Stroom

 De 'stream of consciousness' ofwel 'stroom van het bewustzijn' is een manier van schrijven om het veelvoud aan indrukken weer te geven die zich steeds spontaan opdringen. Bedacht William James in zijn Principles of Psychology (1890).

 Ik las zijn tweedelige Princples op psychology in de wachtkamer van een ziekenhuis, waar mijn vrouw voortdurend haar moeder bezocht. De geest spri­ngt van de ene gedachte op de andere. Pas later werd de term gebruikt in boekbesprekingen.

 De stream of consciousness‑roman is verwant met de 'monologue interieur'. In de 20e eeuw werd het toegepast door diverse, met name Engelstalige, schrijvers, onder anderen door Dorothy Richardson, Virginia Woolf en James Joyce. Die met Ulysses (1922) het beroemdste voorbeeld schreef. Het boek volgt de stroom van gedachten en gevoelens van Leopold, Molly Bloom en Stephen Dedalus op de voet.

 Zou het iets met creativiteit van doen hebben? Ik betwijfel het. In mijn slapeloosheid van nu probeer ik steeds chocola te maken van wat voorbij sjeest, te onthouden wat bruikbaar lijkt. Maar nee, de vroege surrealisten eindigen steeds bij Carmiggelts 'konijn op lange weg'.

Londen 1968

 Sinds Boris Johnson glipt Londen me geleidelijk uit de vingers. Houvast had ik nog aan Heinrich Heine, die er in 1828 was en zich verbaasde over de eindeloze rijen - door kolendamp en vocht gekleurde bakstenen huisjes. En over de huiselijkheid. Toch bewoont iedereen thuis zijn eigen kasteel 'My home is my castle'.

 Thatcher drong later met succes aan op eigen huisbezit. En de Bonzo Dog onderstreepte het met 'My pink half of the drainpipe'. Verder verbazen hem de theatrale uitstallingen in de etalages van de winkels: 'Zelfs de dagelijkse levensbehoeften verschijnen in een verrassende toverglans, doodgewone etenswaren lokken ons door hun nieuwe belichting, zelfs rauwe vis wordt zo aantrekkelijk tentoongesteld dat de regenboogachtige glans van hun schubben ons verleidt, rauw vlees ligt als geschilderd op schone, bonte porseleinen bordjes, met lachende peterselie omkranst. Ja alles lijkt wel geschilderd en herinnert ons aan de glanzende en toch zo bescheiden doeken van Frans van Mieris.(...)'

 Toen ik in 1968 zelf in Londen kwam, het krothuisje van John Peel bezocht, Tariq Ali ontmoette en in het afgetrapte Arts Lab van Jim Haynes in Drury Lane lambs chop at bij temperaturen onder nul waren vuil en armoe het meeste wat je zag. Met bonte kleuren beschilderd, dat wel. Maar ik begreep waar de revolutie van de sixties een reactie op was. Amsterdam was verwend.

 Alleen de kleine doosjes 'Raisins in chocolate' van 1 shilling had ik hier wel gewild.

Helden

 Helden zijn zeldzaam. Maar soms. Mijn eerste held was meneer De Vries. Hij kwam ons tweemaal per week tekenles geven aan de Haagse Zonnebloemschool. Maar wat iedereen al doorverteld had: hij leed aan een haarziekte.

 Er groeide wel wat haar op zijn hoofd, maar alleen in verspreide plukken op sommige plaatsen. Daaromheen was schedel kaal. Zijn eerste tekenles was onvergetelijk.

 Ik ben meneer De Vries, ik kom jullie twee keer in de week tekenles geven. En jullie eerste opdracht is deze: Teken een portret van mij. Hij deelde grijsbruin tekenpapier uit en kleurpotloden. Ik heb het portret nog vele jaren bewaard.

 De tweede held was meneer Balster, die zijn eerste les begon met 'Dictee!'. Hij zette zijn stoel op zijn tafel, ging er op zitten, nam de globe onder zijn rechterarm en de aanwijsstok in de linker.

 'Ziehier, het toonbeeld der wijsheid.'

 Als iemand afkeek kreeg hij een tikje met de stok.

Boulan

 De eerste volwassen mannen die ik te zien kreeg waren - buiten mijn vader - de eigenaardige personages die in het beroep van leraar terecht waren gekomen. En dat levenslang moesten blijven.

 Voor ik Frans kreeg van de heer Boulan (uit Le Havre) werd me ingefluisterd: 'Als je te laat bent en hij vraagt waarom, altijd zeggen "De brug was open." Nu waren er in Den Haag-West nauwelijks bruggen die openklapten, maar ik zag hoe de laat komer voor mij met strenge hand naar de rector verwezen werd. Dat werd een middag strafschrijven.

