Antjie Krogs Medeweten

 Thee met melk, in overvloed, dat moest er zijn. Dan konden we een CD opnemen. We werkten bijna een volle dag.

 Het was 2006. Antjie Krog stortte zich er halsoverkop in, daar bovenin Studio Desmet. Op tafel lagen fotokopieën van haar bundels. Daaruit componeerde ze voor de vuist weg een nieuw geheel. Het moest over haar en haar land gaan. Of toch over seks, alleen maar seks? Nee, het land.

 In een razend tempo scande ze haar pagina's, streepte strofen, regels of hele gedichten, mompelend 'nee, deze ook maar niet' of 'ach nee'. En daar vlogen pagina's over de vloer. Nooit een dichter zo met z'n eigen werk zien omgaan.

 Met wat overbleef gingen we de studio in. Ik fixeerde haar uit het regiehok. Zorgde dat ik haar in de ogen zou zien telkens als ze opkeek. Wie haar kent weet dat ze publiek nodig heeft, dat was ik in m'n eentje.

 Aanwijzingen bleven beperkt tot 'langzamer' of 'vlugger'. Nog meer thee met melk. Tenslotte hadden we een uur. Er was een nieuwe bundel ontstaan. Er was nog wat ruimte. Nog eentje dan tot slot. Ze keek me tartend aan: 'Ik heb er nog eentje over een kat, een rooie kat. Die is voor jou.'

 Het was klaar. Ze keek opeens peinzend en zei 'misschien had ik toch alleen de seksgedichten moeten doen.'

 En nu is er dan een bundel met de veelbetekenende, schuldbewuste titel 'Medeweten'. De dingen gebeuren in Zuid-Afrika, met medeweten van Antjie Krog. Zoals:

 nadat haar man begraven was

liet overgrootmoeder Betjie van Middensruit

hem opgraven

en trok hem een ander zondags pak aan

 

'ineens begrijp ik het' zei mijn moeder

'ik zou niks liever willen dan

daar bij die hoop grond te gaan graven

net zolang tot ik bij je vader ben

 

tot bij waar hij is en hem

aan zijn schouders optil

die onontkoombare daarheid van 'm'

Tags: 

Pollet & Pollet

 Jan en Piet Pollet, de broers die de strip 'O scenario' maakten zijn begonnen aan een nieuw verhaal. En weer begeven ze zich in een terra incognita. Reiken met taal en tekeningen in onbekende verten.

 Je weet dat de broers uit Gentbrugge er onweerstaanbaar door worden aangetrokken. En wat nu verschijnt doet denken aan stappen boven de afgrond. Is het een strip? Een wijsgerig betoog? Poezie? Alles ineen? Of niets van dat al? Waar gaat het over? Er wordt een personage geintroduceerd, met naam. Hij heet 'Woody'. Zou hij van hout zijn? Er staan dialoogzinnen als:

 'contemplatief is het woord niet

 eerder de tijd nemen om

het fenomeen TIJD

 vanuit alle hoeken te bekijken

 zonder dat het als tijdrovend

aanvoelt... Begrijp je?

 Mentale yoga

zei je?

 mm... zou ik niet zeggen...

bekijk het als een oefening voor

later

 je elke dag voorbereiden

op de onmetelijke ruimte

 van de vrije tijd'

 

Wat hangt Woody boven het hoofd. Zie hem, in bed, met laptop of boekje, fles en glas bij de hand. En uitzicht op een wolkenlandschap. Is dit een cliffhanger?

Pollet & Pollet laten weten: ‘Een fenomeen dat monsterlijke proporties zal aannemen in de toekomst: vrije tijd’. 

Volg ze op Facebook of Wordpress 

Tags: 

Anders

 Schrijven en of het anders kan. Vragen ze zich morgen af bij de presentatie van een nieuw Revisor-nummer. Gustaaf Peek schreef een achterstevoren-roman die veel gelezen wordt.

 Het nieuwe nummer bevat meer anders. De Keulse Annelie David (1959) zet woorden en zinnen anders neer in haar prozagedichten. Ook dat werkt.

