dik 90% van de kunst blijft jaarlijks in de depots. Moeten we daar niet eens vanaf?'

 Tuurlijk, ruimen die troep.

Wandrek

 Vandaag is de laatste dag van mijn training. Naast het gymzaaltje met gewichten en roeiapparaten is een kamer met een wandrek. Zoéén als ik voor het eerst zag op de Openbare Lagere School in Eerbeek op de Veluwe.

 Het was een wonderlijke school, die aan de viersprong in het dorpscentrum lag. Er was brand geweest. Enkele lokalen waren ingestort, verkoold, en dichtgetimmerd met hard- en zachtboard. Je rook het nog.

 Het gymnastieklokaal had men met een houten wandje in tweeën gesplitst, waardoor twee leslokalen waren ontstaan om de tweede en derde klas onder te brengen.

 De wandrekken zaten er nog, de ringen hingen boven onze hoofden terwijl we dictee kregen of hoofdrekenen.

 Vooral naar die glanzend geverniste wandrekken, die dus nooit meer gebruikt wer­den, staarde ik, wegdromend, vaak.

 Ook de schoolbel was verloren gegaan in de brand, en werd sindsdien vervangen door het fluitje van de bovenmeester, die de merkwaardige naam Grizell droeg. Meester Grizell blies op zijn scheidsrech­tersfluitje als de school moest aangaan. Waarna de leerlingen zich zwijgend, twee aan twee, in een lange rij opstelden om naar binnen gemarcheerd te worden.

 In Eerbeek wist iedereen dat Meester Grizell de straten de namen had gegeven die op de nieuwe straatnaambordjes te lezen stonden.

 Er verandert veel, scheidsrechtersfluitjes en wandrekken zijn er nog.

Tags: 

De ordeverstoringen van Merijn de Boer

 De roman 't Jagthuys van Merijn de Boer is de vreemdste roman die ik in tijden las. Er zijn meer vreemde romans, maar daarin zit de vreemdigheid meestal in de opzet. Wanneer je de figuren en omstandigheden hebt leren kennen wordt het vreemde vertrouwd, zoals in Gullivers travels of Kafka's Proces.

 Maar de vreemdheid van 't Jagthuys zit hem niet in de hoofdfig­uren en hun omstandigheden. Die zijn juist heel alledaags, je zou de autist Binnert en zijn overbezorgde moeder overal kunnen tegenkomen, en ook de ingehuurde seksuele zorgver­leenster Vera is niet uitzonderlijk. Alles wordt in ‘t Jagthuys binnen de kortste keren gewoon.

 Het is, denk ik de manier van schrijven die bevreemdt. Dat begint al met de onbestaanbare achternaam van moeder en zoon. De Boer gebruikt stilistisch platitudes en fijnzinnigheid door elkaar. Thrillereffecten tegen literaire passages. Zodat je gaat denken, ja, hij heeft gelijk, zo grillig zitten mensen in elkaar. Een autist kan heel goed te­gelijk seksmaniak en geniale harpist zijn. Het een versterkt het ander. Seks aan de harp. Je denkt als lezer 'ja natuur­lijk'. Het zou eerder vreemd zijn als het niet gebeurde.

 En zo maakt Merijn de Boer je zoetjes bewust van je conditioneringen als lezer. Je gaat mee. Waarheen?

 Een ding dringt vooral tot je door, dit kan niet goed gaan. Maar wat is goed. Als schrijver, lezer en figuren zich tenslotte uit het boek terugtrekken gaat de wind liggen. Maar de ordeverstoring werkt na. 

Tags: 

Sokoerov

 In zijn film Francophonia vereenvoudigt Sokoerov Europa tot Frankrijk en Frankrijk tot het Louvre, ooit als burcht ter bescherming tegen de barbaarse Vikingen begonnen. Nu de schatkamer van de Europese kunst.

 Wat gebeurt er als de Duitsers Parijs innemen? Nog steeds een gebeurtenis die je verstand te boven gaat. Maar dan. In wonderlijke eendrachtigheid beschermen de Duitse officier verantwoordelijk voor 'Kunstschutz' Metternich en Louvre-directeur Jacques Jaujard de Europese kunst. Ook tegen de gretige Goering, zolang het lukt.

 De wonderlijkste oorlogsfilms blijven voor mij die waarin militairen in verlaten mijnen of kastelen kunstwerken rondzeulen en opbergen en later weer naar boven halen. Amerikaanse militairen in 1945 met renaissance-drieluiken sjouwend tussen de sparren. En bij Sokoerov het kasteel ten zuiden van Parijs waar een deel van de Louvre-schatten lag opgeslagen.

