Vlooienmarktkunst

 Hans Heesen - weldra komt in Utrecht weer zijn jaarlijkse marathonvoor­lezing door 101 stemmen van Gorters Mei – bedacht het Museum voor Ongesigneerde en Vlooienmarktkunst.

 Ik vroeg of ik mee kon doen. Dat kon. Van mijn aangetrouwde Antwerpse tante erfde ik dit A4-grote schilderijtje waar ik alle keren dat ik bij haar op visite was uit mijn ooghoek naar keek. Het hing naast de schoorsteen, in de Paradijsstraat, hoek Kattenstraat waar W.G.Sebald in Austerlitz nog langs loopt. Ik moest me er telkens voor omkeren, dat had ze wel gemerkt. Toen haar testament geopend werd bleek het voor mij.

 Nu kijk ik er vrijwel dagelijks naar. Het ziet er steeds anders uit. Bij elke lichtinval, zomer en winter, overdag of 's avonds, bij dag- of lamplicht. Het is in olieverf op doek, geplakt op hout, niet gesigneerd. Wat ik passend vind. Een signatuur of zelfs initialen hadden een schilder in huis gehaald, met al zijn wanhoop. Nu is het van iedereen, als een stenen aapje hoog op een kathedraal, waar toch niemand het ziet, puur voor het plezier van de steenhouwer.

 Een landschap. Zo klein als het paneel is, zo weids is het van blik en opzet. In weinige verfstreken spot het met afmetingen en met de tijd.

 Het is ouder dan ik ben en zal me ook overleven.

 Hoe nu verder met dit project van Hans Heesen? Ik vroeg rond, er werd me al wat in het vooruitzicht gesteld door een veilingbezoekster die ook houdt van anoniemen. 

Angst

 Goddank de Boekenweek is voorbij en daarmee het schaam­teloze thema Waanzin. Ik voorspel voor volgend jaar 'Kanker'. Over de geestesziekten die de afgelopen week onder dat hoofdje werden samenge­veegd is niemand veel wijzer geworden. Gekken blijven op z'n best curiosa, in de literatuur zo goed als daarbuiten. Lees 'Waanzin in de wereldliteratuur' van Pieter Steinz en je weet weer: als het te erg wordt maakt iemand als Jan Arends of Virginia Woolf zich van kant. 

 Maarten Biesheuvel die kon overbrengen wat een angstaanval werkelijk is noemde zich niet voor niets 'de ambassadeur van de angst'.

 Waanzin in al z'n verschijningsvormen is niet te begrijpen voor wie 'nooit nergens last van heeft'. 'Maar waar ben je dan bang voor?' 

 Boekenweek organisator CPNB kan zich met recht de exploitant van de waanzin noemen. Al in de jaren '60 werd daarvoor de gruwelijke modeterm 'prettig gestoord' uitgevonden. 

 De naam van de manisch-depressieve schrijver A.Moonen (1938-2007), die ik goed kende, viel nergens. Hier dan: eens liepen we in een zwoele zomernacht over een brug over de Keizersgracht. Moonen had de geest. Hij wees op de sterrenhemel en zei 'Stel je nou voor, beste Noordhoek, dat daar opeens allemaal kutten uit naar beneden kwamen vallen... Dat zou toch mooi zijn he.' Waarna hij haastig toevoegde 'Ja, zonder wijven eraan natuurlijk.'

 In die ene opmerking zat het, denk ik. Zijn helderheid, zijn intelligentie, zijn zelfspot, maar meteen ook de bron van alle misverstanden rond A.Moonen. Wat hij schreef ging over alles wat hem overkwam, zonder onderscheid. Het voeren van zijn katten of geluidshinder was net zo belangrijk als zijn bezoeken aan de 'publieke hoeren' of zijn zeer lijflijke liefdesges­chiedenis zonder eind met de Koerd Hikmet - tegelijk vader van een gezin.

 Na een voorleessessie vroeg een toehoorder Moonen eens of ie nooit moe van zichzelf werd. 'Nou,' zei Moonen, 'je hebt de dag en je hebt de nacht. Maar als er nou nóg zoiets bestond, dan zou ik wel erg moe worden.' 

