Charles Avery en de intellectuelen

 Charles Avery (1973), sinds gisteren in het Haagse Gem, is een Engelse satiricus. Zijn onderwerp: intel­lectuelen. Bijeengedreven op een denkbeeldig eiland doen ze wat intellectuelen doen: rondlopen, tegen mekaar aan zeuren en in boeken bladeren.

 Ze dragen t‑shirts waarop staat wat ze bezighoudt: 'Das Schweigen von Marcel Duchamp wird überwertet. Of: 'What's so great about happiness.' Er rijden er veel rond op racefietsen, want daaraan herken je intellectuelen. Duchamps pisbak gaat mee op hun bagagedrager.

 Er lopen eigentijdse 'denkers' door het beeld die tegen meisjes aan praten. Maar Nietzsches eeuwige wederkeer van het zelfde doet het ook goed als t-shirt of affiche. 

 In het Gem zijn Avery’s grote getekende taferelen de hoofdzaak. Verder staan er verspreide mensenhoofden op sokkels met heel rare kunstachtige hoedjes die godweet hun gedachten uitdrukken. Running gag zijn levend ogende zeepalingen in plastic emmertjes water, die ook weer terugkeren in de tekeningen. Zodat de zegswijze 'een paling in een emmer snot' zich opdringt.

 Beelden zijn er ook: onenigheid - het 'debat', de 'discussie' - krijgt vorm in twee honden die vechtend tot een geheel worden, een dier vormen met acht poten. Een levensgrote olifant baart uit zijn bek een redekavelend man.

 Het verhaal van het fantasie-eiland waar dit alles zou gebeuren is een kapstok. De spanning komt uit Avery's observaties van intellectuelengedrag. Heel mooi in de affiches die hij ophangt en die hij in de tekeningen laat terugkomen. 'What's the matter with idealism', zoals de tentoonstelling heet, is sterk, maar ook Heideggers 'Dasein' doet het goed als affiche.

 Een jonge, op Obama lijkende zwarte zegt: 'We don't stay here because of gravity, we stay because we like it.'

De letters van Amsterdam

 De eerste keer dat ik in Amsterdam logeerde was in de Brederod­estraat. Driehoog, zo hoog bouwden ze huizen nergens anders. Later ontdekte ik dat Willem Frederik Hermans in de zelfde straat woonde als kind en net als ik door het Kattenlaantje werd meegevoerd naar het Vondel­park om te wandelen. Hermans maakte een tekening van zo'n huis.

 Als je op het balkon speelde en een autootje in de peilloze diepte liet vallen kwam het in de tuin van een kwaadaardige vrouw terecht en kreeg je het nooit meer terug. Ik studeerde er en logeer nog steeds in Amsterdam.

 In Amsterdam had de melkboer een baard, zaten er brievenbussen achterop de trams en er was een Gemeentegiro, allemaal ondenkbaar in Den Haag. Het eigene van de stad zat hem ook in de letters van de Amsterdamse school en de beelden van Hildo Krop. Piet Koopt Hoge Schoenen had ik snel door, maar Nieuw Zuid bleef me een raadsel. Een Haagse vriend - hij was een kleinzoon van Frederik van Eeden - pleegde zelfmoord niet lang na aankomst in de burgemeester Tellegenstraat, ik dacht om de griezelige cijfers van de huis­nummers.

 Kortom, er was iets. 

 In het Amsterdamse School-museum 't Schip is nu een tentoonstelling van boekomslagen uit de jaren 1910-1930, letters en ontwerpen. Mooi en griezelig tegelijk.

 In oude tijden werd het uiterlijk, het straatmeubilair de ornamentiek, de beelden in steden nog niet uniform bepaald door J.C.Decaux. Er bestond vaak per plaats een stadsstijl. Aan een foto zag je waar hij genomen was. Winkelketens hadden het uiterlijk van straten nog niet overgenomen.

 Amsterdam werd in 1910-1930 een Gesamtkunstwerk, van boekomslagen - nu te zien in Het Schip - tot architectuur. Je woonde als arbeider in een huis van de Amsterdamse school, met een interieur in die stijl en in je Amsterdamse boekenkast stonden Amsterdamse boeken. Daar werd je een beter mens van.

 Die uniformiteit en bedilzucht maakte het griezelig. Riep verzet op. Ook Geert Wilders is een product van de Amsterdamse School.   

