De Kartuize van Parma (1)

 Juist sloeg ik na ruim 500 pagina's het laatste boek van Stendhal dat ik nog niet kende dicht. En nu blaas ik uit. Een van de wonderlijkste romans die ik ooit las. Waarom?

 Wat Stendhal kort voor zijn dood dicteerde is een roman over een roman. Die zich afspeelt in een land dat een parodie is op een land - de Italiaanse stadstaat Parma in de Povlakte. Zijn personages gaan bovenal over een ding, het verschijnsel personage. Liefde bezielt ze, zeker, maar met precies die zelfde dubbele bodems.

 Ik bleef lezen, eerst zonder te begrijpen waarom. Wat een tournures en strijkages aan dat hof! Tot ik doorkreeg dat puur schrijf- en leesplezier Stendhal en mij voortdreef. Het boek ging niet waarover het zei te gaan. Het ging over schijven en over mensengedrag.

 Stendhal heeft als Fransman de versteende Italiaanse hofcultuur van 1838 - na Napoleon ijlings hersteld in zijn eeuwenoude vormelijkheden - aangegrepen voor een satire op sociaal gedrag rond machthebbers. Machiavelli indachtig. Daarbij inbegrepen de hypocriete rol die vanouds de religie erin speelt.

 Hoofdfiguur Fabrizio leert na een mislukte deelname aan de - oerkomisch beschreven - Slag bij Waterloo - niet voor niets voor kerkelijk functionaris.

 Nu even laten bezinken dit. 

Houten vrouwen

 Vandaag naar Maastricht gereden om de houten vrouwen te zien. Buiten blikkerde de Maas, op de eerste verdieping van het Bonnefanten museum stonden ze te wachten.

 Houtgesneden, vaak beschilderde vrouwen - heiligen, Maria's, vooral Maria Magdalena's - zijn me een obsessie. De mooiste dateren van rond 1500. In de periode ervoor zie je het vakmanschap van de houtsnijders groeien. In de tijd erna treedt vervlakking op. Alsof de snijders het bezielde contact met hun vrouwen verliezen.

 Het kan niet anders of rond 1500 geloofden ze in wat ze maakten. Het lijkt wel of een eeuw later alle overtuiging uit de houdingen en gezichten is geweken. Je moet geloven in Maria, in Magdalena, in Catharina van Siena, je moet opgaan in hun verhalen om ze zo te kunnen snijden.

 Christus staat er wat verloren tussen. Toch bepaalt hij de gelaatsuitdrukkingen van de vrouwen. Zijn moeder is op haar best als ze hem dood en wel op schoot neemt. Als jonge moeder met kind is ze me vaak te zoetelijk of te zelfvoldaan.

 Zijn minnares Magdalena is de smartelijkste, aan de voet van het kruis waaraan haar minnaar hangt.

 Je moet geloven in het geloof van de gelovigen die in de kerken voor ze knielden. Wat ze maakten is nooit meer overtroffen. Waarom juist uit die tijd - ook de tijd van de mooiste vrouwenportretten in de schilderkunst? Ik vrees dat succes de houtsnijkunst om zeep heeft gebracht, dat de vele opdrachten van de geestelijken leiden tot maakwerk.

 En toen in 1517 Luther zijn stellingen opspijkerde, de beeldenstormen volgden en daarna de contrareformatie werk in Jezuïtische propagandastijl opdroeg was het voorbij met de houten vrouwen.

Tags: 

Belle van Zuylen schrijft

 In het werk van Emo Verkerk duikt naast helden als Joseph Roth en Jerofejev ook Belle van Zuylen (1740-1805) op. Ik lees haar en begrijp wat tijdg­enoten als James Boswell en Benjamin Constant meemaakten. Ze was - in al haar bescheidenheid - intelligenter en geestiger dan zij.

 Intelligentie als handicap voor een vrouw. Ze kon onmogelijk trouwen. Ging met de mannen om die ze leuk vond. Een man die dat geen probleem vond en daarbij nog de goedkeuring van haar adellijke ouders kreeg was niet te vinden. De man van wie ze hield en met wie ze levenslang correspondeerde, Constant d'Hermenches, was achttien jaar ouder en getrouwd.

