In de catacomben

 De mol is ongeschikt als huisdier. Tenzij je het huis van de mol het jouwe zou maken. Holbewoners houden misschien mollen. Wat me aantrekt aan mollen is dat je alleen hun molshopen ziet. Die getuigen van hun grote bedrijvigheid. Kafka schreef niet voor niets over een reuzenmol. 

 In het nieuwe nummer van Tijdschrift Terras over Catacomben vind ik 'Veldnotities uit het souterrain' van H.C.Ten Berge, waarin hij een mol ziet:

 'Een dode mol met dauw bedekt/ lag in het tuingrind van mijn ouders -/ een zwartfluwelen lijfje, roze snuitje, vliezen/ voor de ogen, graafklauwtjes nog uitgestrekt./ Dakloos en verkleumd/ had zij het die nacht begeven, kon/ tussen de kiezels/ niet meer ruiken waar de doolhof/ in de losgewoelde grond begon./ Ik groef een graf waar zij ten naastenbij/ haar worp te eten gaf/ en nog geen dag geleden leefde.'

 En dan citeert hij het gedicht van Antonis de Roovere uit 1460 over het mollenfeest. Nadat hij heeft verteld dat mollen, zoals middeleeuwers al wisten, niet aan mensenlijken snuffelen. Wel konden de doden tijdens de pestepidemie daar beneden inhaken in de dodendans van de 'Coninck der mollen':

'Het was gedaan

Het is geweest

Zij moeten gaan ter mollen feeste.’

De Wildcamera van Martin Reints

 Heet de bundel gedichten en stukjes van Martin Reints. De camera staat daar, ik denk op een statief. Ergens in het wild. Neergezet door iemand die nieuwsgierig is. Naar wat?

 Naar wat het toeval aan zijn camera voorbij zal laten gaan. Die aanslaat als er iets of iemand langskomt.

Het toeval beheerst de gedichten van Martin Reints als een verzoenende hogere macht. Wat zal ie brengen? Heel de wereld mag voorbij komen, in stukjes en beetjes.

Neem 'Vitrine', waarin de dichter een veilinghuis bezoekt en halverwege meent te zien hoe:

 'het bord uit de nalatenschap van de door een val/ van een rots omgekomen amateurfotograaf is terechtgekomen/ in een vitrine waar het binnenkort wordt bekeken door de toekomstige eigenaar

iemand waar ik verder niets van weet leest in een boek/over een geschiedenis waaraan hij niet heeft deelgenomen,

met van zijn ene hand de vingers op een bladzijde/ en in de andere hand de koker van een leesbril'

 Het zweven van de in- en uitwendige blik van Reints tilt je op en neemt je mee. Ontroert door de precisie:

'er waait een stuk papier voorbij met de tekst "gereserveerd"/ dat op een stoel moet hebben gelegen

de wildcamera slaat aan/ en filmt.'

Tags: 

Kunst en humor

 Het heet 'Humor, 101 jaar lachen om kunst' en is te zien in het Frans Hals en de Haarlemse Hallen. Een grapje maken van kunst, omdat die kunst daar om vraagt, daar begon het mee. Die 101 jaren komen van het jubileum van Dada (1916).

 Humor blijkt eindig. De pisbak van Duchamp blijft niet altijd leuk. Was het eens omdat kunst in Duchamps tijd zo ernstig genomen werd en aan strikte academische normen moest voldoen.

 Dada luchtte op. Maar is wel erg voorbij. De pisbak heeft zichzelf overleefd. Toch wordt hij, tot vervelens toe, steeds weer vertoond. Humor is eindig.

 De Dadaïsten en surrealisten werden gevolgd door volgende generaties die hier ook hangen.

 Ik lachte in 1963 toen Wim Schippers op televisie zijn flesje limonade in zee gooide en organiseerde meteen ook zelf een 'volstrekt oninteressante' tentoonstelling. Het flesje is hier weer te zien. Maar wordt verbaasd aangezien door echtparen, meer niet.

 Elke generatie zijn eigen pispot? Grapjes slijten. Waar bij komt dat zo'n enorme stapel grapjes niet werkt. Ze slaan mekaar dood. Wat nu vooral opvalt is het vele werk dat er in zit. En niemand lacht. Humor is zelden leuk als er humor op staat.