 Vaak denk ik dat het andere moet komen uit wat ontdekt wordt over de werking van het brein. Waar aanhoudend associatieketens worden gevormd, werelden gemaakt en weer vervangen. Zo zou je kunnen schrijven. Maar wie kan er zijn hersens bijhouden? 

 Een putsje scheppen uit de door William James ­benoemde Stream of consciousness - denk aan Ulysses - en proberen iets daarvan onder woorden te krijgen. Iets. Zoals in 'de bomen':

 'toen hielden de bomen de adem in we namen het op het wrak half in het water de blaren in de lak de flanken bevolkt rif van mosselen vliegen zal de tijd in de schelpen opstijgen het was koud en het waaide we hebben niet gesproken terwijl het verkeer langs ons heen in het gras louter schelpen ze laten ze vallen de zwarte vogels namelijk uit de lucht vallen terwijl ik loop viel licht in de auto sneeuw in de ogen dit zuivere licht flikkerende sneeuwvlokken vielen in de ogen zie het zo helder riet en distelzomer was het is het tussen de flats hangt de zon en rode bal leemte ben erin gaan wonen toen een slingerende zwiepende suizende stilte de winter de bomen toen hielden de bomende adem in terwijl in zijn linkerhand al die schelpen en splinters nog bloeit de papaver'

Tags: 

Vallen

 De oerscene uit tekenfilms: het domme karakter - er zijn er altijd twee, de domme en de slimme, de achtervolgde en de achtervolger. Die domme achternagezetene rent met malende beentjes, in een stofwolk, tot de rand van het rav­ijn. En dan.

 Wij zien het gebeuren, Tom of wie ook niet, totdat hij bespeurt dat hij geen vaste grond meer onder de voeten heeft. Wat doet hij? Zijn beentjes malen door. Zoals mensen tegen beter weten in toch doorgaan met waar ze me bezig waren. Dan valt het kwartje.

 Hij kijkt omlaag. De vraag is voor ons kijkers heel even of hij dat eigenlijk wel zou moeten doen. Of het niet beter zou zijn om - net als in het leven - te doen of er niks aan de hand was en gewoon door te gaan met wat je deed.

 Had hij maar nooit gekeken, is de gedachte, dan was hij gered. Maar hij heeft al gekeken. En nu valt hij.

 Gelukkig is er in de tekenfilmlogica altijd de ene boomtak die halverwege het ravijn uitsteekt. Zoals er achter elke waterval een grot verborgen zit en je krokodillen onschadelijk maakt door je leeggeschoten geweer rechtop in hun muil te zetten. Kuifje in Afrika doet het. Want Hergé dankte veel aan tekenfilm. Die zette tekenfilms stil op het juiste plaatje.

 Of de radio. In de GOON-show van Spike Milligan, Peter Sellers cs. zitten twee uitgehongerde schipb­reukelingen op een houtvlot in volle zee. Tot wij luisteraars het geluid van een helikopter horen. En zij ook: 'Hey, what's that?'

 'I guess it's a recording of a helicopter.'

 In animatie kan alles en dus speelt het maken mee in het verhaal, en kan ook de verteller zich met actie bemoeien. Het verst gaande voorbeeld dat bij Move on...! in Kunsthal Kade te zien is: La Linea van Luca Nichetto. De getekende lijn die een levend personage wordt dat zich voortdurend kan veranderen in werkelijk alles. Een permanente metamorfose waar Ovidius jaloers op zou zijn geweest. La Linea wordt van skyline tot boom tot meisje, tot ontmoeting.

 Dat is meer dan in literatuur ooit mogelijk zal zijn.    

Tags: 

Doodgaan en verder lopen in Kade

 Ogen tekort, dat is de slotsom waarmee ik vanmiddag de Amersfoortse Kunsthal Kade uit kwam. En eigenlijk meteen weer een nieuw rondje wilde maken. Immers, de unieke verzameling Nederlandse en Internationale teken- en animatiefilms draait maar door, je valt van La Linea of Loekie de STER-leeuw in een animatie van Orwells Animal Farm, Betty Boop  of Felix the Cat.