 Hij was manisch depressief, niemand die dat beter wist dan hijzelf. Eens had ik per ongeluk Maarten Biesheuvel en A.Moonen voor dezelfde radio-uitzending in Eik & Linde gevraagd, niet wetend dat ze elkaar kenden, omdat ze tezelfdertijd in Endegeest hadden gezeten. Ontzet klampte Maarten me bij binnenkomst aan. 'Die man,' zei hij, geschrokken wijzend op Moonen, 'die man, die is gek.'

 De lach als uitweg uit de angst. Niemand die dat beter weet dan Maarten Biesheuvel. Met zijn - in doodsnood: 'Waarom hebben kippen geen gebitje?'

Kermis

 Een stralende zomerse zondag in Zutphen. Bertjes ouders waren uit, zodat we alleen in de tuin en het aanliggend souterrain van zijn ouderlijk huis speelden. We verveelden ons zoals jongens van vijf zich vervelen. Totdat Bertje een idee kreeg: we maken een kermis.

 Dat kwam, we waren de dag tevoren met zijn vader naar de Zutphense kermis geweest en hadden onze ogen uitgekeken. Er stond in dat souterrain van alles, kratten, kis­ten, flessen, Bertjes vader was drankhandelaar. Nu begonnen we in de tuin attracties op te bouwen. Met de tennisballen van zijn vader moest het publiek torens van flessen omvergooien. Zaklopen was makkelijk, zakken geno­eg. En natuurlijk zouden we limonade verkopen.

 De kermis was klaar, de mensen konden komen. Maar hoe moesten we ze waarschuwen dat de kermis begonnen was? In het souterrain vonden we een grote koperen bel. Die hingen we buiten aan de waslijn en daarmee begonnen we de kermisbel te luiden. Hij weerklonk door heel het stille huizenblok. Maar wat we ook belden, geen publiek.

 'Gewoon doorbellen', zei Bertje, 'dan komen ze wel'.

 Na een hele tijd keek een meneer over de schutting en tenslotte kwam de buurvrouw vragen wat er aan de hand was. 'Het is voor de kermis', zei Bertje.

 Toen we een eeuwigheid onze kermisbel hadden geluid kwam Bertjes moeder met een rood hoofd aangerend. Wat we ook zeiden, het was haar niet uit te leggen. Bertje werd met een draai om zijn oren naar bed gestuurd en ik naar huis.

 Dit verhaal kwam bij me boven door het fotoboek 'Van de reis' over 'de kermis, het circus en de mensen' van Jac Weerts, met verhalen van oa. Arnon Grunberg. Wat kermis kon zijn leerde ik later in De Haag, waar een man in pantervel met ontbloot bovenlijf voor zijn tent aankondigde: 'Het wonder van Dendermonde, het meisje zonder hoofd'.

 Ik heb dat meisje gezien. 

De Mahdi komt

 Of het nu voor de Oekraïne is, voor de Islamitische Staat of voor Feyenoord. Ik zie weinig verschil tussen jihadisten, hoolig­a­n­s, ultra-orthodoxen of separatisten.

 Veel bloedvergieten en verwoesting wordt sinds mensenheugenis aangericht door jongens van grofweg tussen de twintig en de dertig jaar oud - maar toenemend ook door jongere en meis­jes. Wat ze gemeen hebben is jeugd en de bereidheid - met het groot­ste gemak - hun leven te geven voor de goede zaak.

 Wie daar ideologie achter zoekt is niet goed wijs. Tenzij testosteron een ideologie is. Denk ook niet dat het van armoede komt, vaak zijn ze van goede komaf, zoals Osama Bin Laden en de kinderen van de Rote Arme Fraction en de Brigate Rosse. Jihadisten komen uit het rijke Westen. Al heeft televisie veel bijgedragen aan wereldwijde afgunst. Wie in het rauwe hoogland naar CNN kijkt ziet koelkasten en motorfietsen.

 Ik herlees Dostojewski’s Boze Geesten. 

 Het zal blijven gebeuren. Rond 1870 veroverde een Moslim-geestelijke genaamd Mohammed Ahmad, die zichzelf tot Mahdi had uitgeroepen met zijn radicaal-islamitische troepen de Soedan. De Mahdi is de Islamitische pendant van de Messias, de verlosser.

 Het duurde tot 1898 voor Lord Kitchener de om hun wreedheden beruchte Mahdisten versloeg. En het lijkt me een kwestie van tijd voor in het Kalifaat van IS een nieuwe Mahdi opstaat. 