 Wat grappig is werkt op z'n best als je niks grappigs verwacht.

Hanny Michaelis in april 1942

 Verder in de verdwenen wereld van haar dagboek. Verbazende naïveteit. Hanny gaat in april 1942 bij het Huis van Bewaring (de huidige Balie) informeren of haar brie­ven aan haar opgepakte vriend Nico wel echt bij gevangenen aankomen.

 Een norse bewaker zegt na lang aanhouden dat ze daarvoor bij de Gestapo in de Euterpestraat moet zijn. Gelukkig doet ze dat niet, haar vriendin Dini gaat.

 'The past is another country, they do things differently there.' Al lezend leef ik me zo in - ook omdat ik haar op latere leeftijd meemaakte - dat ik voortdurend denk 'niet doen, doe nou niet'.

 Ze werkt, kan bij haar ouders langsgaan. Er is van alles te eten en vaak is het 'gezellig'. Over de oorlog nauwelijks een woord. Als op 29 april 1942 in de krant staat dat Joden een ster moeten gaan dragen is de reactie 'laconiek'. Schrijft Hanny: 'Het is zo intens kinderachtig.' Maar het kon haar niets schelen. 

 De lezer weet dat het niet lang meer zal duren. Zij verkeert in zalige onwetendheid. De realiteit van de bezetting en het naderend lot van de Joden zijn nog steeds niet doorgedrongen en onvoorstelbaar. Trams rijden, brieven worden bezorgd.

 Ik dacht aan het verhaal van Adriaan Morriën die toen in de Ruyschs­traat woonde, een bijna compleet Joodse buurt. Hij wist nog goed wat er gebeurde toen de enveloppen kwamen op zijn trap. Men moest gepakt en gezakt zich komen melden voor transport. 'Het trappenhuis rook naar de kapper,' zei Adriaan. 'Alle vrouwen waren bij de kapper geweest, ze wilden netjes op reis gaan.'  

Koning der Belgen

 België, het vaderland van het surrealisme. Je belandt in King of the Belgians al vlug in de wereld van Hergé en Magritte. Maar ontdekt gaandeweg ook de ernst van Hergé. De ernst van het surrealisme. De ernst van King of the Belgians.

 Door omstandigheden raakt de koning met zijn gevolg geïsoleerd in Istanboel, waar een film over hem gemaakt wordt. Geen vliegtuigen, geen telecommunicatie als gevolg van een zonnestorm. Dan komt het bericht dat Wallonië zich heeft afgescheiden. Ze hebben genoeg van de bemoeizucht van de humorloze Vlamingen. En dat in een Vlaamse film. De koning moet dringend het volk gaan toespreken. Maar hoe komt hij in Brussel? De Turken willen hem tegenhouden. Volgt een vluchtpoging, incognito, per auto. 

 De Balkan is al door Hergé getekend, de filmers volgen hem. Een grenspost in Montenegro komt zo uit de Scepter van Ottokar en Syldavië. Heel de film zou zonder Hergé niet gemaakt kunnen zijn. Een sleutel is dat de nobele koning van Syldavië ook zo lijkt op Filip, bijgenaamd Flupke.

 En zo kom je bij de ernst van België. De ernst en de charme van het Belgisch surrealisme. Gelijkop met de zelfontdekking van de koning. Eerst vlucht hij zelfs vermomd als een Bulgaarse zangeres, vrij naar de verkleedpartijen van Jansen en Jansens.

 Maar er zijn ernstige overwegingen tussendoor, over het verschil tussen Vlamingen en Walen - de Duitsers versus de Italianen van Europa - en het leven binnen een protocol. En het slot is prachtig. Waarom bestaat België? 'Omdat ik de koning ben.' Filip, een duidelijke bron van inspiratie, kan het hem nazeggen.

Jeroen van Kan dichtbij

 'De wereld onleesbaar', heet de bundel van Jeroen van Kan. Op het omslag in spiegelschrift gezet. Dat je het maar weet.

 De wereld ligt op de tafel waar je morgen weer van moet eten.