 Vanaf het magistrale begin met Gertie the Dinosaur, gedresseerd door haar tekenaar Winsor McKay (1914) kun je volgen wat er gebeurt als ‘alles kan’, want dat is de sleutel van animatie. Vaak komen de tekenaars zelf opeens het verhaal binnen, of op z’n minst hun tekenende pennen, en zie je het verhaal onder hun handen ontstaan. Totdat in feature films als Who framed Roger Rabbit acteur Bob Hoskins verdwaalt in een getekende wereld.

 En naast het historisch overzicht is er ook veel animatie van nu. Met als uitspringers de Iraanse Tala Madani, die ik nog kende van haar bekroning in Schiedam bij de Volkskrantprijs, met ook nu weer gruwelijke mannen uit het Midden-Oosten die niets anders doen dan mekaar doodslaan en – hakken. En de verbazende Jacco Olivier uit Zeeland, met zijn in olieverf geanimeerde Verdronken land van Saeftinge.

 Wat is toch het mirakel van animatiefilm? Waar komt die opluchting vandaan?  Het zit hem in het alle perken te buiten gaan. In de verhalen gebeurt het onverwachte, het onmogelijke, en bovenal houden ze zich aan geen enkele van de regels die in de kunst gelden. Je gaat dood en je loopt weer verder.

 Dus, vlug weer terug naar Amersfoort, naar Kade.

 

 

Spuitwater

 Het Nederlands en het Vlaams kruipen dichter naar elkaar toe. Morgen krijgen abonnees bij de krant De Standaard gratis het 'Gele Boekje met 1000 Belgisch‑Nederlandse woorden'.

 De Standaard woog 1000 woorden, samen met de Taalunie en de Taaltelefoon. Wat wel, wat niet, en waarom? Ik ben zeer benieuwd naar wat er in deze 'korf vol Belgisch­‑Nederlands' zit.

 Al vroeg belandde ik in het Antwerps dialect door tekenaar Willy Vandersteen. In zijn Suske (Francois) en Wiske heette de pop van Wiske (Louise) nog Schalulleke. In de Nederlandse versie werd dat eerst Schanulleke, later Schabolleke. En zo werd Lambik Lambiek (naar het frambozenbier Kriekenlambik) werd Jerom Jeroen en Sidonie Sidonia. Ik verzamelde Vlaamse edities en belandde in de geschiedenis van de taalstrijd. Stafkaarten waarop heel de provincie Antwerpen (Anvers) verfranste plaatsnamen droeg.

 Verdiepte me bij m'n bezoeken in de hoffelijkheid, het aanspreken met 'u'. Wat toch weer afgeleid moest zijn van 'vous'. Vlaamse wendingen waren voor Nederlanders grappig. Elke kaaskop wist dat neuken poepen was. Vlamingen waren boeren.  Elsschot deed zijn uiterste best ABN te schrijven. En als de boeren opstandig werden marcheerden in de straten van Brussel Franstaligen onder spandoeken 'KEER NAAR UW DORP'.

 Toen kwam de kentering, Mart Smeets bracht ons Vlaamse wielrentaal. Zei u tegen de renners. Café en wielrennen, daar begon het mee. Pintjes, uitbaters en in een zetel naar de finish brengen. Kinderhoofdjes werden voorgoed kasseien. Op café gaan kwam erbij. En de literatuur volgde. Er zijn meer Vlaamse schrijvers en dichters in Nederland dan ooit, goddank, al blijven de uitgevers Nederlands.

 Maar Bart de Wever overdrijft. Straks gaat dat België waar ik zo aan verknocht ben nog teloor. Dus: 'inkom' is beter dan entree. 'Vooraleer' muzikaler dan voordat. 'Telkens ik achterom keek' mooier dan telkens als ik achterom keek. En 'droogkuis' hoor ik liever dan stomerij.