Tags: 

De stukjes van Kees Fens

 Gek genoeg gaan de mooiste stukjes van criticus Kees Fens (1929-2008) niet over literatuur. Het zijn stukjes waarin hij schrijft. Schrijft zonder meer. En is wat hij zei niet te kunnen zijn: schrijver.

 Net krijg ik 'Dat ben ik toevallig', de langverwachte bundel stukjes van Fens. Een puur genoegen. Stukjes met wat Brakman noemde 'een ruime akoestiek'. Wat hij schrijft komt uit een hoofd dat veel gezien en overwogen heeft. Over schaduw, over stilte, lichtheid en zwaarte, over goede en verkeerde kanten van straten. Over een jas. Over luchten of bladeren in boeken: 'Weer eens me een hele avond overgegeven aan de ziekte van het bladeren'. Bladeren - het is zoiets als de ene sigaret na de andere roken en ze allemaal na een of twee trekken uitmaken.'

 Of hij verzint een complete film die hij zou willen zien. Over een vrouw in de jaren dertig 'in een jas van wat verschoten visgraat'. En dan staat er: 'Haar bril is allang wat scheef'. Na zo'n zinnetje blijf je lezen.

 Ik dacht aan 20 mei 2006, toen ik bij hem thuis een gesprek zou opnemen over hoe hij werkte. Het was een rommelige dag, hij zat vlak voor belangrijk medisch onderzoek. Toch wilde hij graag praten. Halverwege ons gesprek kwam een telefoontje. Aan de andere kant zat kennelijk een medisch specialist. De opname draaide door. En zo is bij toeval bewaard gebleven hoe Fens met de arts praatte. Zo direct als het maar kon. 'Wanneer ga ik dan dood?' (...) 'O. Jaja.' Na afloop kreeg ik kort verslag. Het was 'niet onverdeeld ongunstig'. En daarna - 'waar waren we gebleven' - ging hij door of er niks gebeurd was.

 Duizenden stukken en stukjes heeft Kees Fens geschreven. Toch moest hij er niet aan denken, zei hij toen, dat er over 15 jaar, na mijn dood, in 2020 daarvan 200 in een boek bij elkaar zouden worden gebracht.

 Precies dat is nu gebeurd. En het is heel goed. Uta Janssens en Jan Kuijper hebben de 'tijdloze' stukjes bijeen gebracht waarin Fens geen criticus maar tenslotte schrijver is. Het boek verschijnt op 18 februari.

 

Tags: 

Het oor tegen de muur

 Zo'n tien jaar spraken Arnon Grunberg en ik wekelijks op de radio. Af en toe ging het over zijn ouders. Huiselijke details. Als de tv te vervelend werd legde zijn moeder, vertelde Arnon, in de meterkast haar oor tegen de muur. Dan kon ze de gesprekken van de buren volgen, die interessanter waren.

 'Ze is onze enige luisteraar,' zeiden Arnon en ik vaak. We realiseerden ons altijd dat ze meeluisterde en vroegen ons wel eens af wat ze ervan zou denken, want de afspraak was dat ik alles kon vragen en dat hij naar beste weten zou antwoorden. Toen het uitzendtijdstip te laat voor haar werd stuurde ik haar Cd’s ervan. We zorgden dat ze ons goed zou kunnen ontvangen. Toen de Avonden niet meer op de middengolf uitzond gingen we op zoek naar een DAB toestel voor haar.

 Nu is ze opeens gestorven.

 Soms belde Arnon uit zijn ouderlijk huis, maar niet vaak. Zijn stelregel was toen dat hij daar nooit meer zou overnachten. Ik deed dan de groeten. Er bestaat een boekje met Cd van onze gesprekken. Dit jaar hielden ze op.

 Ze wist wie ik was. Eenmaal ben ik bij haar thuis langs geweest in Amsterdam‑Zuid en heb haar geïnterviewd. Het werd uitgezonden op 18 oktober 2004 in de Avonden. Ik kreeg een kopje thee en een erg grote Bossche bol, die ik met een gebaksvorkje opat. Intussen stond de televisie vrij hard op ARD en of ZDF. Ze is een Duitse vrouw dacht ik.

 Ze sprak over Arnon. En over haar plakboeken, waar het leven van haar zoon werd geboekstaafd.

 'Heeft u dat stuk in het Parool gelezen?' Dat had ik.