 Dus toen Boulan gezegd had 'Te laat, hoe komt dat?' antwoordde ik prompt 'De brug was open meneer.' En zei hij 'Mooi, ga maar zitten.' 

 De les bestond uit het vertalen van La neige en deuil van Henry Troyat. De sneeuw in rouw was een bergbeklimmersdrama met veel klimapparatuur die wij niet kenden.

 Altijd stak er iemand wel een vinger op, en dan klom Boulan op zijn stoel en pakte van de bovenste kastplank een oude Paris Match vol Alpenavonturen, die hij liet rondgaan. Dit gebeurde nogal vaak, zodat wij weinig Frans leerden.

De professor en Anna Weber

 Hoewel ik van mijn zesde tot mijn negende jaar woonde in het bijgebouw van het 'Huis te Eerbeek' aan de Professor Weberlaan 1 aldaar, ben ik pas dezer dagen op zoek gegaan naar de Duitse  professor Max Weber en zijn vrouw Anna. die er woonden tot 1937 en 1942, toen Anna stierf. Een geestrijke vrouw, volgens biografe E.D.Holsappel in de levensbeschrijving die nog leverbaar is bijn Primera in Brummen.

 Weber kwam uit Bonn, was een wereldberoemd zooloog en werd tot Nederlander genaturaliseerd. Hij doceerde in Amsterdam. Anna was gespecialiseerd in algen en publiceerde over de rol ervan bij het ontstaan van koraalriffen. Op een reis naar Nederlands Indie ontdekte Max 131 onbekende vissoorten. Later specialiseerde hij zich in walvissen. nna werd eredoctor in Utrecht.

 Op het Huis te Eerbeek logeerden internationale geleerden. Die zich verbaasden over de dieren die er rondliepen zoals Simpie, de aap die elke avond door Weber toegedekt moest worden voordat hij ging slapen en over de civetkat die tot schrik van de gasten nog wel eens plotseling onder de sofa vandaan kon springen. En over Piet, de kasuaris. De Webers bekommerden zich ook om het dorpsleven en stichtten oa. het gemeenschapshuis 'Eerbeeks Belang' dat ik goed kende en een Nutsschool. In de tuinen stonden exotische planten en bomen die ik - op sterven na dood - nog meegemaakt heb.

 Toen ik er woonde was alleen het echtpaar Pannekoek nog over, die de mooie kamer op de eerste verdieping bewoonden

Wouter op de markt

 In de zevende bundel met ideën van Multatuli verkent Wouter Pieterse - nu wat ouder - de rommelmarkt in de Jodenhoek. Waar de kooplui hun waar uitspreiden, 'met de bemodderde straatkeien als toonbank en uitstalkast.' De handelaar had de naam aangenomen van waar hij in handelde: 'heette Oud-roest, kan 't nederiger?'

 'Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeeften (...) . Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen.. Daar lagen eenzame pooten van tan, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spijkers, tandelooze zagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zijn maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest.'

 En zo gaat hij de markt rond.

  'Ginds stond 'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynse dissertatieën, met almanakken en silhouetten van verloren jaren en dominees.'

Tags: 

Noto

 Een zomeravond in 1976, Eindelijk ben ik aangeland op Sicilië. In Noto, niet ver van Syracuse. Er is 1 hotel en dat heeft plaats. Het hele plaatsje bestaat uit barokke palazzi en kerken in goudbruine steen. Een deel ver­waarloosd of half ingestort.

 Boompjes groeien op de torens, zwaluwen scheren door de galmg­aten.

 De woonhuizen zijn appartementengebouwen. Alles lijkt wel volgens plan opgetrokken. Maar wanneer en waarom? Jongens sleutelen aan brommers. Op straat is het uitzonderlijk stil. 's Avonds rijd ik het stadje uit, de berg op in het gouden licht. Meer zwaluwen. Dan stuit ik op een bouwval. Prikkeldraad. Een handgeschilderd houten bordje zegt 'Noto Antica'. Er lopen varkens. Na een korte wandeling het restant van een poort. Eenmaal binnen dringt de omvang van het drama tot me door. Eens was hier blijkbaar een vrij grote stad, aan de rand van het ravijn waar nu de zwaluwen over vliegen. Krekels. In de stilte van het schitterende reuzengraf probeer ik te reconstrueren.

 Wat is er gebeurd? De varkensboer komt aan op z'n trekker en geeft het antwoord: 'terremoto'.

 Ik lees in 'In ruins' (1988) van Christopher Woodward, over de ramp van 1693 die veertig Siciliaanse steden platlegde. Noto werd in z'n geheel herbouwd. Met erg veel kerken ‑ na zo'n ramp moet je bidden ‑ in de toen nieuwe barokstijl.