 De kunst van het schrijven over wat je niet weet en niet kunt. Over het wit tussen de regels van de wereld. Ik hou van niet-schrijvers. Zij die reiken naar wat buiten hun macht ligt. In het reiken zit de poëzie. 

 Het gedicht 'doodgedrukt' vertelt van dat papier op tafel, de onleesbare wereld waarin je verder moet: 'Kijk het lijk van de wereld daar eens liggen, op die tafel'. Mijn favoriet is 'de nieuwe jij'. Waarin de verwijdering tussen twee geliefden onontkoombaar wordt:

 'laat mij die nieuwe jij vastleggen die je daar/ in de maak hebt al die kleine voorbodes van het/ afdrijven

 in elk nieuw herken ik een fris afsterven/ nog jong en vrolijk en toch een zuigeling in een/ doodsbed

 zepig luchtje/ aangespannen armspieren/ lachen dat ik niet mee kan lachen/ koffie uit een machine van wit plastic/ vrienden elk met een deel nieuwe jij in de ogen

 laat mij die nieuwe jij kennen geef me de inventaris/ en ik voorzie elke systeemkaart van een traan en een/ voetnoot

Tags: 

Chuck Berry's prijs

 Met het optreden van Donald Trump is een eind gekomen aan meerdere tijdperken. Waaronder dat van de Americana. De Amerikaanse Droom, waar generaties popmusici en bewonderaars op dreven is dood.

 Chuck Berry (1926), een van de voornaamste scheppers van die droom stierf dit voorjaar en was maar zo verdwenen. En met hem zijn poezie. Niemand die beter schreef over autorijden. Natuurlijk had hij die Nobelprijs moeten krijgen. De man  die niet alleen schreef maar ook gelijkop zong, speelde en een nieuwe muziekstijl uitvond die ein­deloos nagev­olgd is. De Stones dankten hun doorbraak aan hem. Bewonderaar en navolger John Lennon zei 'Everything that goes ka-chunk ka-chunk' is Chuck Berry.

 Waar gaat het over? Over de highschool-jeugd van een blanke generatie. Geidealiseerd door een zwarte die al veel ouder was dan zij. Die Johnny B.Goode (1958) schreef op z’n 32ste..  Over de jonge zwarte gitarist die oefent bij de spoorbaan. Maar de 'little coloured boy' in zijn tekst moest een 'country boy' worden. Hij veroverde het jonge blanke pop-publiek. Ook daarvoor zou die prijs moeten zijn, het doorbreken van de rassenscheiding. Tot zijn derde jaar had Chuck in zijn geboorteplaats St. Louis nooit een blanke gezien. De eerste was een brandweerman. Hij dacht dat die bleek zag van angst.

 Deep down in Louisiana close to New Orleans

Way back up in the woods among the evergreens

There stood a log cabin made of earth and wood

Where lived a country boy named Johnny B. Goode

Who never ever learned to read or write so well

But he could play a guitar just like a‑ringing a bell

 

Go go

Go Johnny go!

 

 He used to carry his guitar in a gunny sack

Go sit beneath the tree by the railroad track

Oh, the engineer would see him sittin' in the shade

Strummin' with the rhythm that the drivers made

The people passing by, they would stop and say

"Oh my, but that little country boy could play"

(...) 

Tags: 

De markt om de hoek

 Brick wall, brick wall in the mall, who's the prettiest of them all. Een sprookje als titel. Johan Jensen Kjeldsen maakte een expositie waarin wat buiten is naar binnen komt. Met een been in de Albert Cuypmarkt. Site specific als wat!

 Op de grond ligt een damessandaal die in een reuzenijsje getrapt heeft, de oubliehoorn er nog naast. Dat komt omdat Juliette Jongma's galerie op de Gerard Dou om de hoek is bij het fameuze 'Ijscuypje'.

 Veel eten ook verder.

 Er staat een gestoorde barbecue waar het gevallen spiegelei aan de buitenkant terecht kwam. Een hangt reuzenworst aan kettingen waar wat poep uit lekt. Ja, worst stop je in darmen, slager. 'The pickle between asshole and mouth' (2017).