 Ze werd schrijfster, net als hij. Hun brieven - die ze had willen weggooien - bleven bewaard. Het begon zo, op 9 september 1762:

 'Je ziet dat ik wel erg blind zou moeten zijn of erg behaagziek om toe te stemmen in dit plan van een geregelde briefwisseling en een intieme omgang. Het spijt me, moet ik bekennen, dat ik af moet zien van de mooiste brieven die er bestaan en van het plezier openhartig te schrijven aan een man die mij zo goed begrijpt, bij wie niets verloren zou gaan. Jammer genoeg zijn er maar weinig dingen waarin ik genoegen schep, brieven als de jouwe zouden mij plezier doen, mij vleien, mij wat leren; de opoffering valt mij dus des te moeilijker, ze is zo groot dat ik er niet helemaal van overtuigd durf te zijn dat ik ertoe in staat ben; toch zal ik er mijn best voor doen, en om te beginnen geef ik je maar geen adres op waar je mij kunt antwoorden.'

 'Het doet mij genoegen dat je ingenomen bent met mijn stijl en mijn verzen, er zal wel iets waars zitten in je loftuitingen. Wat je zegt over de pretentie om geestig te zijn is heel juist, ik zal het zoveel mogelijk ter harte nemen. Eigenlijk is het geen bewuste pretentie: als ik mij amuseer zeg ik zomaar wat door mijn hoofd gaat, dat is niet altijd op zijn plaats. Als ik mij verveel ben ik helaas zo oprecht te geeuwen en in te slapen, dat kwetst en irriteert. Er wordt gezegd dat ik niet om een gewoon gesprek geef en dat ik mijn geest boven alles verheven acht. Men vindt het ook niet goed dat ik meer wil weten dan de meeste vrouwen; maar men weet niet dat ik, omdat ik veel last heb van een sombere melancholie, mij niet gezond voel, zelfs bijna niet leven kan, als ik niet voortdurend geestelijk bezig ben.'

 De melancholie..

Margriet en Erasmus

 Zijn de twee die ik na aankomst in Leuven altijd even ga begroeten. Het verkrachte en vermoorde barmeisje en de gemartelde prediker. In de Sint Pieter hangen hun beeltenissen.

 Het verhaal van 'fiere' Margriet werd in 1222 opgetekend. Een cafébaas uit de Leuvense Muntstraat stuurt zijn barmeisje Margriet om meer wijn als er een groep pelgrims aankomt. Maar die blijken boeven, en brengen iedereen om zeep. Ook Margriet, ondanks haar fier verzet. Haar lijk wordt in de Dijle gegooid. En dan volgt het wonder zonder hetwelk je niet heilig wordt: haar lichaam zinkt niet, vissen dragen het, zodat het boven water blijft. Omgeven door een merkwaardig licht drijft ze tegen de stroom in, terug naar de stad.

 Margriet heeft een kapel in de Sint Pieter, waar haar verhaal - in 1760 geschilderd - te zien is. Nog in 2013 werd een mooi bronzen beeld van haar - drijvend - aan de Dijle geplaatst.

 Een kapel verderop hangt het drieluik van Dirk Bouts (ca. 1458) met de marteldood van de Heilige Erasmus van Antiochië (ca. 240-303) naar wie onze humanist genoemd is. Een prediker uit de voorchristelijke tijd die stormen kon doen bedaren.

 Een 'ontdarming' heet dit, nauwkeurig staat beschreven hoe zijn darmen door twee man aan een katrol uit zijn lichaam worden gerold. Hij vertrekt geen spier, evenmin als de mannen die het doen. De IS kan nog wat van ons opsteken.

De films van Jean Desmet

 In situaties vallen. Halsoverkop. Zo moet film geweest zijn voor wie het voor het eerst zag. Bewegend beeld waar je zo in kon stappen. En dan terecht komen in een spel waarvan je de regels razendsnel moest leren om iets te begrijpen.

