De jazz van Toon Verhoef

 De nieuwe reuzendoeken van Toon Verhoef die ik in De Pont in Tilburg zag passen zo mooi in die ruime voormalige fabriekshallen. Cinemas­copisch, 280cm bij 5 meter groot. Je stapt er zo in.

 En pas op waar je in stapt. Hij vergeleek het zelf eens met een kastdeur, die je opendoet 'en er valt van alles uit'.

 Maar wat er uitvalt blijkt heel uitgekiend. Al zijn het geen herkenbare voorwerpen, ze zijn er wel familie van. Voor het gemak noem ik wat me om de oren vliegt soms maar koffers, of voor mijn part waterijsjes zonder stokje. Al tekenend komt hij altijd weer op niet-bestaande voorwerpen, meerduidig, vreemd. Die kantelen, wankelen, tuimelen en zweven in de ruimte die hij schept.

 Gestreng krijgen ze vorm in olieverf en acryl, komen je blikveld binnen en verdwijnen weer in de ruimte, wegdrijvend als wolken.

 Hoe hij dit maakt? Ga er met je neus bovenop staan. En zie hoe precies alles past. Verdiep je in de techniek, de catalogus is goed.

 Toon Verhoef is niet alleen een muziekliefhebber, in zijn werk musiceert hij zelf. Zie zijn ritmiek, zijn herhalingen van motieven op de strakke, tienpanelige schema's. Een lofzang op het ongewisse. Dit is jazz. 

Tags: 

De Bijbelse buurvrouwen van Bill Viola

 Maria komt haar zwangere nicht Elizabeth (van Johannes de Doper) op straat tegen. En vertelt haar dat zij nu ook zwanger is. Hun ontmoeting duurt in de film van Bill Viola (1995) tien minuten, maar dat komt door de onwezenlijke vertraging die hij toepaste. De oorspronkelijke filmscène duurde maar 45 seconden.

 Door de extreme slow motion wordt de gebeurtenis heel eigenaardig. En geestig, bijna een parodie. Elizabeth staat met een vriendin te kletsen als haar nicht Maria - in een rode jurk - opkomt, haar omhelst en het nieuws vertelt.

 Dat tenminste moet je concluderen, het is een zwijgende film.

 De blonde vriendin in het midden zwijgt even en luistert. Het uitgerekte tempo maakt dat je elke beweging volgt tot in het kleinste detail: van de verbaasd opengesperde mond van Elizabeth tot de aarzeling van de even buitengesloten kwebbelvriendin.

 Inspiratie voor deze ontmoeting kwam van een zestiende-eeuws schilderij van Jacopo da Pontormo van een Bijbelse scene (Lucas 1, 39‑56): La Visitatizione (1528).

 Wat Bill Viola getroffen moet hebben is de alledaagsheid van het tafereel. Hij liet de overbodige vierde vrouw van Pontormo weg en zijn actrices moesten - denk ik - een buurvrouwen-act doen: 'Meid wat vertel je me nou? Jij ook al?' Waarbij de Bijbel bijna uit zicht verdwijnt.

 Ook het Italiaanse straatje bij avond is niks veranderd.

 Vanmiddag gezien in het Tilburgse museum De Pont. Waar ik was voor de nieuwe krachttoer van Toon Verhoef. Waarover morgen.

Els Moors en Rapunzel

 Haar tweede dichtbundel vergezelt me al een tijdje: Liederen van een Kapseizend paard. De welsprekendste titel in jaren. Met de vraag: 'Val je mee?'

 Els Moors betreedt onverschrokken de uithoeken van de geest. Maakt je duidel­ijk binnen welke beperkingen je leeft en leest. Haar schrijven heeft de aantrekking van rock'n roll, waar de vraag vanouds luidt 'Is het vies genoeg?' 

 Ik lees Els Moors, bij wie hink, stap en sprong als vanzelf op elkaar volgen. Zoals hier, als ze zich vergrijpt aan het oeroude Rapunzel­thema:

 'grimmig vlak ik mij uit

voorlopig ik borstel mijn schoenen

tot ze de kleur hebben van

roestig koren en

 

mijn haar dat ik als een

trapladder uit het raam

laat hangen tot het lijkt

alsof ik niet loop maar zweef

 

ook al sta ik lamlendig

stil cake slagroom pulver

en politiek geweld ik kan

maar beter vastgeklikt

 

in veiligheidsgordels

en dan nu de laatste

vraag voor nul punten

kan zo'n toren ooit

 

door een vrouw worden gebouwd

of door een man worden bedwongen?

het eigenwijze stoten van een geliefde

zal me op gedachten brengen

Tags: 

Frans Masere­el (2)

 De Kus van Frans Masereel (1924), die ik gisteren op facebook zette bracht ongewoon veel teweeg. Wie kuste daar wie, zo hoog boven de stad?