 We vinden na lang zoeken een eetgelegenheid. Overal wijzen bordjes naar een 'Griekse Grot'. In een leeg appartement tweehoog (!) wordt haastig gedekt.

 Gegrilde kip. Iets anders is er niet. De rekening valt niet mee. Terug op straat worden we uitgelachen door de brommersleutelaars.

Vlugzout

 Of er nog veel flauwgevallen wordt weet ik niet. Mij overkwam het tijdens de plechtige dodenherdenking in de hal van het Gymnasium met de gipsen afgietsels van de Venus, Socrates, de Auriga, de Diskobolos en wie niet.

 Je wist wat er ging gebeuren als de tekenleraar klei liet aanrukken voor een les beeldhouwen. Opeens stond daar de gewoonlijk geslachtloze diskuswerper met een fors or­gaan van klei. Het Vaticaan heeft nogal huisgehouden onder de klassieken. In Rome schijn een enorme berging te zijn met afges­lagen lullen. Eddy de Jongh heeft erover geschreven in Kustschrift.

 Maar nu de dodenherdenking, in mijn eerste jaar. Liederen en toespraken, oneindig veel. En opeens voelde ik het bloed uit mijn hoofd wegtrekken en ik viel. Als een pilaar recht voorover op mijn voorhoofd. Zonder een hand uit te steken om mijn val te breken.

 Even werd ik nog wakker van de klap. Het eerste daarna was de afschuwelijke geur van wat vlugzout bleek te heten.

 Het was juffrouw Klink, lerares Frans, die me in haar Fiat 600 naar huis bracht. Maar zelfs de geur van haar parfum kon het vlugzout niet overstemmen.

Bakkersgeluk

 Het dorpscentrum werd gevormd door de kruising van twee hoofdwegen. Die van Brummen naar Loenen en die van Coldenhove naar het kanaal. Aan de ene kant van de kruising lag de ruïne van de half uitgebrande school waar ik les had, er schuin tegenover de bakkerij en winkel van Mulder. Waar ik binnen mocht omdat Heintje bij mij in klas zat.

 Omdat ook de schoolbel bij de brand verloren was gegaan blies de bovenmeester bij het aangaan van de school op een scheidsrechtersfluitje.

 Onze middagpauzes brachten we door in de geurige bakkerij, waar Heintjes Oom Puck, in geruite broek en met bakkersmuts op, brood en banket bakte. Er schoot vaak wel wat over. Mijn moeder klaagde dat ik thuis mijn bord niet leeg at.

 Het geluk woont in bakkerijen. Van mijn overgrootvader met de lange baard, die bakker was in het Zeeuwse Wolphaartsdijk, werd verteld dat hij 'aardig was'. Een uitzonderlijke eigenschap in die streken. Ook Oom Puck was een levende legende Nog zie ik hoe hij het witbrood met een kwast water bestreek en nog even nabakte, zodat er een glimmend bovenlaagje opkwam.

 Om niet te spreken van de bakplaten vol tompouces die hij vaardig in de juiste porties sneed. We staarden ernaar met open monden tot het fluitje van de bovenmeester weer klonk.

 Het banket op bestelling, met marsepeinen of chocolade felicitaties maakte de meeste indruk. En het grote moment van de week kwam op zaterdag, als na zessen bleek wat niet verkocht was en misschien zou overschieten voor ons jongens.

 Het graf van Oom Puck is er, op Coldenhove. Het lijkt door hem zelf ontworpen.

Heeroom

 Ging je in Leersum onder de beukenbomen van de Lomboklaan staan dan zag je hem van ver aankomen van de halte van de Blauwe Tram. Dat moest ik de tantes Be en Wies gaan zeggen. Dan konden ze wat meer eten opzetten. Heeroom at nogal veel.

 Heeroom was van de kant van tante Wies, die katholiek was maar 'er niets meer aan deed'. Heeroom at niet alleen mee, maar moest ook extra verwend worden. Hij was een belangrijk man. Er werd een fles wijn voor hem opengetrokken.

 Je herkende hem aan zijn bolle buik, zijn zwarte gewaad met vele knoopjes en vooral zijn omgekeerde witte kraag.

 Zelfs de honden, genaamd Naughty en Roetje zwegen. Tante Wies had in Engeland gewoond en sprak een ratjetoe, zelfs woorden als 'jam' zei ze op z'n Engels en de Maggi soep-aroma werd Engels.

 De honden zwegen eerbiedig als Heeroom binnen was. Alsof je wisten dat hij de sleutel van de hemelpoort op zak had.

 En ja, Heeroom bad aan tafel en ook ik sloot m'n ogen. Was hij familie? Nee, priesters mochten toch niet trouwen. Maar familie van God was Heeroom toch zeker.

Pagina's