 In Eye wordt de verzameling vroege films vertoond van Jean Desmet, die van 1907 tot 1916 de allervroegste stomme films exploiteerde. De tijd dat film groeide van kermisattractie tot serieus drama. Je ziet op wel twintig schermen tegelijk geleidelijk bedacht worden hoe een film moet gaan.

 De bijbehorende affiches zijn er ook.

 Achtervolgingen. Politiemannen staan overal met hun neus bovenop en gaan de wegrennende boef meteen achterna. Op een volgend scherm slaat het drama toe. Een korte 'film in de film' is het Italiaanse 'Treurspel in bioscoop' uit 1913. Heel grappig. Over een jaloerse echtgenoot die zijn mooie vrouw die naar de bioscoop gaat niet vertrouwt. Hij dringt tot de directeur van het theater door en zegt dat hij zijn medeminnaar bij de uitgang zal opwachten met een pistool. Die laat de zaal ontruimen. En bij die uitgang komen kennelijk overspelige stelletjes bij bosjes in paniek naar buiten. Maar een medeminnaar is er niet. 

 De overacting, gecombineerd met tussentitels in tekst - een vak apart die te schrijven - je went er vrij vlug aan. Zo maken de acteurs toch geluid. Mij bevalt dat, zoals ik van moderne films hou waarin weinig wordt gezegd.

 Geweld, jaloezie, groot verdriet en woede zo plotseling en explosief laten zien lijkt een afspraak tussen makers en publiek.

 Een meesterstukje is ook het optreden van het als man verklede meisje Filibus, dat als een vrouwelijke Superman per luchtschip misdaden komt oplossen (1915). Maar dat is al bijna van nu.

 Een mooie middag was dat, in Eye. Met het filmspel van alle tijden: Wie is hij? Wie is zij? Wat is er gebeurd? Wat gaan ze nu doen? De onvoorspelbaarheden van toen.  

Emo Verkerk en Belle van Zuylen

 De schilder van nu ziet de schrijfster die leefde van 1740-1805. En valt voor haar. Wat er al niet omgaat in de boekenkast van Emo Verkerk.

 In de Amsterdamse galerie Willem Baars trof ik een net voltooide serie portretten van Belle van Zuylen. Welkom naschrift bij zijn grote Graag of niet-show in het Haags Gemeentemuseum. Lezen betekent bij Emo Verkerk het je letterlijk eigen maken van een schrijver - hier schrijfster. Met alle middelen, waaronder de schilderkunst. Noem het verliefdheid: Emo omvat, omhelst Belle. Ik herken het. Een omslagfoto kan bepalend zijn, de geur van een boek of de bladspiegel.

 En dan. Belle van Zuylen schrijft. Een brief, in 1768:

 'Mijn zinnen zijn net als mijn hart en mijn geest begerig naar genot, gretig naar de felste en de verfijndste indrukken. Niet een van de dingen die ik zie, geen klank, gaat voorbij zonder mij een gevoel van geluk of leed te verschaffen, de lichtste geur doet mij aangenaam aan of maakt mij misselijk; de lucht die ik inadem, wat zachter, wat fijner, beïnvloedt mij met alle variaties die zij zelf inhoudt. Oordeel nu over de rest, over mijn verlangens en over mijn afkeer. Als ik geen vader of moeder had, zou ik misschien Ninon (De Lenclos, de courtisane, W.) zijn, alleen subtieler en standvastiger; ik zou niet zoveel minnaars hebben: als de eerste aardig was geweest, geloof ik niet dat ik zou zijn veranderd en in dat geval weet ik niet of ik zo erg‑schuldig was geweest; ik zou tenminste door mijn deugdzaamheid het kwaad hebben kunnen herstellen dat ik de maatschappij had aangedaan door het juk af te werpen van een wijselijk ingestelde regel. Maar ik heb een vader en een moeder, ik wil ze niet in het graf helpen of hun leven vergallen...'.