 In 1921 ontmoette Masereel in Geneve - hij kon als dienstweigeraar niet terug naar België - de Oostenrijkse schrijver Carl Sternheim. Die rijk was. Toen hij in 1915 de Fontane-prijs kreeg schonk hij het geldbedrag aan een onbekende debutant, genaamd Franz Kafka.

 Op zijn vrouw Thea werd Masereel halsoverkop verliefd en omgekeerd. Thea had nog maar net een zelfmoordpoging achter de rug. Ze was wat je noemt een alles-of-niets-vrouw. Masereels autobiografische 'Stundenbuch' in houtsneden had haar in haar depressieve toestand diep geraakt. Ze was verliefd. En schrijft hem: 'wie man nur selten liebt, ohne Einschränkung'. In haar dagboek – ze was schrijfster - zegt ze hoe zijn boek haar leven binnenkwam. Als 'een fanfare van menselijkheid in deze vervloekte nacht'.

 Masereel, de mooie jongen, de Lebemann, gaat op haar avances in: 'U bent de enige met wie ik zou willen en kunnen praten; dat is me nog nooit gebeurd.'

 Hun wederzijdse 'amour fou' bracht hem tot vele houtsneden. Behalve De kus bijvoorbeeld ook Désir en Les amoureux.

 Maar beide minnaars waren getrouwd, en dat moest zo blijven. De liefde voor Thea is nog jaren terug te vinden in Masereels werk.

 Masereel - lees zijn biografie door Joris van Parys (1996), digitaal beschikbaar - vraagt zich voortaan bij alles wat hij maakt af wat zijn zielsverwante 'Stoisy', zoals hij haar noemde, ervan zou vinden. Toch raken ze uit elkaar in het verwarde Europese Interbellum.

Tags: 

Frans Masere­el (1)

 Modern, dat was het woord. Bij de Gentse liefdesbrieven-expositie stuitte ik opeens op de houtsnijder Frans Masereel (1889-1972). Die ik als veertienjarige voor het eerst zag - in Brugge - en wiens werk me bedwelmde.

 Als huizengek in aanleg zag ik opeens hoe de moderne grote stad - de 'grootstad' - en zijn bewoners in de jaren twintig een levend geheel werden. Zo zag de wereld van Paul van Ostaijen eruit. Trams, treinen, staal, beton en glas in vloeiende persp­ectieven en o zo 'ruimtelijk'. Nu eens omhoog reikend, dan weer vanuit de hoogte gezien.

 Wan­hoop en de nieuwe tijd tezaam, dwars door de oorlog, als bij Van Ostaijen. De wanhoop van het moderne. Maar met welk een gebaar. Er zijn echo's van Oscar Jespers en Gust Desmet, tot en met Jotie 't Hooft.

 En nu kreeg ik in Gent een antwoord op de vraag 'wie was Frans Masereel'. Hij werd aan de kust geboren, in 1889 in Blankenberge. Groeide op in de fabrieksstad Gent toen ze daar nog Frans spraken. Deed mee aan de arbeidersstrijd. Leerde etsen en kreeg oog voor 'le spectacle des hommes en des choses'. En trok op zijn twintigste naar Parijs, waar hij dichtbundels illustreerde van oa. Emile Verhaeren.

 Tijdens de oorlog vluchtte hij naar Geneve en raakte bevriend met Stefan Zweig en Romain Rolland. Maakte veel over de slagvelden. Zijn bundels 'Debout les morts' en 'Les morts parlent' gingen de wereld rond.

 Maar wat zou ik graag zijn op z'n Middeleeuws gemaakte 'Livre d'heures' zien, zijn 'Urenboek', een gedroomde autobiografie in 176 prenten, in hout gesneden. Masereel is bekend van z'n geëngageerde prenten, maar er is zoveel meer. 

decors.. de kapsalon..

Vuurwerk bij daglicht

 Zo heette de bizarre film Black Coal van de Chinees Diao Yinan oorspronkelijk. Er is een verhaal als kapstok. Maar wat daaraan hangt blijkt een ode aan film.  

 Black coal is vooral een buitensporig mooie en grappige - maar ook spannende - film over film. Er komt zelfs een affiche voorbij van een voorstelling van 'oude films'.

 De decors zijn die uit oude Franse policiers, film noirs: de stomerij waar alles om draait, het truitje van het meisje uit de stomerij en haar lipstick voor ze de zaak opent. Eetgelegenheden met noedels in een aftandse provinciestad in ijzig Noord-China. Industrie, sneeuw, ijs en verwarring. Bijzaken worden hoofdzaken.