 'Komt niet in het plakboek.' Het plakboek was haar laatste woord.

 Arnon en ik spraken vaak over zijn vakanties met haar, altijd naar Duitsland, naar plekken waar hij vroeger met zijn beide ouders was geweest. Vaak waren dat ook plaatsen waar ik met mijn eigen ouders geweest was. Mijn vader was leraar Duits. Zo kwamen wij beiden terug in Ahrweiler, Bad Neuenahr, Bergisch Gladbach, de Kaiserstuhl.

 Vaak zag ik haar fietsen bij mij om de hoek, kennelijk op weg naar de Albert Cuyp. Koket als steeds, met haar rode brilmontuur en haar bontkraagje. 

Tags: 

Volksstam

 Als je de film als een soort ballet opvat overtuigt The tribe zeer.. Vooral het zwijgend bewegen, van duwen en trekken tot doodslaan. Ernstige slapstick.

 En dat tegen de ideaal in beeld gebrachte bladderachtergrond van een afkalvend 'Instituut' voor doofstommen in de Oekraïne. Een gemeenschap waar iedereen z'n gang gaat, meisjes vanzelf hoeren worden, en onder jongens de gangstervetes worden uitgevochten. Zwijgend. Schitterend vliegensvlug geacteerd. Waarbij gebarentaal ook ballet wordt. Een stomme film, maar dan anders. Echt stom bovendien. Letterlijk en figuurlijk. Buster Keaton vele malen, maar dan echt.

 Wat gebarentaal vermag doet er voor filmer Slabosjpitski weinig toe. Hij laat een instituut zien waar het net zo schunnig toegaat als in gevangenissen. Hoofdpersoon Sergej moet zich letterlijk invechten. En vecht zich er ook weer uit.

 De inrichting als metafoor voor een doofstomme wereld. Topdogs, underdogs, meisjes, jongens, vechten om erbij te horen. Met alle middelen. Het bestaat. Elke dag, overal. Dat het in de Oekraïne speelt, tja.. Een dovengemeenschap bij uitstek. De film werd bekroond in Cannes. Niet in Oekraïne.

Remco Campert in Diemen

 In de tijd dat je nog van Hilversum naar Amsterdam terugreed over de binnenweg langs Weesp zat Remco Campert achterin mijn Renault 4. Dromerig. Een fles wijn tussen de benen geklemd. We kwamen als vaak laat terug van een uitzending in de vpro‑villa.

 Dagen van politieke crisis waren het. De neutronenbom hing ons boven het hoofd, vertelde de autoradio. We stopten voor de lichten in Diemen, met rechts van ons de donkere toonzalen van BELA‑meubelen, waarvoor veel reclame werd gemaakt.

 Remco werd wakker uit zijn halfslaap en keek ernaar.

 'Stel je toch voor,' zei hij, 'dat dit het laatste zou zijn wat we van de wereld zagen.'

  Als hij straks geëerd wordt in Brussel zal ik hier aan denken. Of aan zijn nieuwe blauw met witte tapijt in de Alexander Boersstraat waarop toch liever niet gemorst moest worden. Besmettelijk, maar ja. En aan de deur beneden. Als die nog op het nachtslot zat als ik belde was dat geen goed teken. Geen tekst. En Remco, de schuldbewust excuserende.

 Een andere keer had hij wel zijn tekst af en bij zich maar was reddeloos beschonken.

 Wat toen gebeurde was onvergetelijk: hij las zijn tekst. Maar als nieuw..  voor het eerst. Terwijl hij hem toch zelf geschreven had, maar dat was hij glad vergeten. Het gevolg was dat hij er groot plezier in kreeg, en moest lachen, steeds meer, het typische Remco Campert-lachje dat altijd binnensmonds blijft, maar eruit wil, waardoor hij het benauwd krijgt. Het was ook een erg geestige tekst. Het publiek kreeg in de gaten wat er gebeurde en lachte..  om de tekst, en tegelijk om de lachende Remco.. Het was een lach van groot meeleven.

 Dronken voorlezen is een worsteling. Dubbele tong en dan toch steeds de punt zien te halen. 

Tags: 

De droomvrouwen van Mela Yerka

 Vanmiddag op Art Rotterdam kon ik een extra stap buiten de tijd zetten. Ik ontmoette de vrouwen van de Poolse schilderes Mela Yerka, overgekomen uit Londen.