 En dan overkomt Emo wat een verliefde gebeurt, hij ziet haar overal. De titels van zijn portretten getuigen van een wervelwind aan associaties. Belle te paard op een Amsterdamse gracht, in Scheveningen aan zee, klavecimbel spelend in een salon. Altijd prachtig gekleed. Zelfs Johan Huizinga leest haar. Belle bestijgt een keukentrapje in de sneeuw. Wat een mooie, rossige vrouw, met dat altoos opgestoken haar.

 Emo Verkerk leesschildert haar.

Coming Home

 Over psychische schade, opgelopen onder totalitaire regimes is nog weinig bekend. Coming Home van Zhang Yimou gaat over één geval.

 Overleven betekent je aanpassen. Soms aan bizarre omstandigheden zoals tijdens de Culturele Revolutie in China. Mensen zijn er griezelig goed in.

 De film laat een - uiteraard strikt in de leer - meisje van dertien zien dat haar vader aangeeft omdat hij intellectueel is. Waarna ze hem uit alle familiefoto's wegknipt. Als de partij hem dan voor tien jaar naar een werkkamp stuurt bestaat hij ook in de ogen van zijn partijgelovige echtgenote letterlijk niet meer. Een terugkeer wordt onvoorstelbaar. 

 Hij ontsnapt een keer, komt naar huis, een tragische gebeurtenis die moeder en dochter - ze zien hem maar even - niet kunnen verwerken. Zoals blijkt als hij tenslotte echt terugkeert. 

 Wat dan volgt is een Oliver Sachs-achtig psychodrama. De vrouw (Gong Li) is letterlijk vergeten hoe haar man eruit ziet. Ze herkent hem niet. Wel bezit ze een brief van hem waarin staat dat hij op de vijfde zal terugkeren. Alleen vermeldt de brief niet van welke maand of jaar.

 Wat dan gebeurt - ik onthul toch maar - is de kern van dit meesterstuk: de man realiseert zich dat zijn vrouw in een andere wereld terecht is gekomen en hij past zich aan die wereld aan. Gelukkig bezit hij de brieven die hij haar al die jaren uit het kamp schreef. En slaagt hij erin haar vertrouwen te winnen, niet als zichzelf maar als 'voorlezer' - ze is bijziende - van zijn eigen brieven.

 Als een vreemd, maar niet ongelukkig 'echtpaar' zien we ze elke vijfde van de maand naar het station gaan. Zij om de man af te halen die naast haar staat. 

De bunkers van Lascaux

 Het betreden van een onderaardse ruimte, met flambouwen, stap voor stap binnen de lichtkring om je heen, geeft een oersensatie. Haagse jongetjes als mijn vriendjes en ik bleven binnendringen in de resten van de Atlantikwall.

 De akoestiek is er gedempt, je fluistert tot je plotseling schre­euwt. Al vlug merkten we dat de muren beschilderd waren met houtskool. Jongensporno. We gingen de ondergrondse ruimten namen geven. Je had 'het kapelletje', de 'grote drup' waar duinwater door het betonrot eeuwig omlaagsijpelde. Andere bunkers droegen de namen van de Duitse signaalletters op de muren: de 'zwarte K' of de 'Rode F', waarvan ik nog maar kortgeleden leerde dat F stond voor Feuerwehr.

 In het Brusselse Jubelparkmuseum zag ik gisteren gedeelten van de grotten van Lascaux, die daar zijn nagebouwd. De grot zelf - in 1940 ontdekt - is beschermd, daar mag niemand meer in. Onmiddellijk kwam de magie van het ondergrondse terug.

 De Cro-Magnon mensen vonden 18.000 jaar geleden een grot die zeer geschikt was voor een tempel. Dat begon met een voorportaal, de Hal der Stieren, die ze met koolstof schilderden. En dan kom je in een galerij waar vele diersoorten langs de wanden staan afgebeeld, een gedrang van paarden, koeien, rode bisons, herten. De dieren stijgen in een soort werveling langs de muren omhoog tot boven je hoofd, in zwart, bruin, rood, geel.

