Klomp

 Na lang aanhouden had ik ze dan toch. Klompen! De helft van de dorpsjongens liep erop, de andere helft droeg kaplaarzen. Op klompen lopen is heel wat. Tja, die randen. Er waren er, die zwartleren klompsloffen droegen in hun klompen. Slap!

 Het was een mooie zomer. Ik mocht na het eten buiten spelen. En in het dorpscentrum, Tegenover de school, naast de smederij was een landje waar 's avonds gevoetbald werd door wat oudere dorpsjongens. Ik was pas acht en stond te kijken op mijn al te nieuwe klompen. Zou ik? Zouden ze? En, kon ik voetballen op klompen?

 'We hebben nog een keeper nodig, ga jij maar in het doel staan.'

 We stonden voor, er kwamen geen ballen op me af. De zon stond al laag, het was nog warm. De geur van gras. De balgeluiden, het geschreeuw, de lage zon. Mijn gelukkigste moment als dorpsjongen. 

En toen kwam de aanval. Een dorpsjongen en ik schopten allebei naar de bal. Onze klompen knalden op elkaar. Mijn rechterklomp lag in tweeën in het gras. Daar zat ik met een halve klomp in het gelach. Zo'n stadse jongen dacht zeker dat ie..

Volgende dag zat ik bij de klompenmaker tegenover het stationnetje. In zijn pakhuis vol klompen. Hij legde over de kapotte klomp een ijzeren strip. Die hij met punten in het hout vast sloeg.

De klompen verdwenen naar zolder.

Hrabal

 Lezend in de brieven aan Dubenka van Bohumil Hrabal (1991, uitg. Pegasus, vert. Kees Mercks) zie ik het winterse, onverlichte Praag van 1976 voor me. Met hier en daar een klein lichtje en een wolk caférumoer.

 Hij is mank, net als ik, door een neurologische storing en falend hartritme, en moet steeds naar ziekenhuizen. En maakt zich zorgen over het voedsel voor zijn vele katten, thuis.

 'Dubenka, ik heb misschien al twee maanden niet geschreven, ik heb hoofdpijn en flink veel last van jicht, ik was weer in het ziekenhuis met hartklachten, als ik een sok aangetrokken heb, moet ik al rusten, dan trek ik die andere aan en moet weer even rusten, wanneer ik naar mijn poesjes in Kersko wil wacht ik bij de halte voor de deur op de bus en als die er aankomt, stap ik struikelend in, vervolgens moet ik oppassen dat ik niet van de metrotrap kukel, daarna strompel ik weer omhoog dan koop ik melk en worst en bij de snackbar gegrilde kippetjes, ik heb mazzel, voor mij staan jonge en knappe en in blauwe bloesjes glinsterende Vietnamese vrouwen, ze buigen voorover, pakken mes en vork uit bestekbakjes en laten me ruiken aan hun sterk geurende, vette haren... dan eet ik soep en begint mijn hand te trillen (...)'.

 Hrabal (1914-1997) viel uit het ziekenhuisraam. Ongeluk, zelfmoord, het is onbekend. Ik weet het nog goed, het Noord-Vietnamese broedervolk. Gehuisvest in gevorderde luxehotels in Mariënbad.

 Intussen volgt Hrabal het voetbal. Een van zijn katten heet naar de beroemde Duitse spits Gerd Müller, dus Gerdmüller.

Pilente

 Net zulk weer als nu was het. Ik doolde met Evert Schut, kleinzoon van de Eerbeekse papierfabrikant. Evert leidde me rond in de fabriek en had daar veel praatjes. Daarna kwamen we bij het kanaal.

 We besloten een bootje te maken, niet makkelijk. Het werd een houten kist met een puntige voor en achterplecht. Slordig getimmerd. Nu moest ie nog waterdicht worden. We sleepten het bootje naar de werkplaats van de fabriek. De mannen waren ons goedgezind en smeerden alle kieren dicht met teer. Nu naar het kanaal. Al sjouwend bedacht Evert een naam. Het bootje zou 'Pilente' heten, wat volgens hem Veluws was voor waterhoentje.

 Eindelijk lag ons schip in het kanaal van Apeldoorn naar Doesburg. Het wachten was nu op een binnenschip dat ons op sleeptouw wilde nemen.

 De schippers hadden schik in ons. En al gauw hingen we achter het roeibootje dat ieder binnenschip aan z'n achtersteven meetrok. 'Waarheen,' riep de schipper, wiens vrouw het roer had overgenomen.

 'De volgende brug.' Ophaalbruggen had je daar elke kilometer. Eenmaal daar aangekomen liet de schipper een klomp aan een touw zakken en riep 'en nou een dubbeltje'. Het duurde lang voor een boot terug ons meenam.

