Tjitske Jansen

 Voor altijd voor het laatst heet de levenskroniek van Tjitske Jansen, geschreven door Tjitske Jansen. Dat zijn er twee. En het begint al in de jeugd. Het kind neemt zichzelf waar, is zich al vroeg bewust. Niet een kind zoals men dat graag ziet.

 Ze noteert haar omgang met anderen: 'Vriendschap bestond voor mij vo­ornamelijk uit het spelen van vriendschap'. En dan: 'Zo gaat dat toch? Leren lopen, leren autorijden, een taal leren, een boek schrijven. Om het te kunnen moet je eerst doen alsof je het kunt'.

 Die gespletenheid komt terug in haar theateropleiding, waar opgetreden moet worden en gezongen: '...hoe het was om voor een publiek te staan en iets te geven, echt iets te geven. Ik besefte hoe groot het verschil was tussen geven en imponeren.'

 En wie ben je dan? Het komt al ter sprake bij catechisatie in haar geboorteplaats Barneveld: 'Jezelf zijn, ik heb gehoord dat dat belangrijk is, maar ik heb geen idee wat het is. Hoe doe je dat?' vroeg ik de dominee. 

 De dominee zegt: 'Als je een kraan vol open draait en je bent met al je aandacht bij het opendraaien van die kraan, dan ben je jezelf.'

 Nietzsches motto 'hoe iemand wordt, wat hij is' zou goed pas­sen op deze verzameling. Je krijgt Tjitske te lezen van kindsaf tot heden. Genoteerd zonder lit­era­ir vertoon, geen poses. Moet ik geloven dat Celine voor haar nooit meer werd dan een gezicht op de schoorsteenmantel waarvan ze dacht dat het van een jong gestorven oom was, ingelijst tussen familiefot­o's? En dat 'Reis naar het einde van de nacht' een boek is dat ze nooit las omdat haar vader 'de visie die eruit spreekt had aangetrokken als een jas'? 

 

 Ik geloof het, zonder meer.

 In het Boeddhistisch centrum in Schotland waar ze therapie volgde valt deze dialoog: 'Harry!' riep de vrouw die ik was. 'I'm the most selfish person I know.' Waarop Harry zich omdraait en zegt 'You're just not as good at hiding it as others.'

Tags: 

Retour á Ithaque

 Terug naar Ithaka heet de film, vol diepe ironie. Want de Odysseus die terugkeert naar Havana belandt in een triest doolhof, waar heden en verleden van het Castrobewind samenkomen. In vertwijfeling.

 Misschien niet gek zo'n film als deze van Laurent Cantet in een tijd van woede over het neokapitalisme. Hoe dan anders, blijft de vraag. Niet zoals op Cuba.

 Vijf oude vrienden, intellectuelen, waarvan twee kunstenaars die het niet gered hebben, en een weerzien op een terras met uitzicht over de bedrieglijk schilderachtige haven van Havana. Een zonsondergang en de terugkeer van de schrijver Amedeo, na zestien jaar uit het verre vreemde Spanje.

 Emigratie, opnieuw het grote thema. Voor een schrijver is landverhuizen al te vaak fataal. Wat niet lukt zie je in Amadeo. Hij kijkt over de baai en het uitgaansvolk beneden en hoort en ziet de geluiden van het stadion waar de Industriales hun honkbalwedstrijd winnen. En hij weet dit is mijn materiaal, dit is mijn stad, dit ben ik. Hij wil blijven. Zijn gebleven vrienden verklaren hem voor gek.

 En dan komen de verhalen los over hoe het in zijn afwezigheid toeging. Over het verlies van hun geloof in de Nieuwe Orde, hoe je moest liegen en je beste vrienden bedriegen om in leven te blijven. Van de kunst kwam niets meer terecht, in Spanje niet, in Havana evenmin.

Pauline Pisa

 Halfrust is een dichtbundel met gespitste oren als die van een liggend dier. Zo legt ze het uit. Op een erf.  Maar in werkelijkheid, lees ik, in een flat op het Utrechtse Kanaleneiland, waar Pisa opgroeide.