 En dan die Disney-achtige vogel op een tak die spetters poep laat vallen in 'Memories of shit that got left behind' (2017).

 Disney komt terug, in handen en voeten. En een verongelukt kinderzwem­badje met als patroon een wereldkaart zegt je waar je bent: halver­wege de kinderwereld.

 Jensen Kjeldsen doet de Ateliers, ook al om de hoek. 

Hanny Michaelis' dagboek

 De titel van het tweede deel van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis, 'De wereld waar ik buiten sta' roept meteen de vraag op in de welke wereld ze dan wel, bijna duizend pagina’s lang, leeft, ondergedoken als dienstmeisje.

 Al lezend verzink je in alledaagsheden van een andere tijd. Hanny is heel secuur, het is gezien en niet onopgemerkt gebleven. Overdrijft ze? Op vrijdag 19 juni 1942 staat er: 'Ik vat het plan op mijn dagboek anders in te richten dan tot nu toe, beknopter en zo mogelijk essentiëler. Ik besef dat dit mij met mijn neiging tot breedsprakigheid moeilijk zal vallen, maar ben vastbesloten het te proberen. Dit voornemen brengt me in een opgewekte werkstemming en onder het stofzuigen ga ik mijn verschillende verlangens na.'

 Van die beknoptheid komt dus niets terecht, getuige de duizend pagina's. Even verderop komt een passage als deze:

 'Als ik 's avonds thuis op de divan voor het raam zit na een eindeloos gepas en geharrewar over jurken, die de naaister niet goed heeft gemaakt en de zon plotseling onder een donkere wolk uit zie schieten, zodat er een bundel roodgoud avondlicht aanflitst, over de boomtoppen van het Bos scheert en de huisjes aan de overkant van de Amstel met een strook weiland erlangs in een warm schijnsel zet. De laaghangende, paarsgrijze wolken erboven geven het geheel iets van een verlichte grot en de Amstel die net buiten de gloed valt, ziet somber roodblauw.'

 'Op weg naar huis, als ik over de brug van de Stadhouderskade fiets en verrast word door de lucht in het Westen, blinkend lichtgeel tegen de donkere boomkruinen en zich weerkaatst in het doodstille zwarte water. Het is kil en schemerdonker.'

 En je weet, dit zou nu een gsm-fotootje zijn.

Tags: 

Murat Isik

 In zijn tweede boek 'Wees onzichtbaar' beschrijft Murat Isik zijn komst als klein Turks jongetje naar de Bijlm­er, in 1983. De titel is jongetjeswijsheid die ik meteen herken. 'Wees onzichtbaar'  Je zult wel moeten, met zo'n vader.

 Ik weet ervan. Na een confrontatie stond ik op mijn kamertje voor de spiegel; en fluisterde: 'Ik krijg je nog wel'.   

 Deze vader weigert iets van het geld dat hij van de overheid krijgt aan zijn vrouw te geven voor het huishouden, het eten.

 Hij gaat weer stappen:

 'Hij wist dat mijn moeder hem niet zou laten gaan, dat ze zich desnoods aan hem vast zou klampen. En hoe vaak mijn vader ook vanuit zijn zelfgebouwde troon neerkeek op haar en haar 'vogelb­rein' noemde, hij wist dat hij er niet aan zou ontkomen om zijn portemonnee uit zijn binnenzak te halen en er een door Ootje Oxenaar ontworpen bankbiljet uit te halen, met daarop de plechtige beeltenis van Jan Pieterszoon Sweelinck in fraaie rode tinten. Als zijn woede de overhand kreeg, volstond hij met het blauwe biljet met daarop de ernstig kijkende Frans Hals. En wanneer duistere gedachten het wonnen van zijn fatsoen en mijn moeder hem haast tot waanzin dreef, liet hij Frans Hals door de lucht dwarrelen en moest mijn moeder hem van de betonnen vloer van de galerij rapen.'

 En dan: 'Langzaam vloeide de spanning uit het gezicht van mijn moeder. De onzichtbare lucht van ontspanning drong beetje bij beetje naar alle vertrekken van het huis.'

 Dat is nog eens schrijven.  

Pagina's