 De Pilente heeft de winter niet overleefd.

Wiesbaden

 Boven Wiesbaden, op de Neroberg verrijst, met z'n vergulde, uivormige koepels, bij de Russische begraafplaats, het Russisch-Orthodoxe grafmonument uit 1855 van groothertogin Elisabeth, echtgenote van Adolf van Nassau. Ze stierf tijdens de bevalling van haar eersteling.

 De heilige Elisabeth was ook beschermvrouw van Wiesbaden. En een nicht van tsaar Nikolaas I.

 Het sneeuwde toen ik er was. Alles verlaten. De stoeltjeslift bergop deed het niet wegens sneeuw. Er stopte een luxe auto met een Russisch kenteken, waaruit drie mooie, extravagante vrouwen in bontjassen stapten.

 De Russinnen waren net zo vlug buiten als binnen. Daarna kon ik er in. Nog steeds wordt het monument bezocht door voor de Sovjets gevluchte Russen.

 Het marmeren grafmonument getuigt van de liefde van Adolf voor zijn 19-jarige bruid.

Er is een fraai parkje, daar boven op de berg, met follies en een schitterend uitzicht over de Rijn-Main vlakte. Was Multatuli hier ooit? Hij kwam graag in Wiesbaden, woonde in de buurt. Mij bleef ook bij de enorme winkel met Steiff-egeltjes in alle maten. Mecki, Mucki, Macki usw. Mooi, maar weinig aanraakbaar.

Kandersteg

 De laatste keer dat ik in Kandersteg was had ieder hotel een 'Hallenbad'. Van het oude Zwitserse stadje was niets meer over, precies waar W.G.Sebald zich over beklaagde.

 De eerste keer was onvergetelijk. Een wandeling naar een Hinter­see, een drooggevallen dal vol dood hout na een sneeuwrijke winter. Met daar middenin een hutje met een bordje 'Gute Zvieri'. De Zwitserse gids legde ons uit wat het 'vieruurtje', het middaghapje behelsde. Een soort tosti, maar dan heel Zwitsers en heel bijzonder. 

 Ik volgde toen de schreden van Lord Byron, die hier in 1816 zijn Manfred schreef, in de tijd dat bij in Villa Diotati verbleef aan het Meer van Geneve en de Alpen nog romantisch waren. Toen hij bij het oversteken van de Simplonpas een gedicht schreef dat hij onder een grote steen achterliet. Er is nog door velen, waaronder mij, naar gezocht. Vergeefs. Daar ook schreef het echtpaar Shelley, zij vooral, aan haar Frankenstein. 

 Ik zette mijn oude Volvo op de autotrein, in vrees dat die bij de afrit in Italië weer zou starten, wat hij maar eens in de vijf keer deed. Goddank, in Gondo startte hij.

Tags: 

Duw

 Mensen kunnen je zomaar tegenstaan. Zonder dat daar zo direct een aan­wijsbare reden voor is. Het kan hem zitten in hun manier van spreken, hun bewegingen, hoe ze uit hun ogen kijken wat ook. Onvergetelijk blijft wat René Magritte deed toen hij bij thuiskomst een keurig geklede onbekende heer aantrof, kennelijk binnengelaten door zijn vrouw. De heer zweeg. Er ontstond en moeilijke situatie. Tenslotte nam Magritte een korte aanloop en gaf de onbekende heer een geweldige schop voor zijn kont. Die reageerde niet tot mevrouw Magritte thuiskwam.

 Vergelijkbaar was wat in Eerbeek gebeurde toen ik met broertje Hans en de door mij uitgenodigde Michiel van Breda - zoon van de maker van het fameuze 'Plezier met papier' - maar huis wandelde langs de beek. Altijd zeer vies, vol verfstoffen en afval van de papierindustrie.

 Bij een vervallen steigertje waar deze Michiel stond te kijken nam Hans de zelfde korte aanloop en plons, daar verdween Michiel in de stinkende beek.

 Hans besefte meteen dat hij iets onvergeeflijks had gedaan en begon zich door de nabije brandnetels te wentelen, als een soort zelfbestraffing om andere bestraffingen voor te zijn. Roepend 'Kijk, ik gooi me al in de brandnetels'.

 Het jongetje werd meegevoerd, gewassen en verschoond. En door mijn moeder naar huis gebracht.

Vader

 Vaderdag is verstreken. Net als vroeger in stilzwijgen. De mijne keek er op neer zoals op bijna alles en iedereen: 'Een uitvinding van de middenstand'.

 Zelfs geen pakje Peter Stuyvesant of een potje Brylcreem. Niets. Mijn moeder was bang voor hem. 'Ik heb altijd alles gedaan om hem ergernis te besparen.' zei ze op 't eind.