 Veel taferelen in ziekenhuizen, inrichtingen. De hoofdpersoon verpleegt: '...in het bloed stroomt mijn diploma / ik ben de avonddienst'. Een titel: 'Het paviljoen drukt zich in peuken uit'. Of de titel is het nummer op een polsbandje, als 696814BH92:

'Koppel haar aan mij vanavond / ik ben een aantal dagen vrij geweest / bovendien lijkt ze op iemand die ik ken'

Korte strofen, die treffend neerzetten waar we zijn en waar het om gaat, al wordt het laatste woord nergens over gesproken. Pisa heeft een heel eigen manier om gewaarwordingen, menselijke betrekkingen en omgevingen aan te duiden.

'...hij had mij niet aangekeken / sleutelde aan zijn lichaamstaal / pas toen mijn jas was uitgegleden en / als een vijver op de grond uiteen viel / keek hij op...'

Ze kan de lezer moeiteloos verplaatsen in willekeurig welke levensfase of situatie. Alles heel lijflijk. Dit heet 'Kom nu maar terug':

 

'Als je naar me toekomt neem dan geen bloemen

maar het kopstuk van een treinstel mee..

het deel dat jou heeft weggemaakt

ik wil het aaien

 

draag je okergele bandplooibroek

doop je benen in het hoge water

druk de kuiltjes in je wangen terug

draai ons eiland op

heel veel is inmiddels weg

maar mijn ouders leven nog

 

Ik sta nog altijd voor het raam

klaar om het penseel in de kleur van je ogen

te dopen en je aan te stippen

 

Mijn moeder heeft een stroopwafel voor je apart gelegd'

Tags: 

Monica Rinck

 Vrijdag verschijnt de tweetalige bundel Honingprotocollen van de Duitse Monica Rinck. Hij wordt gepresenteerd op een avond in Perdu. Door haarzelf, samen met vertaalster Miek Zwam­born.

 Honingprotocollen? Meer kun je binnen een woord moeilijk overhoop halen. Bij eerste lezing kon Zwamborn er ook geen touw aan vastknopen. Wel een mooi spel, dat van de meerduidigheid, vol innerlijke tegenspraak. Zoals 'wanneer je iets draagt wat niet van jezelf is'. Ik wist opeens weer hoe het was een broek van mijn vader te dragen.

 'Alles draait,' zijn de woorden die sinds Rincks bundel 'Zum Fernb­l­eiben der Umarmung' steeds terugkomen. Om uit de buurt te blijven van de omhelzing, een credo van heb ik jou daar.

 Ik las over en van haar in het tijdschrift Terras. In de Honig­protokolle (2012) staan ook 'gebruiksaanwijzingach­tige tekenin­gen' van beelden die in de bundel voorkomen. En de tekeni­ngen ver­helderen niet, in­tegendeel.  Zo wordt in 'Berouw' een plastic bekertje opgevoerd, een in folie verpakt bekertje dat met een mes of draad, je moet er maar toevallig de beschikking over hebben, moet worden bevrijd. Met verwondering en irritatie tegelijk schrijft Rinck: 'Wat willen jullie erin? Watjullieerinwillen, wilikweten.' In dat kopje dus. Ja wat hebben we in dat kopje te zoeken, waarom moet eigenlijk die verpakking open? 

Dit heet De timmermansplaat:

 kort na zessen, hier zijn ze weer, deze timmermannen,

deze timmermansstemmen, in de onbehandelde kuil

van mijn halfslaap gedreven, onderranden van spot vervuld.

in de monochrome ochtend raken vlakken elkaar,

ontmoeten de zagen zich voor het gebed, dat noemt men wel

spraakzaamheid. dat noemt men oprechtheid. toch wanneer ze,

zo vroeg al, ramen vertrappen, komen panische dromen

me tegemoet. heel anders het hameren, in welk

ritme ik denk, heel anders het slijpen, op welk

stoffig spoor ik naar het ontwaken toe glijd - ze zijn

dagelijks de eersten, die laten zien: de dingen zijn hier.

Tags: 

Lucebert revisited

 Vanmiddag mijn hoofd staan breken bij Lucebert in Kranenburgh te Bergen. Te veel. Nogal wat had beter in het depot kunnen blijven. Nu gingen zijn herhalingen opvallen.

 De karikaturen en het Picassiaans stramien. De zwakke composities, van vooral de wandschilderingen. En het steeds maar onderstrepen van het belang van vrije expressie en de band daarvan met jazzmuziek.