Blues

 De meidagen naderen, het verleden loeit aan. Vanmorgen beloofde ik te zullen opschrijven wat ik meemaakte met Tina Turner en Janis Joplin. Maar de eerste aan wie ik in het muziekverleden dacht was Mr. Martin.

 Martin van Olderen, de politieman die 's nachts bluesartiesten bij elkaar belde voor zijn jaarlijkse festivals in de Meervaart. Harry Muskee presenteerde, ik maakte radio.

 De bluesmannen voor wie Europa een vreemd continent was. Zong niet Sonny Boy 'I've been all over the world, to the Gulf of Mexico'. Een wereld die ophoudt bij de Golf van Mexico. Mr. Martin van de Nederlandse Blues en Boogie Organisatie was hun toeverlaat. Niet dat hij van blues hield, hij hield van snelle Boogie Woogie op de piano.

 Ze kwamen uit de States, uitgedost in feestpakken bedoeld voor dansende menigten en troffen zwijgende, devoot applaudisserende studenten in truien die op de vloeren bleven zitten. 'They'd rather sit down and listen than get op and dance,' zei Muddy Waters. Je voelde je niet goed, je had de blues.

 Verhalen. Big Joe Williams die zelf een negensnarige gitaar had geknutseld kwam volgens een van de sterke verhalen van Martin met kiespijn aan in Groningen. Mr. Martin vond, zei hij zelf, in het weekend een tandarts. Toen die Joe's mond had geopend zei hij: 'Maar die man heeft een kunstgebit.' Het werd gelijmd. Toen het weer zat moest Big Joe toch echt wat eten. Wat? Chicken. Zo zaten ze in een snackbar. Joe met een hele gebraden kip voor z'n neus. Toen Martin even niet oplette was het bord schoon leeg. Met botten en al had Joe de kip opgegeten. Dat was hij zo gewend. 'En toen naar de hoeren,' zei Martin me, 'hij wou alleen de dikste.' Wat er van Martins verhalen klopte wist je nooit. Volgens blueskenner Guido van RIjn, die Martin meemaakte, zijn dit broodje aap-verhalen.

 Vanavond opent de tentoonstelling van fotograaf Cor Jaring waarvoor ik de audiotour insprak. Maar liever nog had ik dat gedaan voor de grofkorrelige jaren '60-schatten van Lon van Keulen, die nog op de plank liggen. Hippies en blues in duizendvoud. Het verleden is niet meer te stoppen.

Leuk

 Een man bestelt een glas bier en een broodje garnalen. Daarna krijgt hij een hartaanval en valt neer. Dit aan boord van een schip. Wat te doen? De bemanning buigt zich over hem. Hij is dood. De vrouw achter de bar vraagt aan de omstanders 'Wil iemand een gratis glas bier of een broodje, het is al betaald?'

 Dit alles met de Buster Keaton-achtige stalen ernst die A pigeon sat on a branch reflecting on existence, de bekroonde film van Roy Andersson, kenmerkt. De slapstick is tergend langzaam. Grappig? Als een omstander dan wel het glas bier komt halen maar het broodje laat staan? Ja, Gerard Reve zou zeggen 'Het is het idee'.

 Wat is grappig? Wat te ver voorbij de grap? Dat de dragende rollen twee treurmannen zijn die vergeefs feestartikelen proberen te verkopen is mij te on-grappig. Jiskefets Dierenwinkel was beter. Maar als de een zegt dat hij tegen de dood opziet omdat hij dan zijn ouders in de hemel moet terugzien, lach ik.

 Heel de film speelt in een soort hiernamaals of beter een voorgeborchte, waar alles op niets uitloopt. Een afspraak in een café blijkt op de verkeerde dag. Het mobieltje zegt 'er zijn geen boodschappen voor u'. De aankleding en grime zijn passend levenloos, kleurloos, ontzield. Wat je hoort van telefoongesprekken is steeds de zin 'Fijn te horen dat het goed met jullie gaat.'

 Op de bushalte denkt iemand dat het donderdag is, maar nee het is woensdag, giste­ren was het dinsdag en morgen donderdag. Nee, dat kun je nergens aan voelen. Het script is zorgvuldig ontdaan van een verhaal of geloofwaardige karakters. 