 Dat is dan waar Amerikanen de woorden 'loved ones' voor inzetten, als er weer een vliegtuig is neergekomen.

 Bij de uitvaartplechtigheid zaten veel generaals van de Militaire Academie, waar hij les Duits had gegeven. Hun petten hingen aan de kapstok. Je herkende ze aan de deuk in hun achterhaar.

 Mijn broer zou iets zeggen. Zijn eerste woorden waren:

 'Mijn vader was geen gemakkelijk mens.'

 De generaals schoven op hun stoelen. Ze hadden hem gekend als de altijd joviale collega uit de mess. En nu dit.

Met uw welnemen

 Grappigheden leven per generatie, denk ik vaak. Zo bestaat er een Adriaan en Olivier-generatie, waar de Pa Pinkelman generatie naadloos op aansluit. Grapjes en zinsneden waaraan men elkaar herkende. Het sleutelwoord was 'stadhuistaal'.

 Zo hoorde mijn vader tot de Heer Bommel-generatie. Er kon geen eten worden opgediend of het was een 'eenvoudige doch voedzame maaltijd'. En tussenwerpsels als 'met uw welnemen' en 'als ik u niet ontrief' waren niet van de lucht. Altijd begeleid door de luide lach van de maker van het grapje. Waarbij de dames in het gezelschap van harte in haakten.

 Mijn moeder haakte dan bescheiden in, al had ze deze teksten al erg vaak gehoord. Zelf had ze in deze ongeestige komedie de rol van juffrouw Doddel, de buurvrouw van Bommelstein. De laatste keer dat ik met mijn vader in de erker stond zagen we haar aankomen met de boodschappen.

 'Daar komt ze,' zei mijn vader, kwasi-ontroerd 'de goede vrouw.' Maar meestal viel hij tegen haar uit als ze na haar vele tia's weer iets liet vallen en in snikken uitbarstte.

 'Maak me dan maar dood', zei ze een keer.

Voorbereidingen voor de reis.

 Mijn moeder was op de achterbank permanent bezig mijn jongere zusje en broertje zoet te houden zodat ik op de bijrijdersstoel terecht kwam naast de nerveus rijdende vader.

 Het kaartlezen in het Europa van voor de Autobahnen en Autoroutes werd ondanks zijn tegenwerpingen mijn specialisme. Achter ons reed een Fiat 1100 mee, met daarin de tantes Nel en Trudemarie, die mijn vader overal volgden.

 Ook op de campings met hun eigen bungalowtent. Nu zat Europa vol knel- en knooppunten. En stond toen al vol files. Dat begon al in België. Mons was gevreesd, het traject Metz-Nancy niet minder. De vele routes via Parijs vielen af.  Lille, Lens, Bapaume, Compiègne en Arras waren evenzovele op de peripherique doodlopende sporen.

 Jacques Borel had de eerste wegrestaurants. Oneetbaar. Dan maar de Routiers, vrachtrijders aten toch geen rommel?

 Ik improviseerde soms. Langs de torens van Laon dan? Nee, het werd Ermenonville. Waar Rousseau had gewoond bij zijn Ile des peupliers. En waar de bakker 's ochtends met zijn bestelbus aankwam en door zijn luidspreker riep 'Le boulanger est arrivé'.

 En dan wachtten ons nog Dijon, Macon en Valence. Sjokken over een twee of driebaansweg. En in de Midi Libre lezen over ongelukken waarbij inzittenden carbonisé of gravement blessés werden aangetroffen.

 

Stoom

 Het drama van mijn broertje bij het passeren van het Zwitserse Spoormuseum in Lausanne greep velen aan. Hij was niet zomaar een treinengek. Op vakanties zocht ik als kaartlezer campings voor het gezin naast spooremplacementen.

 We hebben nogeens met onze sleutels de loodzware nummerplaat van een oude loc los geschroefd en achterin de Alpenkreuzer verstopt. Mijn vader merkte dat. 'Hij trekt naar rechts', zei hij.

 En mijn broer was lid van NVBS, de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en Tramwegwezen. En mocht dus mee met het jaarlijks uitstapje maar Kleef, waar in Duitsland nog een stoomdepot was.

 Hoogtepunt was dat alle clubleden op de foto mochten, op de treeplank van een stoomloc, met de authentieke pet van de Duitse machinist op.

 Op Kralingen - waar ik met Frank Koenegracht was - is ook nog steeds zo'n liefhebbersplek, waar soms een loc onder stoom staat. En van waaruit soms stoomtreinen voor liefhebbers naar plekken diep in Duitsland rijden.

 Twee jaar terug was ik nog in Wittenberge, voormalige DDR, bij Stendhal, waar deze foto's gemaakt zijn.

Pagina's