Het woord komt uit in Noord-Frankrijk: 'arquière' was de boogvormige uitbouw in kasteel- of stadsmuren waarin geschut kon staan. Een schietgat dus, van waaruit mijn grootmoeder haar zuinige opmerkingen over voorbijgaande de buren losliet. Hoe de boogvormige uitbouw zich ontwikkeld heeft naar de vorm die nog het meest doet denken aan een drieluik, weet ik niet. Er moet verwantschap zijn met de Italiaanse arcaden van De Chirico.
Ik kom uit een familie van erkermensen. Die peinzend, veilig onzichtbaar achter hun vitrage staan, de handen op de rug, te kijken naar te luidruchtig afscheid nemende buren, naar te mooie vrouwen die passeren.
Mijn grootvader was ouderling van de Nederlands Hervormde Kerk. Mijn moeder vertelt dat ze, als haar schoonouders op zondag op visite kwamen, niet mocht breien of handwerken. Dat had hij liever niet.
Hij snee zich nogal eens met scheren. Mijn grootvader was een aluinman. Ik klamp me vast aan een indruk van peilloze melancholie. Er is één foto waarop hij bijna lacht. Uit zijn studententijd. Samen met een vriend is hij uit fietsen. De fietsen liggen tegen een Zeeuwse dijk op de achtergrond.
Hij was de enige zoon van een bakker in Wolphaartsdijk. Waarom trok de bakkerszoon in 1921 naar Den Haag, vraag ik mijn vader? Hij werd leraar in Goes, waar hij zelf als dorpsjongen de HBS had mogen bezoeken. Hij had een meisje uit een rijke boerenfamilie getrouwd.
'Dat was het hem nu juist,' zegt mijn vader. 'Je grootmoeder zocht het altijd hogerop. Die wou iets bijzonders wezen. Ze ging als enige van haar zusters naar de HBS. Maar ze zakte voor het eindexamen. En ze was te trots om het over te doen. Inplaats daarvan stuurde ze de leraren toen haar verlovingskaartje.
De Frankenslag in Den Haag. Daar kon ze een echte mevrouw zijn. Er kwam een vreemd eind aan de eerzucht van mijn grootmoeder. Ik stond er bij, een jaar of elf. Er was sprake van nieuwe gordijnen, voor in de erker. De oude waren op, de rafels hingen er bij. Maar ze wilde er niet aan.
‘Je bent pas zestig.’
'Het is de moeite niet meer.'