 Zo, en nu een 'spuitwater' bij mijn filterkoffie en zeker en vast geen Spa rood.

 

Bande de filles

 De film Girlhood laat vier meisjes zien in de Parijse banlieu. Erkend probleemgebied. Een trieste film, maar om andere redenen dan je zou vermoeden. Een gouden kooi. Zo had ik de banlieu nooit gezien.

 Keurige, tamelijk luxe flats. Een opgeruimde omgeving. Aan de architecten en de leerkrachten ligt het niet. Ze hebben alles, die meiden, lijkt het, maar wie zijn ze? Wie willen ze zijn?

 Schoonmaakster, jong trouwen en ongehuwd moeder worden, in de misdaad, de drugs belanden of? Ja, op school je best doen. Maar dat is stom. Dat willen of kunnen ze geen van allen. En dus weigert Marieme ook een vakopleiding. En eindigt waarschijnlijk net als haar moeder. Als schoonmaakster.

 Er zit pijnlijk weinig aardigheid in deze banlieu. Vriendschap lijkt ook onder de meiden niet voor te komen. Vaders zijn als regel afwezig.

 Zijn ze slachtoffers? Maar waarvan dan? Ze worden kortgehouden door hun broers. Krijgen te maken met criminelen uit de buurt. Maar daar zou aan te ontkomen zijn.

 De film van Celine Sciamma laat je het raadsel van de banlieu zien. Doodgelopen mensen, levend in een vreemde luxe armoede. Even later zie je op het nieuws verre verwanten in gammele bootjes hun leven wagen om uit Afrika weg te komen. Wat laten ze daar achter?

Jerofejev

 Veel portretten van schrijvers in het Haags Gemeen­temuseum bij Emo Verkerks 'Graag of niet'. Een zaal apart voor zijn Russische held Venedikt Jerofejev (1938-1980), bekend van zijn ode aan de drank 'Moskou op sterk water' (1969, het verslag van een 'meerdaags delirium'.

 Drank, hoe er aan te komen. Hoe te leven met de effecten. Het liegen en draaien. De psychologie van de dronkaard reikt niet verder dan van hier naar het volgende glas. En als dat er door onvoorziene omstandigheden niet staat, naar de volgende openingstijd. Het voorafgaande, de katers, het ziek zijn is vergeten. Jerofejev legt het uit, heel het boek is een alleenspraak, een betoog in trance.

 De ergste tijden van de dag blijken die tussen het sluiten van de cafes en het openen van de stationsrestauratie in de ochtend, in de hoop dat daar wat te krijgen is. Maar nee, zelfs geen sherry. Wel gebakken uier.

 Waarom is iedereen toch zo onbeleefd tegen hem, zo gaat zijn alleenspraak. Waarin de engelen van de drank hem soms bemoedigend toezingen. Tot ook die hem in de steek laten. Dan vertrekt eindelijk de trein naar Petoesjki. En daar is drank aan boord.

 Emo heeft er een schilderij aan gewijd.

 Heel mooi is ook het alcoholistenperspectief. Dat overal drank ziet. Ga maar na: Gogol schreef dode zielen natuurlijk in benevelde toestand, Moesorgski lag straalbezopen in de goot en componeerde in een roes, Koeprin en Maksim Gorki 'waren hun hele leven ladderzat'. En Tsjechov? Jerofejev schrijft:

 'Wat waren Anton Tsjechovs laatste woorden? Weet u 't nog? Hij zei "Ich sterbe," dat wil zeggen "ik ga dood". En daarna zei hij nog: "Schenk me champagne in." En toen ging hij pas dood.'

Leo Gestel

 Leo Gestel is de minst bekende en tegelijk de raadselachtigste van de Nederlandse avant-gardisten van rond 1900. Hij kon lijkende gezichten tekenen, ze overtuigend in olieverf doen met enkel maar een neus en een mond, ogen en meer niet. In pastelkrijt was ie minstens zo goed.

 Vanmiddag werd ik in Singer in Laren overdonderd door het grote overzicht van zijn werk. Internationaal georiënteerd al in die vroege jaren.