 Ze studeerde in 2011 af van het Central Saint Martins College of Art en schildert - onder meer - 19de eeuwse vrouwen die haar boeien. Even verderop hing Emo Verkerk. Ze leken wel famil­ie. Hier zie je haar met Rachel Felix (2014).

 Mela Yerka kiest karakters die zoiets ongrijpbaars als 'cultuur' bepalen, zegt ze. De onvoorspelbare en oncontroleer­bare kracht die mensen richting geeft. Die macht heeft over ons leven van alledag.

 Zo verdiepte ze zich in de gruwelen van de sprookjes van de gebroeders Grimm en hun invloed tot vandaag. En daarna in de vrouwelijke archetypen uit de 19de eeuw die ze nu schild­ert, minnaressen van beroemde mannen, met hun seksuele netwerken.

 Als een vorm van emancipatie en vrouwelijke invloed. Neem deze twee:  Rachel Felix was een veelgeprezen klassieke actrice van Zwitserse komaf met in Parijs vele minnaars, onder wie Napoleon de Derde. Ewelina Hanska was getrouwd met Balzac, had na diens dood vele minnaars en eerder al een relatie met Victor Hugo.

 Mela Yerka strooit gewoonlijk wat marmergruis over haar schilderijen. Dat het zacht glanst. Ze was niet in Rotterdam Vandaar deze foto.

 In de stal van de Londense galeriste Maria Stenfors trof ik alleen een Engelstalig meisje. Zo druk als het verderop was, zo stil was het bij haar, of ze een geheim bewaarde.   

Tags: 

Plot?

 Hoe komt het dat je verder leest en een boek niet weglegt? Je wilt weten hoe het verder gaat, met wat of wie ook. Hoe het afloopt misschien.

 Deze week opende Gustaaf Peek met een steekhoudend en geestig betoogje de avond 'Weg met de plot', waar een nieuw Re­visor-nummer werd gedoopt. 

 Wat houdt die spanning gaande? Vanouds heette dat de plot. Je kon er over leren bij eindeloos herdrukte Amerikaanse instructeurs van filmmakers: Syd Field, Lajos Egri. Daar leerde ik over de 'plotpoints', de momenten in een verhaal waarop een hoofdpersoon een weg inslaat waarvan geen terug meer mogelijk. Het meisje gaat in Psycho het spookhuis boven het Bates-motel binnen waar haar de krankzinnige Anthony Perkins wacht. Hitchcock speelt het spel volgens de regels.

 Gustaaf Peek verzet zich tegen dat klassieke fuikmodel. Hij hield het op geheimzinnigheid als spanningmaker. Dat wat wij als lezers - en als schrijvers - niet weten. Ik was daar en viel hem bij. Voorspelbaarheid is dodelijk. Zeker die van plots uit het boekje.

 Je hebt dat in alle takken van kunst. Als ik steeds terugga naar dat ene schilderij - ik noemde de Mariaplaats van Saenredam in Boijmans met de struikjes op het kerkdak - dan is dat omdat elk goed kunstwerk een raadsel bevat, waarvoor je er steeds weer naar teruggaat. Schilders bevestigen me dit.

 Dat zei ik, is ook de reden dat ik levenslang een paar boeken met me meesleep, ze bevatten een raadsel. Kafkas Beschrijving van een strijd, Werther Nieland, Petersburg van Andrej Bjelyj en zo door.

 Een raadsel ook voor de schrijver. Hij schreef om iets te ontdekken, over zichzelf. En nam je mee op zijn zoektocht. Gedeelde spanning. Vergeefs natuurlijk. Het raadsel blijft bewaard. Een boek weet, als het goed is, meer dan de schrijver.  

Jerofejevs zelfspraak

 Wie veel in zichzelf spreekt, luidop misschien zelfs, hoeft zich geen zorgen te maken. Het is, leerde ik, juist de manier om een persoonlijkheid bij elkaar te houden.

 Zelfpraat is voor schrijvers essentieel. In het drank-epos Moskou op sterk water (1969) is Venedikt Jerofejev niet alleen, de schrijver spreekt in meerdere stemmen. Zo zijn er de Engelen van de drank, die die hem bemoedigen of juist manen tot beheersing. Daarnaast spreken wat heet zijn fiere hart en zijn gezonde vers­tand. In het hoofd van Jerofejev is het nooit stil. Nog steeds is hij met de trein op weg naar Petoesjki. Nu inspecteert hij de inhoud van zijn schamele koffertje: de drank is bijna op - en wendt zich tot God:

 "'Kijkt u toch eens, Heer, rosé van een zevenendertig....'