 In 1999 was inspecteur Zhang afgedankt omdat hij zich z'n pistool liet ontfutselen en beveiliger geworden. Wat volgt is het verhaal van de sukkel die zich revancheert. Zijn motor wordt gestolen, hij wordt in elkaar geslagen, maar tenslotte lost hij de zaak vijf jaar later op.

 Van het een komt voortdurend het ander, in zeldzame escalaties. Kortweg het meisje Li van de stomerij krijgt een beschadigde leren jas en geeft hem terug met een vlek. Ze moet de schade betalen maar kan dat niet. De eigenaar verkracht haar, zij doodt hem. Haar vriend verspreidt de lichaamsdelen. Neemt identiteit van de vermoorde aan, wordt een levende dode. Doodt ook nog eens iedereen die zijn vriendin te na komt. Schaatsen als moordwapen. Huh?

 Hij werkt op de weegbrug voor vrachtwagens wat de verspreiding van lichaamsdelen vergemakkelijkt. Huh?

 Waar 't om gaat is sneeuw, eethuisjes, een kapsalon, een ijsbaan, dansles en industrie. Kolen, noedels en vuurwerk. Alles vies en afgetrapt. Zo spreken de decors van Vuurwerk bij daglicht. Toch een betere titel omdat de film er, heel verrassend, ook mee eindigt. 

Buitenstaanders

 'Het gat-in-de-muur-zusje' heet het eerste verhaal in Extaze. Het nieuwe nummer van het 'Haagse' literaire blad heeft als thema 'Buitenstaanders'.

 Den Haag, stad van buitenstaanders. Ik woon er al heel lang niet, maar Hagenaar ben je voor het leven.

 De gat-in-de-muur-mens, waarmee Cor Gout het nummer opent, priemt een gat in de muur waardoor hij in de belendende kamer kan kijken zonder zelf gezien te worden. Hij haalt Colin Wilson aan: 'De zaak die de outsider aanspant tegen de maatschappij is overduidelijk. Alle mannen en vrouwen hebben gevaarlijke, ondefinieerbare impulsen, maar verbergen die onder een schone schijn, houden zichzelf en anderen voor de gek.'

 Tot slot vertelt Cor hoe zijn in de jaren '70 overleden 'existentialistische' zusje - altijd in het zwart gekleed, veel mascara - zich over straat en in cafés bewoog. Op afstand en tegelijk vurig hopend gezien te worden. Door Jan Cremer misschien.

 Jaren terug reisde een homoseksuele vriend van me naar Cuba en werd daar prompt opgesloten toen hij zijn 'geaardheid' liet blijken. Hij schreef er woedend over in de Volkskrant. Ik vertelde hem toen het verhaal van de vriend van W.F.Hermans die zich in 1942 wilde laten registreren als Jood, zoals de bezetter opdroeg. Waarop Hermans zei: 'Ik zou het ze maar niet aan hun neus hangen'.

 Hij overleefde de oorlog.

 Erkend willen worden als buitenstaander. Het blijft hachelijk. Maar er zijn twee kanten aan. Pilaarheiligen waren heel sociale mensen. Ze lieten zich door bezorgde vrouwen mandjes met eten brengen, die ze mopperend weer lieten zakken als het voedsel ze niet beviel.

Depressies en teddyberen

 Wat gebeurt er wanneer het verdriet van velen wordt vereenvoudigd, teruggebra­cht tot dat ene. Zoals bij de plakkaatjes van Je suis Charlie of de teddyberen langs de weg bij de rouw-optochten met slachtoffers van de MH17?

 Het geeft verlichting. Maar depressie beleef je alleen. Depressieven demonstreren niet. Bij de tentoonstelling Donkere kamers, over melancholie en depressie, in Dr.Guislain in Gent hoort een verhelderende catalogus waarin de Leuvense onderzoeker Filip Raes uitlegt hoe we met geleden leed omgaan. We maken het makkelijker hanteerbaar, slijpen de scherpe kantjes eraf, door het te 'veralgemeniseren'.

 Lijders aan depressie herinneren zich niet specifieke voorvallen waardoor ze gekwetst werden, maar zien heel hun leven als vervuld van pijnlijke emoties. Dat maakt het makkelijker hanteerbaar, dan het uitputtende naar boven halen van voorvallen, die je steeds blijft herkauwen. Door herinneringen algemeen te maken vermijd je dat.

 Op de tentoonstelling hangt een uitstalling van clichéschilderijen van huilende kinderen, verzameld door Johan van Geluwe, die dit treffend illustreert. Hier zie je hoe verdriet wordt veralgemeniseerd en op die manier hanteerbaar gemaakt, net als door de stapels teddyberen en de menigten Ik ben Charlie-plakkaten.

