Kijkduin

 Hoewel ik er vlakbij woonde ging ik in de zomer zelden naar het strand van Kijkduin. Een oud kustdorp, al vele jaren geleden verwoest door gruwelijke nieuwbouw.

 De witgekalkte houten fietsenstalling die mijn grootvader de kapitein - invalide en gepensioneerd bij de Holland Amerika lijn - had gepacht, en waar de jongelui wegfietsten zonder te betalen. Het enige stenen hotel, ook wit, waar weinig meer van over was dan een ijsloket, en vooral de grijsblauwe klinkers van de oprit. Waarlangs de badgasten, door mijn broer 'gatbasten' genoemd, omhoog kwamen, met hun kinderen, hun ijzeren schepjes achter zich aan slepend.

 Dat is het geluid.

 En dan kwam de branding, het zicht op zee, en het hok van de Noord- en Zuidhol­landse reddingmaatschappij onderaan de houten trap en het leitje met in krijt 'temperatuur zeewater'. Vaak genoeg 13 graden.

 Op het strand sjokte de dikke man heen en weer die meestal een emmer met zure bommen meevoerde, roepend 'zoetzuur!' Maar in het weekend een tas met het weekblad Elsevier, dat hij rondriep als 'Elsevjee'.

 Hele zomers bleef ik thuis binnen, het gordijn van mijn mansarde toe.

Hrabal

 Bohumil Hrabal vertelt in 'Ik heb de koning van engeland bediend' (1982), vertaald door Kees Mercks, hoe zijn grootmoeder aan de kost kwam.

 Ze woonde in een alkoof in een watermolen, naast het Praagse  Karelsbadhuis, waar handelsreizigers een bad kwamen nemen. Die hun vuile ondergoed uit de raampjes gooiden. Waarop grootmoeder de vuile onderbroeken met een haak uit het water viste. De jonge Hrabal moest haar daarbij soms aan de voeten vasthouden.

 Op donderdag en vrijdag, als ze geld hadden verdiend kochten de handelsreizigers namelijk nieuwe -sokken en onderbroeken en overhemden en gooiden de oude het raam uit.

 'Waar oma op ze loerde met haar haak, en dat goed waste ze dan en verstelde ze en vouwde ze netjes op en legde het in de keukenkast, en daarna trok ze ermee de bouwplaatsen langs en verkocht het aan de metselaars en knechts, en zo kon ze daar bescheiden, maar goed genoeg van leven om voor mij elke dag verse puntbroodjes te kunnen kopen en melk voor de koffie verkeerd... dat was misschien wel de mooiste tijd van mijn leven.'

 Zo'n verhaal moet het hebben van de precisie. Hoe worden de onderbroeken soms meegenomen door het modderige waterrad en toch weer opgevist.

Tags: 

Deur

 Het was een mooi huis. Gebouwd in pakweg 1890. Het had een zekere chique. Tweehoog was net goed. Wel was er een restaurant beneden, waarvan de afzuiginstal­latie aan de achterkant etenslucht door grote pijpen omhoog blies.

 Ik had beloofd mee te gaan met de kooplustige vrouw en haar makelaarster om haar voor een miskoop te behoeden. We bekeken het lege appartement uitvoerig, de lichtval, beluisterden het geluid van de straat beneden.

 Het leek te doen. Geleidelijk begon ze het huis al in te delen, met een kleermakercentimeter ruimte af te passen voor boekenkasten. De makelaarster bleef aanprijzen. Ze had kennelijk haast. In mijn hoofd vormde zich een steeds duidelijker 'nee'. Vooral door het zware vrachtverkeer dat steeds zuchtend halthield bij het stoplicht beneden.

 Maar de koopster in spe zweeg. Toen we eenmaal de trap waren afgedaald en buiten stonden en de makelaarster de voordeur had afgesloten en was weggefietst, keek de koopster nog een keer aandachtig om.

 'Nee,' zei ze. 'Waarom niet,' vroeg ik.

 'Die voordeur bevalt me niet. Daar zou ik niet mee kunnen leven, elke dag.'

 Het was een fraai bewerkte voordeur, met glas-in-lood en kunstig traliewerk. Inderdaad, iets te fraai. Maar als dat nou alles was? Het was alles. Die voordeur. Dat deed het hem.

Derde druk

 Vandaag kwam de bescheiden derde druk van mijn boekje 'Iemand zijn in Amsterdam'. Er hoeft geen 'nee' meer verkocht te worden. Ik boog me over de omslagfoto van de Nieuwe Leliestraat in 1962, gevonden door Annemieke Houben en zeldzaam door het uithangbord 'Cafetaria Smitje', waar een heel verhaal aan vast zit.

 Lees het boekje over Smitjes uitvinding van de frietsausen 'Smurrie' en Hurrie durrie'. Over linkse mensen. En vooral over mijn eerste stappen in de grote stad Amsterdam

 Een bijzondere foto uit het Stadsarchief, door veel. Zoals de fietser met de aktentas onder zijn snelbinders, de tegemoet fietsende vrouw, de man met pet, het briluithangbord van vermoedelijk de firma Brilmij en de gekalkte letters 1 MEI ROOD. En dan de VW-kevers, de FIAT 500 en de R4.