 En in blauwe bliksems gehuld antwoordde de Heer mij: 'En waartoe heeft de heilige Teresa haar stigmata nodig? Die heeft ze immers ook niet echt nodig. Maar ze zijn haar dierbaar.'

 'Ja, precies!' antwoordde ik geestdriftig. 'Zo is het met mij ook, bij mij is het net zo - het is me allemaal dierbaar. Maar nodig heb ik het echt niet.'

 'Kom, als het je zo dierbaar is, Venitsjka, moet je maar eens wat gaan drinken,' dacht ik bij mezelf, maar toch bleef ik nog treuzelen. Zou de Heer nog iets tegen me zeggen of niet? De Heer bleef zwijgen. Nou ja, best. Ik pakte een kwartlitertje en ging naar het balkon. Zo. Mijn geest heeft vier en een half uur achter elkaar opgesloten gezeten en naar vrijheid gesmacht. Nu laat ik hem los... Dan kan hij eindelijk eens feestvieren en zich lekker helemaal laten gaan. Ik heb een glas en ik heb een broodje, dan hoef ik straks niet over te geven. En ik heb een ziel die op het ogenblik nog maar op een heel klein kiertje openstaat voor de werkelijkheid om me hen. Zit mee aan mijn dis, Heer!

 (station SERP I MOLOT - KARATSJARAVO)

 En meteen sloeg ik een glas achterover.

 (station KARATSJARAVO - TSJOECHLINKA)"

 En dan komt - ondanks zijn gebeden - de weerslag:

 " - de inhoud van het glas klotste nu eens ergens tussen m'n pens en m'n slokdarm, dan weer kwam de hele boel naar boven, dan zakte de zak weer een eind naar beneden. Het was daarbinnen net de Vesuvius, of Herculaneum en Pompeï..."

De ingewand-brein gesprekken

 Het boek Herinneringen van een maag (1853) van Sidney Whiting krijgt een vervolg. De Columbia University deed onder­zoek naar de zogeheten 'gut-brain connection'. Uit de literatuur kennen we Montaignes bezoeken aan de heilbronnen van Bagni di Lucca. Nietzsches waterbekertje uit Sils Maria. Maar behalve aan water werd ook aan lucht en voedsel geneeskracht toegedicht. Zonder dat iemand ooit iets kon bewijzen.

 Wel weet ik zelf dat mijn humeur, mijn ongemak of behagen levenslang beïnvloed zijn door de spijsvertering. Ingrijpend vaak. Je wordt niet geacht er over te praten. Zelfs winden laten is behalve in China not done. Dat kan veranderen.

 Mijn jeugd-maagpijnen heetten ongeneeslijk te zijn. Ik moest er mee leren leven. Tot bleek dat hyperventilatie bestond.

 Het gut-brain experiment lijkt nu al gevolgen te hebben voor bestrijding van obesitas.

 Het gaat met een inslikbaar cameraatje. In Londen was op een groot scherm te volgen hoe het via de mond van een meisje naar haar maag reisde waar het gezelschap kreeg van dansende gummiberen en stukjes pizza. Afspraak was wel dat de reis van de pilcamera niet het 'andere eind' zou bestrijken. Alleen de eerste 90 minuten van de reis die 24 uur zou duren waren te volgen. Een jazzorkest improviseerde en een technicus gaf commentaar samen met een ingewandkundige.

 Wat je zag was nogal afstotelijk. Foto's ervan komen in een nieuwe editie van de 'Herinneringen van een maag'. Waarin de maag zelf ook nu weer de verteller is. Deze Mr.Stomach heeft gesprekken met Mr.Brain, het brein dat te horen krijgt wat z'n collega daar beneden allemaal over zich heen krijgt, met welke gevolgen.

 Literatuur fantaseert over wat er omgaat in het brein. Meer dan een eeuw volgen we nu al verhaallijnen die Sigmund Freud uitzette, van jeugd­t­rauma, ego, superego en id tot onbewuste en doodswens. Maar de ingewanden van de schrijver gaan - in deze eettijd - meespreken. De buikroman is in aantocht. 

Pagina's