 Er werd in de zaal nauwelijks gelachen. Er vertrokken wat toeschouwers. zonder te beseffen dat hun vertrek perfect paste in de film. De sleutel zit al in het begin, waar de dood in drie scenes binnenkomt. Een oud moedertje in een ziekenhuisbed wil haar tas meenemen naar de hemel. Haar kinderen proberen haar de tas te ontrukken. Vergeefs. Ze moet en zal met die tas haar kist in.

 En dan heb ik de al te flauwe scenes weggelaten. En ben niet ingegaan op de o zo grappig bedoelde titel.

De boze tuinman

 De tuin van Harry ter Balkt (1938-2015) zag ik in september 2005 toen ik hem opzocht in de Nijmeegse Cimbaalstraat, waar hij woonde, voor een opname op zijn 'Werkplek. Hij had sinds 1984 al vele malen opgetreden in onze Music-Hall en andere radioprogramma's. Ik kende hem zo'n beetje.

 Ik was te vroeg en liep nog wat rond door het naoorlogse nieuwbouw­wijkje met de vreemde straatnamen. Hij woonde in de Cimbaalstraat, verderop had je de Banjostraat, de Aubadestraat, de Fanfarestraat, de Gitaarstraat.

 Eenmaal in huis bij hem en Willemien keek ik naar de tuin. Een lege, donkere tuin op het Noor­den. Niet groot. Van Harry's vriend Frank Koenegracht hoorde ik het verhaal van deze tuin.

 Eens had Harry geprobeerd er wat van de maken. Iets te poten, te zaaien. Maar wat hij ook probeerde, het verdorde en er kwam niets op. En dat voor een jongen van het land. Hij was boos op de tuin, ver­telde Frank. En schreef er dit gedicht over, dat in 1994 verscheen in zijn bundel 'Zwaluwstaartjes'. Mooier portret van Harry ter Balkt ken ik niet:

 

 Tuinman boos op tuin

 

Als de dingen volgens u waren, tuin

dan waren ze volgens u.

 

Maar als de dingen volgens ons waren

dan waren ze volgens ons.

 

Erg waren de dingen

en zij vielen niet mee,

 

maar zij waren dan niet

volgens u, o tuin.   

Het Urenboek van Frans Masereel

 Masereel (1889-1972), de grote Vlaamse houtsnijder sneed ook 'beeldromans'. Nu kreeg ik zijn 'Getijdenboek' (1919), een autobiografie in plaatjes. Zonder woorden. Als stills uit een stomme film.

 Naar Middeleeuwse voorbeelden als het Getijdenboek dat de gebroeders Van Limburg in 1410 maakten voor de Duc de Berry. In het Frans en Duits heet zo'n boek een 'Urenboek'.

 De strip is van alle tijden, zeker in Vlaanderen. Waar het in kerkramen, tapijten en schilderijen gewoon was om verhalen van vele kanten, uit meerdere blikpunten - ook in de tijd - te laten zien. Dat hield nooit op, al is publiek van nu niet meer gewend om Christus in een schilderij tegelijk geboren te zien worden en aan het kruis te zien hangen, terwijl hij verderop de voeten van een apostel wast en voorgaat in het avondmaal.

 Erg jammer. Al zijn er altijd weer pogingen de lineaire verhaalconventie te doorbreken, zoals onlangs nog van Gustaaf Peek in zijn 'Godin, held'.

 Thomas Mann schreef in 1926 een inleiding bij Masereels Urenboek, waarin hij zich een groot bewonderaar toonde. Hij memoreert de film, en zet de hoofdfiguur neer als een Vlaamse Elckerlyc, die op zijn levensreis door stad en platteland alles meemaakt wat in zijn jaren kan: kermis, ziekte, oorlog, idealisme en revolte, een ziek kind en tussendoor veel vrouwen, van moeders tot hoeren.

 Dit 'Stundenbuch' is tweedehands wel te krijgen. 

Silvia Steiger

 Ze woonde bij vliegveld Leeuwarden waar veel ongelukken gebeurden met F-16's, zodat mensen bang werden. Toen maakte ze haar 'Zak voor angst' (1971). Een ijzeren rek waarin een legergroene canvas zak hangt waarin je je angsten kunt opbergen. Waarna je de zak kunt dichtritsen.