 Zo oud zijn dus plafondschilderin­gen. Het effect was net als in de bunkers van mijn jeugd: ademloosheid, gevolgd door overdonderend dierentumult en tenslotte toegang tot waar de tempel voor was. Het heiligste. Wat het ook was.

 Er valt wat te zeggen voor ondergrondse kerken.    

Tags: 

De vrouwen van Paul Delvaux

 Volgens de catalogus bij Paul Delvaux Onthuld in Elsene had hij een moeder die hem voor vrouwen waarschuwde. Kwaadaardig en bezitterig waren ze en ze verspreidden ziekten. Wat bedoeld was om angst aan te jagen leidde ook hier tot fascinatie. Paul Delvaux werd op zijn geheel eigen manier een vrouwenzot.

 Die manier is in Elsene goed te volgen. Een hoofd vol vrouwen, rondwarend door tempels uit de oudheid, het griezelmuseum Spitzner, waar eigenaardige ziekten verzameld werden – hij woonde er als jongen vlakbij, niet ver van het Brusselse Zuidstation – of kerken. Wat ik van jongsaf met hem deel is het zien van stations als sacrale ruimten. Bestemd voor rituelen van komen en gaan, voornamelijk bestaand uit wachten. Waarbij men – het meisje - in de innerlijke verte staart.

 Soms lopen zijn vrouwen niet alleen om ons heen over straat maar is ook de lucht boven ons hoofd in plaats van met wolken, gevuld met rondzwevende vrouwen in gewaden. Hoofd in de wolken wordt bij Delvaux hoofd in de vrouwen.  

 Paul Delvaux schept uit wat zijn jeugd hem naliet – van Jules Verne tot smeedijzeren overkappingen, van palen vol fallische porseleinen isolatoren van telefoondraden tot Brusselse straatjes bij lamplicht.

 Zijn vrouwen gaan in het wit. Zoals de klassieke beelden die hij leerde kennen, zoals de tempelzuilen. Dat die laatste oorspronkelijk kleurig beschilderd waren deert hem niet. Er worden door zijn vrouwen veel jurken gepast, altijd witte – en lang niet altijd bruidsjurken.

 In Elsene leerde ik hoezeer Delvaux verwant is met zijn twee grote landgenoten James Ensor en Rene Magritte. Wat ze gemeen hebben is wat België heet.      

Tags: 

Paul Delvaux in Elsene

 Weerzien met Paul Delvaux (1897-1994) in het Museum van de Brusselse voorstad Elsene. Delvaux, vrouwenschilder. Dat, en dat alleen. Er is veel uit St. Idesbald waar zijn eigen museum staat, ook uit de grote musea, maar vooral veel mij onbekends uit particuliere verzamelingen.   

 Portretten deed hij zelden. Zijn vrouwen kijken weleens in de spiegel, je zou zeggen om zichzelf te zien, maar kijken is het eigenlijk niet. Hun blik is naar binnen gericht. Ze bestaan op een heel eigen manier waar je als man misschien wel een rol in speelt. Je zult alleen nooit weten welke.

 De decors waarin Delvaux ze laat zien zijn die van zijn jeugd, spoortreinen, de Griekse tempels die hij overhield van het gymnasium. En van daarna de gelegenheden waarbij vrouwen zich aan elkaar laten zien: salons.

 Vrouwen die elkaar ontmoeten als wat heet vriendinnen, zijn een groot thema in Elsene. Maar wat ze van en in elkaar zien weet je niet. De man is en blijft toeschouwer, zodat de oplossing voor de hand ligt: hij kan maar beter schilder, vrouwenschilder worden.

 Delvaux' onwerkelijkheid kent vijf soorten licht, vaak naast elkaar. Van maanlicht tot petroleum en kaars, tot gaslampen en electra van straatverlichting. Wat hebben treinen en vrouwen met elkaar te maken?

 Zijn treinen, de stations lijken uitwegen. Zo goed als zijn tempels een verleden aanbieden. Maar waarheen en waar? Met welk doel? We zullen het nooit weten. Al Delvaux’ personages zijn in gedachten. En dat is het.

 

Tags: 

Pagina's