 'Dizzi for president'. Dizzy Gillespie had opgekeken van Luceberts negermuzikant als bevrijdende wonderman. Wist Lucebert hoe gedisciplineerd jazzmusici te werk gingen? Nee, hij blijft hameren op opstandigheid, ontregelen, bevrijding, En:

 'Wie niets meer voelt / Moet maar eens horen.'

 Wat doorsijpelt is het grote gelijk van zijn generatie kunstenaars. Naoorlogse linkse mensen, diep overtuigd van de slechtheid van het monster mens. Zijzelf uitgezonderd natuurlijk.

 Maar wat hem in z'n beeldende werk weinig lukt komt in z'n gedichten beter door. Er hangen er veel aan de muur, ook in handschrift. De klankgedichten en taalspelletjes blijven hoor- en voelbaar. Totdat ze vervelen omdat hij er zo weinig mee zegt. Ritueel bezingt hij zichzelf, de dichter, en zijn poëzie. Ontroeren doet dat niet.

 Hij 'ijlt van gulzigheids wartaal'. En adviezen hoe te leven en te dichten vliegen je om de oren: 'Men moet', 'men dient' bij Lucebert nogal veel.

Tags: 

Waanzin?

 Vanavond bij de Vorlesebühne in de Utrechtse Houtzaagmolen gaat het over 'Vloeibaar in het vierkant'. Vloeiend? Vierkant? Zolang er maar geen filosofen aan te pas komen vind ik alles best. Het begon te dagen.

 Vierkant en toch vloeibaar. Zoals een aquarium. Of een boek. Of een radiotoestel, het vierkante kastje waarin ik veertig jaar gewoond heb. Daarbinnen in dat kastje is het heel huiselijk: een schemerlamp, een koptelefoon en een microfoon is al wat je nodig hebt. En een technicus achter het glas die vriendelijk knikt als je even opkijkt. Ik vertel vanavond over radio en het verkeerd begrepen boekenweekthema waanzin. Geen amusant onderwerp.

 Maarten Biesheuvel verzette zich tegen dat woord, net als tegen het populaire 'gekte'. Hij spreekt van krankzinnigheid: 'Krankzinnigheid is iets om ernstig te nemen. Daar kan je niet een beetje om zitten lachen. (..) Op krankzinnigheid is de wereldliteratuur gebouwd,' zei hij tegen Onno Blom.

 Een voorbeeld. Met z'n biograaf sprak ik langdurig over de dichter Cornelis Bastiaan Vaandrager. Cor stond bekend als 'gek' omdat hij - net als Kurt Schwitters - op den duur alles mee naar huis sleepte wat hij mooi vond. Niet alleen meer gevonden taal, voor zijn gedichten, maar ook stukken schroot. Tot zijn vriendin zei: 'Die troep eruit of ik eruit.' Het liep niet goed af.

 Hij trad vaak op in onze radioprogramma's. Zo stonden we na afloop eens bij de Stopera in aanbouw. Een betonskelet, waar veel over was geschreven. Henk Hofland sprak van 'het goederenstation van Woerden'. Cor keek er een tijd aandachtig naar. En zei: 'Dit gebouw trek veel wind an',

 'Gek', vanouds de verzamelnoemer waaronder alle soorten afwijkenden door de normalen worden bijeengeharkt. En ontmenselijkt. Wat wij niet weten is hoe het is om Cor Vaandrager of Jan Arends te zijn, al is het maar een dag, of A.Moonen die af en toe letterlijk buiten zinnen zijn meubilair uit het raam gooide en met gillende sirenes werd afgevoerd naar de Bavo in Krimpen aan de IJssel. Hij schreef er over en las het voor. Het publiek lachte. 'Ja, met mij kun je lachen', zei hij dan.

LSD

 Gisteren overleed een naamgenoot van Albert Hofmann (1906-2008), uitvinder van de hal­lucinogene stof Lsd. Verwarring in de krant. Over Lsd wordt niet meer gesch­reven. Hofmann hoopte dat zijn middel zou strekken tot heil der mensheid, maar het viel tegen.