 Het verhaal dat hoort bij de twintig huilende kinderportretten is ook overdreven smartelijk: er zou een vloek op ze rusten. Volgens een 'stadssage' gaat het om weeskinderen, geschilderd voor ze omkwamen bij een brand. Maar, hun portretjes werden ongeschonden teruggevonden tussen puin en as. 

De kamer met balkon (1911)

 Eerst ziet de toeschouwer de wand van een grijswitte, lege kamer. Als de blik van links naar rechts gaat komt hij terecht bij een openstaande balkondeur, die de helft is van een dubbele balkondeur.  

 Een Room without a view. Ongebruikelijk. Balkons in de schilderkunst, van Manet tot Caillebotte, buiten juist het balkon ten volle uit. Je ziet personages halverwege binnen en buiten, hoog boven de straten, genietend van een uitzicht. Maar dit is niet Parijs, het huis staat ergens buiten Kopenhagen.

 In het werk van Vilhelm Hammershoi (1864-1916) draait veel om vrijwel lege withou­ten huizen, die je de rug toekeren, net als de figuren in zijn interieurs, die, als toevallig, bladerend in een boek, met neergeslagen blik of op de rug gezien worden aangetroffen. Vaak schilderde hij zijn vrouw in de nek gezien. Michael Borremans moet dat hebben opgepikt.. 

 De deur staat aan, maar op het balkon lijkt het nog wat te fris. De kamer met balkon heeft als ondertitel het spreeuwennest - naam van het huis -  maar wat die spreeuwen zien komen we niet te weten. Van wat buiten is zie je niets.

 Hammershoi schilderde een huis, ook wit, met een binnenplaats rond vele ramen die uitgeven op andere ramen, je ziet er niets dan huis. Wanneer zoveel niet getoond wordt raakt de toeschouwer bevangen door benauwenis, beklemming.

 De kamer met balkon uit 1911 die Boijmans aankocht is de eerste aankoop van een Hammershoi in Nederland. Trots wordt hij door Boijmans omgeven met een zaaltje met vensterkunst uit alle tijden, oa. David Claerbout en Gerhard Richter. En ook een grotere zaal die vrij associërend gevuld is met vooral schilderkunst die verband houdt met verstilling. Van Willem Witsen tot Vuillard, van Hans Arp tot Odilon Redon.

 Dat kan geen kwaad, al is het verband verwijderd. Het museum in je hoofd wordt erdoor verrijkt.

 Hammershoi is hier nog zo onbekend. Al brachten het Orsay en Guggenheim al grote overzichten.

 ps. Met dank aan Mieke voor het oplossen van het ramenraadsel.

Tags: 

Geheimzinnig

 Gisteren kreeg ik 'Korenblauw' in handen, het heel precieze boek dat Cor Gout schreef over zijn Haagse jeugd. En trof daar meteen het meest voorkomende woord in de boeken waarmee ik zelf leerde lezen: 'geheimzinnig'.

 Het Den Haag van kort na de oorlog en dan zeker de buurt rond het Van Stolkpark - achter Scheveningen, in de oorlog Sperrgebiet - waar Gout opgroeide was geheimzinnig tot en met. De Duitsers hadden heel de villabuurt volgestopt met bunkers en onderaardse gangen die hij en zijn vriendjes binnendrongen.

 '...een stuk ijzer onder een schuifraam plaatsen en dat opkrikken, een ruitje van een venster of bovenlicht van een deur intikken en vervolgens met de hand of een stok de schuif of handel aan de binnenkant terugschuiven, via een regenpijp naar een balkon klimmen en daar een raam of deur forceren of een kelderluik optillen..'

 En dan worden er ontdekkingen gedaan zoals van een verborgen huiskapel van het Duitse Schnellboote-commando, compleet met inventaris: '.. met nissen aan de wand en een verhoging met een soort altaar erop'. En als ze de gordijnen openschuiven: 'Het volle licht daalde neer op de rechte banken achterin de zaal en de taboeretten die vooraan stonden opgesteld, de zittingen overtrokken met stof in de zelfde tint paars als de gordijnen. Nu ook konden we de verhoging in haar details waarnemen, de omrastering van smalle goudgelakte planken en een bewerkte houten katheder, rustend op stroken lichtgekleurd parket.'

 In de kelder vinden ze dan nog de waslijsten - Wäschezettel - van de Duitse bezetters.

 Gisteren doopte Cor het nieuwe nummer van 'zijn' literaire blad Extaze, over 'Buitenstaanders'. In de ongeschonden goud-houten 19de eeuwse zaal van 'De Vereeniging' in de Haagse Kazernestraat. En ik begreep veel. 

Tags: 

Pagina's