 Naast Smitje, tweehoog woonde de voddenman genaamd Rijk, met zijn merkwaardige schedelvorm, die elke avond in café De Lelie op de Leliegracht bij Smitjes dochter Tineke dronk tot hij met barkruk en al achteroverviel. Ik heb hem meermalen helpen versjouwen naar zijn kamer in de Nieuwe Leliestraat. Een bewusteloze man trappen op sjorren is zwaar.

 Dit alles staat niet in het boekje. Te krijgen bij oa. de Stadsboekhandel in de Vijzelstraat of door een mailtje naar uitgeverij Avanti: yolnus@xs4all.nl

Duits

 Lezend in 'Duitse passages' de bundel reisbeschouwingen van Lo van Driel, schiet me het woord Kleinstaaterei te binnen. Nog tot Bismarck bestond Duitsland uit 2 a 300 staten en staat­jes met eigen douane en wetten. En vaak een bekende volksaard.

 Nu lees ik over de liefdesgeschiedenis van Heidegger en Hannah Ahrendt, die uit het Oost-Pruisische Koningsberg kwam en college liep bij de filosoof in Marburg aan de Lahn, in Hessen.

 Ahrendt, die Het Eichmann-proces (1961) bijwoonde en er een boek over schreef waarin Eichmann, die de Jodenvernietiging organiseerde als een ambtenaar wordt geportretteerd, groeide op in een joods gezin.

 'Twee maanden nadat Heidegger de 'mooie, briljante maar schuchtere achttienjarige uit Koningsberg onder zijn gehoor had gekregen, stuurde de professor haar een uitnodiging om naar zijn werkkamer te komen. Ze droeg een regenjas en een hoed, die haar gezicht half bedekte.' (...) 

 Er volgde een correspondentie. Twee weken later, op 27 februari 1925 schreef Heidegger een kort briefje waaruit je kunt opmaken 'dat tussen de filosoof en zijn studente het vleselijk converseren had plaatsgevonden. 'Het demonische heeft me nu te pakken,' schreef hij, ' nog nooit heb ik zoiets meegemaakt.'

 De relatie duurde enkele jaren. Heidegger intussen werd in 1933 partijlid van NSDAP en bleef dat tot 1945. Na de oorlog deed hij alle moeite zijn rol in de oorlog te verdoezelen.

I.M. Carel van Eeden

 De schilder Carel van Eeden - niet te verwarren met naamgenoot Marcel - is opeens gestorven, zo bericht zijn dochter Lucia me. Ik kende hem sinds hij deelnam aan de tentoonstelling over het jeugdsentiment van de jaren '50, in 1970 in een oude school in de Egelantiersstraat in de Jordaan.

 Carel was een Hagenaar, woonde in z'n jeugd in de Sneeuwbalstraat, aan de rand van de woestenij van het Sperrgebiet, de kaalgeslagen puinzooi waar de huizen van allevier mijn grootouders stonden, dat hij later vele malen tekende. Bunkers waren een specialiteit. Ook met de bloemen en planten die daar later op groeiden. Samen met tramfantasieën.

 De laatste tijd schreef hij z'n katholieke jeugd op, ik kreeg hem in afleveringen.

 Ik maakte een filmpje, in 1970 van de tentoonstelling in het lege schoolgebouw, waar jeugdattributen uit de jaren '50 stonden uitgestald. Daarop zie je Carel zitten kleumen naast een reuzenformaat potkachel die niet brandde temidden van zijn aquarellen.

 Ik ken geen andere kunstenaar die het Sperrgebiet, de met versperringen bezaaide strook afgebroken Den Haag tussen Kijkduin en Scheveningen zo pijnlijk melancholiek in beeld heeft gebracht. Een tentoonstelling dan nu eindelijk?

Tags: 

Avontuur en techniek

 Alles is een keer uitgevonden. Door iemand. Ik dacht aan de tekenleraar Beks, die zijn asbak op tafel zette en ze: 'Hier is over nagedacht. Door iemand.' Zelf ontwierp hij plastic emmers en gieters. De ontdekking van de ontdekking hield me bezig. De dingen waren er niet zomaar, nee, ze waren bedacht en uitgevoerd.

 Nog denk ik vaak 'welke idioot bedenkt zoiets?'. 0f het omgekeerde. Er waren culturen waarin de vrouwen hun vloeren veegden met een handstoffer. Tot een zendeling de bezem met een steel introduceerde.

 En steeds kom ik weer terug bij de reeks 'Avontuur en techniek', want zoiets heet een reeks. Een serie dunne boekjes, met authentieke il­lustraties. Uitgegeven door ik denk de Wereldbibliotheek. Ik las ze toen ik twaalf jaar oud was. En keerde terug naar de eerste keren in de geschiedenis, de bedenkmomenten. Het ongeloof van de omstanders.