 Ingrijpend is de werking wel. Het effect op je conditionering en de werking van je zintuigen kan grappig, diepzinnig of leerzaam, maar ook gevaarlijk uitpakken. Ik nam het een keer of vijf. Het kwam als druppel op een roze vloeipapiertje.

 De conclusie was dat het middel je terugvoert naar een hulpeloze, soms euforische dan weer doodsbange babytoestand. Je conditioneringen tijdelijk ongeldig maakt, zodat je vergeet te eten en te drinken en de wereld louter als interessant speel­goed ziet.

 Wat je zintuigen niet allemaal met je uithalen! Eerst werden de muren van vibrerend rubber, in kriebelende, grove fotokorrel. Met muziek ging het net zo, die viel in zichtbare deeltjes uiteen. Toen ik daarna een strip van Spiderman ging lezen, veranderde die onmid­dellijk in een film.

 Thee zetten leek een goed idee, maar ik vergat de ketel, die droog kookte. Iemand gaf over op de blauw geverfde planken vloer. Dit werd, vanuit mijn stoel gezien, in het lamplicht een roze koraalrif in een ruisende blauwe zee, met wapperende vlaggen. Gek genoeg rook ik geen braaksel maar frisse zeelucht.

 Er zijn ook twee werelden, die met open ogen en die met de ogen dicht. Je kunt kiezen. Als je het niet vergeet.

 Niets was controleerbaar, ook angst niet. Doodsangsten en benauwdheden waren alleen te bestrijden door het verzetten van het blikveld. Daarom moest er altijd iemand bij zijn die nuchter bleef. De werking bleek erg individueel. Ik kende een man die vijftig van die doses nam en niks merkte. Een taxi terug werd een dodenrit. De chauffeur reed controle­erbaar vijftig, maar de auto werd een straaljager. 

 Aan Lsd raakt niemand verslaafd, het is te uitputtend. Ook het voortdurende lachen om wat er in de tekenfilmwereld gebeurt met het alledaagse. Aan eten of seks kwam je van z'n leven niet toe, afgeleid door de stroom van plaatjes.

 Dat de deconditionering zou kunnen helpen bij oorlogsslach­toffers lijkt niet zo plausibel. Soms misschien. Maar ze zouden ook kunnen wegraken in hun angst. Niet te controleren.

 Of het leuk was? Het leerde me iets over de herkomst van oeroude high-effecten als beschreven in de Doors of Perception van Huxley. Toch vooral, zoals Johnny van Doorn v­aststelde: de ker­mis.  

Kitajs boekenkast

 Kitaj, de schilder, de boekengek ontmoette ik vanmorgen in het Joods Historisch Museum. Waar je bij hem thuis bent. Alsof je een atelier betreedt, dat tegelijk een boekenkast is. Sommige mensen zijn hun boekenkast.

 'Enorme bibliotheken staan al mijn leven lang rond mijn schildersezel,' schreef hij, 'en de schimmen uit boeken hebben me achtervolgd, sommigen zouden zeggen geruïneerd...'.

 Kitaj leefde met zijn - vaak idiote, alle soorten - boeken. Hun versleten omslagen zag hij als kunstwerken die hij naar believen veranderde. Hij nestelde zich in hun typografie, omslagen en illustraties. Waarna hij er zeefdrukken van maakte, die nu - naast schilderijen waarin het boek meespeelt - te zien zijn.

 Het drama van zijn leven, de weggeschreven tentoonstelling in de Tate-galery in 1994, wat zijn vrouw Sandra zo aangreep dat ze aan een herseninfarct stierf is er ook, levensgroot. Wat hadden Engelse critici opeens tegen hem? Was hij te beroemd, te Amerikaans, te Joods, te figuratief? Abstractie moest in die jaren alles zeggen.

 Hoe ook, zijn beheptheid met boeken werd opeens als kwasi-intellectuele aanstellerij gezien. Absurd! Was hij te verhalend? Kitaj sluit aan bij de middeleeuwse verteltechnieken waarin lineair tijdsverloop nog niet overheerst en Christus' geboorte en zijn dood binnen een voorstelling worden afgebeeld. Zoals eerder Stanley Spencer of Frans Masereel al deden. Maar Kitajs vorm van picturale autobiografie werd gezien als misplaatste ijdelheid, in een tijd dat 'anekdotiek' ook in de literatuur nog taboe was. Hij hield zich bezig met vluchtelingen. 