 Gestel deed alles. In materiaal en in stijl. Het ene jaar was ie kubist, dan fauvist, het volgende pointillist. Hij keerde de boel om, stijl was bij hem een middel. Dat zie je aan zijn Staande vrouw uit 1913. Hij gebru­ikt het kubistisch idioom, maar anders dan de Parijzenaars.

 Op zijn manier. De eerste knockout in Singer is deze Staande vrouw. Zoiets ken ik van geen Parijzenaar uit die jaren. De figuur valt niet uiteen in vlakken en lijnen, integendeel, er komt een vrouw op je af. Ze daagt je uit. Verbazend hoe Gestel beweging maakt in kubistische vorm. Haar gedraaide bovenlichaam, haar jurk, alles zwiert. Hooguit kom je na Picasso in de buurt van de wielrenners van Robert Delaunay.

 Gestel verkende in de avant‑garde jaren alle nieuwe stijlen en technieken. Was hij Luminist? Pointillist? Kubist? Hij reisde en pikte rusteloos wat hij kon gebruiken.

 En zo spotte hij met de heilige wetten van de herkenbaarheid van het kunstenaarschap. Door zijn veelzijdigheid werd hij nooit 'iconisch' en zo beroemd als Mondriaan of Van Dongen. Maar wat een ambitie, wat een werkdrift.

 Samen met vriend Jan Sluijters zette hij in Amsterdam wel de boel op stelten. Hun fauvistische naakten werden in 1911 van een internationale tentoonstelling van modernen in het Stedelijk als onzedelijk verwijderd. Toch raakten ze uiteen, Sluijters belandde bij familietafreeltjes met veel kinderen en Leo Gestel die hem dat kwalijk nam hield niet op met experimenteren.

 Er is veel onbekend werk uit particuliere collecties, en een mooie catalogus. Ga het zien. 

Moi

 Op het dorp liepen langs de karresporen smalle, platgereden fietspaden. Ik fietste er op een zaterdagmiddag in lome hitte. Uit een boerderijtje klonk een trombone, die zijn partij oefende voor de uitvoering van de dorpsharmonie in de muziektent, de volgende dag. Verderop hoorde je een eenzame klarinet.

 De fietspaadjes reden ongekend soepel. De bodem veerde onder je banden. Probleem was als iemand je tegemoet kwam, een van de twee - de jongste - moest dan ruimte maken, door uit te wijken naar het mulle karrespoor.

 Daarbij werd de dorpsgroet uitgewisseld. In Eerbeek het binnensmondse 'moi'. Het was immers uitgesloten dat je iemand tegenkwam die je niet kende.

'Moi'.

 Daaraan denk ik als ik de mail-begroetingen van nu lees, meestal 'hoi'. Met je naam erbij. Hoi Wim.

 Als je bent opgegroeid met 'Beste Wim', blijft het kleutertaal. Er zijn er die variëren met 'ha', 'hai' of 'hallo' maar dat helpt niet, het blijft schoolplein. Er zijn kennelijk mensen die dat ook zo aanvoelen en kiezen voor het geheel weglaten van de aanhef. Ik acht ze hoog. 

 Je hebt er ook die kiezen voor 'Dag' en dan je naam. Wat me daarin tegenstaat is de toon van een leerkracht. Een dagzegger plaatst zich voor mijn gevoel boven degeen die hij begroet. Het mooiste is een 'Lieve' worden. Dan opent zich een wereld, waaruit geen terug mogelijk is. 

 Intussen is 'Beste' vrijwel verdwenen. Net als wat daaraan voorafging, 'Geachte Heer'. Toch hou ik het op 'Beste'. Maar waarin verschilt een mail nu eigenlijk van een briefje? In niet veel meer, denk ik, dan de snelheid van verzenden.

 'Moi'. Het kostte me moeite eraan te wennen. In Zutfen, waar ik vandaan kwam, groette je niemand behalve de buren.

 Internet is een dorp.

Pagina's