 Daar had je Cornelis Drebbel die met z'n duikboot door de Leidse grachten voer, de architect Jan van de Dom van Utrecht, die de domtoren ontwierp en meer. Uitvinders en ontdekkingsreizigers. Nergens meer te vinden die boekjes. De mijne zijn zoekgeraakt bij verhuizingen.

 De spanning, de sensatie van de eerste keren. De fietsenmakers, de gebroeders Wilbur en Orville Wright met hun eerste vliegtuigje in Dayton, Ohio.

 Lees Kafka's 'Aeroplane in Brescia'. Hij ging kijken en beschreef het in een krant.

Srebrenica, de uitspraak

 Het drama is 25 jaar geleden, vandaag wordt het herdacht. De plaatsnaam Srebrenica zal bij die gelegenheid door gezagsdrag­ers even fout worden uitgespreken als in alle jaren tevoren.

 Toen ik indertijd inwoners van Srebrenica hun eigen plaatsnaam hoorde uitspreken dacht ik meteen 'wij zeggen het verkeerd'. Maar niemand wees Kok en Voorhoeve daarop. Toen nestelde zich bij mij het idee dat het - waarom? - niet correct willen uitspreken van de plaatsnaam waar het om draait de kern herbergt van de massamoord.

 Nu vond ik een protest dat de slavist R.Harmsen al in 2001 verspreidde, maar waarop nauwelijks gereageerd werd. Ik geef een korte versie van zijn betoog dat met wat googelen in z'n geheel te vinden is.

 Harmsen schreef onder meer: de correcte uitspraak van de Bosnische plaatsnaam Srebrenica is diverse keren op de Nederlandse tv te horen geweest, uit­gesproken door mensen die er zelf vandaan komen. In fonetische symbolen, volgens de transcriptie X‑SAMPA is het [sr"ebrentsa]. Een benadering in Nederlandse spelling zou kunnen zijn: Srebbrentsa.

* De r'en zijn tong‑r, geen huig‑r.

* Tussen de s en de r zit helemaal niets, en zeker niet iets als een Nederlandse ch. Het is dus Srebbrentsa, niet Schrebbrentsa.

* De klemtoon valt op de eerste lettergreep.

*  De letter i is in de echte uitspraak zo zwak, kort en ombeklemtoond, dat hij eigenlijk als klank vrijwel helemaal afwezig is.

 Hoewel deze uitspraak helder te horen is, en niet moeilijk na te zeggen voor Nederlandstaligen, blijven Nederlandse radio‑ en televisiepresentatoren, politici, onderzoekers, en militairen die er zelf geweest zijn, hardnekkig diverse foute uitspraken van de naam volhouden.

 Zover deze bekorte versie, met dank aan R.Harmsen.

Beren

 In de keus (‘Denken over dieren’) die Tijs Goldschmidt maakte uit het werk van zijn leermeester Dick Hillenius, die ik nog wel gekend heb, gaat het oa. over beren. En het vermoeden dat beren onze oudste goden zijn.

 Waarom beren, Poeh, Bruintje, Bolke etc.? Beren zouden oorspronkelijke voedselconcurrenten geweest zijn van de mens. Ook alleseters, ook wel eens op de achterpoten lopend. Concurrenten van de echte roofdieren. Ze komen zowat overal ter wereld voor. Soms vereerd als goden. Beren werden soms geroofd en door mensen grootgebracht en vertroeteld omdat ze bij mensen gelijksoortige instincten opwekken. Ze mogen ook met mensenjongen spelen.

 Maar worden ze groter dan moeten ze in een kooi. En na drie jaar moeten ze geofferd worden. En opgegeten.

 Met excuses. Er is honger.

Noordzee

 Hoe was de zee voor de toeristen kwamen? In Normandië kwam ik aanwijzingen tegen. De straatarme kustbewoners woonden in holen in de falaises. Heinrich Heine, die in 1826 op het Duitse eiland Norderney was en schreef:

 'De bewoners zijn meestal bloedarm en leven van de visvangst, die pas in oktober, als het stormt, begint. Veel van deze eilanders dienen ook als matrozen op vreemde koopvaardijschepen en blijven jarenlang van huis zonder hun familie iets van zich te laten horen. Niet zelden vinden ze de dood op het water. Ik heb een paar arme vrouwen op het eiland gevonden, waarvan de hele mannelijke familie zo was omgekomem, omdat de vader met zijn zonen gewoonlijk op hetzelfde schip naar zee gingen.

 De zeevaart is voor deze mensen zeer opwindend; en toch, geloof ik, dat ze zich thuis het best voelden. Ook al zijn ze op de schepen zelfs naar die Zuidelijke landen geweest waar de zon bloeiender en de maan romantischer oplicht, toch kunnen alle bloemen daar niet het lek in hun hart dichten, en midden in het geurige thuis van het voorjaar verlangen ze terug naar hun zandplaat, naar hun kleine hutjes, naar de kudde, waar de hunnen, goed ingepakt in wollen jakken rondhurken en thee drinken, die zich van gekookt zeewater alleen door de naam onderscheidt en in een taal zwetsen waarvan nauwelijks begrijpelijk is hoe ze hem zelf kunnen verstaan.'

Pagina's