 Zo geeft ze vorm aan wat haar beweegt. Een angstdroom is 'The Inner Pack of Hounds' (1992), waar een enkele hond in spiegels een angstaanjagende meute wordt.

 Silvia werd in 1940 in Linz, Oostenrijk geboren als dochter van een landmeter die aan de Autobahn werkte voor ie in dienst moest. Ze groeide op in Keulen. Haar overzicht in Belvedère is een reeks van monumentjes voor het hoogstpersoonlijke.

 'Van overvloed' (2013) bestaat uit een berg iepenzaad, een bruidsjurk en een hangmat. Ze schrijft erbij: 'Al jaren zag ik in de lente de immense hoeveelheid iepenzaad op straat liggen. Het gaf me het idee een bruidsjurk van reusachtige afmetingen te maken. En die in een hangmat te presenteren.’

 De bruidsjurk komt terug in haar 'Zelfportret met Oskar' (2004­‑2013). Oskar, 15 jaar lang haar hond. Reden genoeg om met hem te trouwen. Zo poseren ze voor een huwelijksfoto. Op knaapjes ernaast hangt de bruidegoms-outfit die Silvia voor Oskar maakte.

 De foto maakte veel reacties los. Op een tentoonstelling over schaamte in Breda en Eindhoven - waarover veel geschreven is - werd de foto levensgroot vertoond. 'Sommige mensen waren geroerd, anderen vonden het weerzinwekkend.'

 Schaamte zie je ook in haar zelfportretten. Waarin ze zichzelf verbergt. Zoals in de serie 'The Inner Me' (2009). Die zijn opgehangen met grote omkrullende hoeken zodat je haar maar gedeeltelijk ziet. De mooiste vind ik 'Zelfportret met schietlood', een selfie waar een peilloodje aan hangt (2007), zodat het portret toeklapt. 

Tags: 

Silvia Steiger in Friesland

 Ze kwam in het Friese Hichtum terecht in 1964, het jaar dat Gerard Reve naar Greonterp trok. Vers van de academie in Dusseldorf. Silvia Steigers eerste overzichtstentoonstelling 'De noodzaak van een handstand' opende vandaag in Belvedere, Heerenveen. Een foto: we zien een merel op een tak een kers eten.

 De kersenboom bevatte geen kersen meer, een merel had hem leeg gevreten. Jammer, de kunstenares zag hem graag, die etende vogel. Ze verzon het volgende: kocht een zak kersen en een pak wasknijpers. Met die wasknijpers hing ze nieuwe kersen in de boom. En ja hoor, de merel kwam terug en at haar opgehan­gen kersen. Grappig? Voor de vogel maakt het geen versch­il. Toeschouwers daarentegen kijken hun ogen uit. En lachen.

 Silvia Steiger - van oorsprong Oostenrijkse, nu wonend in Amsterdam - schreef: 'Weer zijn de kersen op en ik moet eigenlijk nieuwe kopen. Ik heb zeker drie pond kersen aan de rover gevoerd. Blijkbaar prima kwaliteit van onze kruidenier AH. Moet ik doorgaan tot er geen kersen meer te koop zijn? Ik ben niet zeker...'.

 Hoe kan kunst grappig zijn? Door het onechte echt te maken. Iets onmogelijks te doen. Maar het is oplichterij. De merel werkt graag mee aan het bedrog.

 Elk grapje is anders. Een ander van Silvia. Tragisch.

 Haar man is, na vele jaren, weggelopen. In de vensterbank staat een glazen kom die ze vult met tranen. Ze huilt de kom vol. Door de glazen kom met tranen heen ziet ze de huizen aan de overkant, maar omgekeerd. Ze fotografeert de omkering van haar uitzicht, haar leven.

 Mij ontroerde ook hevig de teddybeer die ze maakte van distels, geraapt tijdens duinwandelingen met haar hond.

 En dan staat er in Belvedere een hart van steen, roze marmer. In dat hart is een roze marmeren laatje uitgehakt. En dat dat laatje is half open geschoven. Erin ligt een sleutel. Zonder woorden.

 Bij Steiger zit er vaak gene in de lach. Alsof ik iets zie wat niet voor mijn ogen bestemd is. Alsof ik spied in een inhoofdig boudoir. En ik denk: deze dingen kunnen alleen door een vrouw gemaakt zijn. 

Tags: 

Pagina's