 Francophonia – kunst spreekt Frans – is tegelijk vol ironie. Het gaat ook om geld, eer, pracht en praal. 'Kunstschatten' heten niet voor niks zo.

 In alle eeuwen gebeurde dit. Waarom? Daarvoor moet je afdalen in het Europese onderbewuste, reizen door de tijd in de kelders van het Louvre. Het gaat om iconen, om kunst als identiteit van een volk. De heilige graal, de glimlach van de Mona Lisa, niks minder.

 Wanneer de barbaren in het Midden-Oosten kunst opblazen vernietigen ze heiligdommen van het Westen. En verwonden Mnemosyne, de moeder van onze muzen, die ook de muze is van onze geschiedenis. 

Tags: 

Brusselse haltes

 'Waar de wind doorheen waait' is een serie gedichten van Jan Baeke over een zoon die zijn vader in Brussel zoekt, heen en weer reizend met lijn 4. Een reis van Gare du Nord tot Stalle. Al lezend in de tekst, afgedrukt in het Brussel-nummer van Tijdschrift Terras verzonk ik in haltes, hun raadselachtige namen, en het wachten.

 De namen van de Brusselse tram- en metrohaltes in de cyclus zijn als de staties in een kruisgang. Namen die sterker worden dan hun betekenis. Zoals Anneessens - Lemonnier:

 'De lijnen wisselden, de haltes wisselden. Van Matongé tot Vorst Nationaal, van Steekspel tot Mysterie, van Baljuw tot Drievuldigheid, van Jeu de Balle tot Grand Sablon. Moest ik mijn hoof­dpe­rsoon verschillende trams, bussen en metro's in sturen in en om het centrum van de stad of veroordelen tot een steeds herhaalde rit in dezelfde bus of tram? Een tramlijn bleef zich opdringen en al die trams die de hele dag door op die lijn reden werden de locatie waarop de gedachten van de zoon zich ontvouwden. Sommige haltes wisten zich te handhaven, maar niet de teksten die er ontstonden.'   

 Soms staat er op het bordje 'Deze halte is komen te vervallen'.

 Vrijdagavond presenteert Wim Brands in de Brakke Grond een Brussel-avond van Tijdschrift Terras met oa. Bernke Klein Zandvoo­rt, Tonnus Oosterhoff, Els Moors, Ivo Victoria en Jan Bae­ke. 

Tags: 

De waterangst van Willem Brakman

 In april verschijnt een nummer van het ‘Haagse’ tijdschrift Extaze over water en zee. Ik schrijf over Willem Brakman, die doodsb­ang was voor water. Hij bekende het me toen we eens naar het Stille strand waren gefietst, achter Duindorp, waar hij opgroeide.

 'Er is geloof ik geen tweede Nederlander te vinden die zo bang is voor water als ik.'

 Door het duin en het mulle zand waren we gekomen op wat eens de vaste strandplek was van de familie Brakman: 'Ik liep graag en veel langs de vloedlijn. Maar ik was al bang in die tijd, dus ik ging niet verder dan mijn knieën.’

 ‘Die prachtige zomers. In tegenstelling daarmee was dat er nogal veel mensen verdronken. In mijn gedachten kan ik er zo vijf of zes tevoor­schijn halen. En dat ging altijd op de zelfde mani­er. De zee zag er kalmpjes uit, kleine golven, en dan ineens was het zover, dan zag het zwart van de mensen en waren er reddingspogin­gen. En die mislukten. En mijn vader dacht dat hij ons iets moest leren, na­melijk wees voorzichtig met het water. En duwde ons net zo lang tot we vooraan stonden en naar dat lijk konden zien. Hij nam ons bij de hand en liet ons een soort kroket zien die door het zand heen en weer werd gerold. Dat heette toen kunstma­tige ademhaling.'

 En hij voegde toe: 'Dat verdrinken, dan was er altijd dat merk­waa­rdige moment. Als de betreffende aan land was gesjord dan verand­erde de zee. Die kreeg een uitermate hypocriet uiter­lijk. Namelijk alsof er niets gebeurd was.’

 ‘Stel dat ik dat slachtoffer was geweest dan had iedereen aan de zee kunnen aflezen: "Willem Brakman? Ik weet niet waar jullie het over hebben. Nooit gezien."

Tags: 

Pagina's