  Nu, twintig jaar later vertellen Duitsers als Neo Rauch en Daniel Richter volop in beeldverhalen. En hanteert Michael Borremans heel eigen beeldende verteltechnieken. De striplogica die Kitaj als Amerikaans jongetje leerde kennen in Ohio heeft wereldwijd de kunst bereikt. Zijn dagboeken wachten nog op uitgave.. 

 'Ik ben een boekengek (geen wetenschapper) en daarin even eigenaardig als ieder ander die met de boekenziekte besmet is...'

Tags: 

R.B.Kitaj komt

 'Unpacking My Library' heet de tentoonstelling van de in Ohio geboren Ron Brooks Kitaj (1932­‑2007) die vrijdag opent in het Amsterdams Joods Historisch Museum. Kitaj, een van de kanon­nen van de Lon­dense kunstscene vanaf de jaren zestig. Totdat...

 Kitaj was een groot lezer en boekenverzamelaar die kunst en liter­atuur in zijn werk verenigde. Uitzonderlijk in de jaren van het abstract expressionisme. Zijn werk is verhalend, vaak beeldromans naar aanleiding van boeken of eigen belevenissen.

 Zijn werk doet daardoor soms aan dat van - de veel latere - Emo Verkerk denken. Kitaj schreef zelf ook, en goed, zijn dagboeken zijn zeer leesbaar, schilderijen kregen een geschreven uitleg, hij maakte ook - verzonnen - boekomslagen.

 Waar bijkomt dat zijn levensloop wel een tragische roman lijkt. In 1994 kreeg hij een oeuvre-tentoonstelling in Londen, die opeens door de voltallige Engelse pers de grond in werd geboord. Het leek karaktermoord. Steun van mede-figuratieve vrienden als David Hockney en Lucian Freud hielp niet.

 Kitaj was altijd al een opgewonden standje. Toen direct daarna zijn vrouw en muze, de schilderes Sandra Fisher - die het zich zeer aantrok - aan een hersenbloeding stierf wist hij zeker dat de critici haar vermoord hadden - inplaats van hem.

 Hij schilderde er over. 'The Killer‑Critic Assassinated by His Widower, Even,' (1997) was zijn - late - wraak. In 2007 pleegde hij zelfmoord. 

Gods boomhut

 Tussen hemel en aarde, onzichtbaar en onbereikbaar als je eenmaal je touwladder had opgehaald. Bezield van deze droom bouwden we onze boomhut in het toen nog afgesloten en door boswachters - die hun fiets door hun hond lieten voorttrekken - bewaakte Haagse landgoed Meer en Bos.

 Maar de herfst kwam, de bladeren vielen en daar lag onze schuilplaats, open en bloot in het zicht. In dat verste deel van het bos - aan de andere kant van de Laan van Meerdervoort - werd nu ook gebouwd. De trainingsbaan voor politiehonden verdween. Eerst verrees een school, daarna, op de plaats van onze boomhut, een houten katholieke noodkerk. Later schreef ik Gerard Reve hierover, in een van m'n brieven naar Schiedam:

                                                                                   Amsterdam, 9 maart 1992

 Beste Gerard,

   (...) In een naburig klein bos is in die tijd een houten R.K. noodkerk gebouwd. Op een bord er bij stond 'H. Pastoor van Ars'.

 We zijn er eens binnengedrongen door een kuil in het zand naast de betonnen fundering te graven en van daar uit een tunnel. Zo kwam je onder de vloer, en via een luik in de kerk zelf. Daar was niet veel. We hebben er wat kaarsen gepikt en die daar onder de vloer opgebrand.

 Een wat oudere jongen liet ons toen zijn geslachtsdeel zien, en bracht het tot erectie. Het vriendje dat hem moest bijlichten morste daar in zijn opwinding gloeiend kaarsvet op. (...)

 

En nu lees ik gisteren dat in het definitieve RK-kerkje dat daar verrees Reve's vrienden Teiger en Woelrat een steen uit Greonterp willen laten inmetselen. Waarom juist daar? Dat hangt amen met hun bekering. Maar van mijn Haagse tijd heb ik ze toch nooit verteld. Ondoorgrondelijkheden. 

Tags: 

Pagina's