Groot en klein

 'In een notedop' is een uitdrukking geworden. Vast afkomstig van de beeldhouwwerkjes in hout of ivoor waarin hele, vaak Bijbelse voorstellingen werden uitgesneden. Het evangelie op zak. Het Rijks stelt ze tentoon en het nieuwe nummer van Kunstschrift verhaalt ervan.

 Als kind al leef je in schuivende kijkhoogten. Kinderogen die over de tafelrand heen kijken zien kopjes en schotels als gebouwen.'

 Het Calimero effect, samengevat in 'zij zijn groot en ik is klein en dat is niet eerlijk'.

 In het Rijks zijn miniaturen te zien. Maar die gaan bij mij vanzelf hand in hand met vergrotingen. Gulliver is er altijd ook. En kijkt lachend toe hoe de lilliputters zijn buik omspannen om hem aan de grond te nagelen.

 Mijn eerste sociologie college verhaalde van een steeds oplaaiende ruzie tussen keukenpersoneel en de obers in een groot Amerikaans restaurant. De keuken lag een halve verdieping lager, zodat de koks de spijzen omhoog moesten reiken naar het doorgeefluik en de obers ze de vuile borden toesmeten. De obers keken letterlijk op ze neer. Toen een verstandige baas in een nieuwe vestiging keuken en restaurant gelijkvloers legde was het opeens uit me de ruzies.

 Het ging om macht. En die werd - letterlijk - bepaald door positie en afmetingen. Ik zag koningen op hun troon. En de volgende stap, de uitvergroting van machthebbers. De farao's wisten er van. Ze zagen torenhoog neer op hun onderdanen, die op hun beurt tegen ze opkeken. De taal is doordrongen van afmetingen.

Ps. In Kunstschrift vond ik de verbazende Miniature Calendar van Tatsuya Tanaka.

Het langzame kijken

 Met elke stap die je zet verandert de wereld. Met elke oogknipper. Wat daar bij komt is hoe vlug of langzaam je gaat en kijkt. Daarover schrijft Martin Reints In zijn nieuwe bundel Wildcamera.

 Kijken zonder te bewegen kan niet. Is een fictie van de schilderkunst, waar die beweging soms wel wordt gesuggereerd, maar toch meestal het omgekeerde gebeurt: de schilder schept een onbestaanbare, stilstaande wereld. Hallucinerend. Ik lees 'Het langzame kijken van Peter B. van Houten', de schilder:

 'De snelle waarneming/ van de vlekken om hem heen:

in een afremmende trein, in een rijdende auto,/ in de keuken op weg naar de gang

en het trage kijken tussen de vlekken door:/ vanuit de rijdende auto naar een tankstation in de verte/ of naar de verkeerslichten of naar de richtingborden bij een kruispunt

terwijl je langs de keukentafel loopt naar een hand die een glas pakt

vanuit de steeds langzamer rijdende trein/ naar een schip op een rivier

bij iedere beweging de beslissing waarnaar te kijken/ en waarover na te denken, met ons apenbrein

dat een plan maakt:/ morgenochtend verderop rustig vijgen eten

nu in deze vlekkerige boom op de route snel/ een nest bouwen voor de nacht.'

Tags: 

Berg

 Een orthodox Joods gezin woont in het wachtershuisje van een uitgestrekte begraafplaats op de Olijfberg in Jeruzalem. Geen boom, geen bloem te zien. Het is dat niets waar de film van Yaelle Kyama's over gaat. Doden, louter zerken. En muizen, die wel.

 De dood reikt ook naar het gezin van vijf kinderen, de man die zijn vrouw Tzvia niet meer ziet staan. De Al Aqsa moskee blinkt iets verder op wat de Israëli’s de Tempel­berg noemen.

 Er is meer leven in deze zerkenwoestijn. 's Avonds na het invallen van het donker treffen zwervers en hoeren elkaar hier. En als haar man en kinderen slapen, gaat Tzvia kijken, raakt geobsedeerd door deze andere wereld. En gaat praten, eerst voorzichtig, tegen het wantrouwen in. Maar dan brengt ze pannetjes soep.

 Een prachtige plek om de onoplosbaarheid van Israël en van dit huwelijk te laten zien. Zo komt Tzvia voor de keuze, zich bij de zwervers aan te sluiten of haar orthodoxe gezinsleven voort te zetten. Allebei uitzichtloos. En dan ontstaan er twee pannen soep. Een met rattengif, een zonder. Welke is voor het gezin, welke voor de zwervers? Wie tenslotte de giftige krijgt wordt niet onthuld.

 Zelf neemt ze als eerste een slok.

Buiten

 Buiten is in Nederland wel iets heel anders dan binnen. Ik groeide op in huizen waar het naar buiten gaan met veel misbaar werd tegemoet gezien. Jassen en dassen aan­getrok­ken en omgeslagen met vermanende begeleiding. Een volk van huiveraars. Die zich altijd schrap zetten, levenslang. En als - zoals dezer dagen - de kou dan eindelijk even wijkt, hera­dem­en, de spi­eren strek­ken. Of er een loden last van ze af viel.

 's Avonds buiten zitten. Eten zelfs. Ik lees in een tuinstoel gedichten van Breyten Breytenbach in 'De zingende hand'. Geschreven in de Zuid-Afrikaanse omgekeerde wereld. Ze praten er Hollands, maar anders. Dat moet wel zijn omdat het er warm is:

 'dit was de zomer van lange warme avonden/ dit was de zomer van de trein/ die de stad tegen de schemering uit rijdt/ om zich verder te spoeden door gouden korenvelden/ die 's avonds versom­beren onder een hemel/ van paars en bloed/ dit was de zomer dat vogels/ snikten in het bos/ dit was de zomer dat jij je je liefdes/ probeerde te herinneren en waarom/ ze gezichtloos als een deken/ gewichtig in de nacht/ tegen de zere plekjes op je benen schuurden/ dit was de zomer van sterren die vervaagden in de straat/ en van woorden die plots opraakten op papier/ dit was de zomer dat je wel wist/ dat je dit alles misschien voor de laatste maal zag: de wolken, het woud, de wonden van sterren/ als namen in de nacht/ de nonnen met hun schichtige enkels'

 (tweetalig, Nederlands van Laurens van Krevelen.)

Litteken

 Gisteren werd een wond tussen twee vingers bij mij gehecht door een ziekenhuisstagiaire die me bezwoer dat er niets zichtbaars van zou overblijven. Vreemd, eens was een litteken een ereteken.

 De dichter Michael Palmer begon zijn 'Brief aan Rotterdam' op Poetry zo: 'De twee littekens op mijn gezicht lijken langzaam naar elkaar toe te groeien'. Zijn oudste kreeg hij op zijn vierde jaar. Mijn oudste was wat ik op mijn achtste jaar overhield aan een wespensteek. Heel mijn onderarm zwol op en tante Ans besloot tot een paardenmiddel: onverdunde ammonium, daarna stevig ingezwachteld. Ik verging van de pijn maar gaf geen krimp. Het werd een ontzaglijk merkteken. Gek genoeg is het sindsdien almaar kleiner geworden en nu bijna weg.

 Wat ik nog wel meedraag is de diepe snee in mijn knie, van het prikkeldraad, opgelopen op de vlucht voor een duinwachter met hond op mijn elfde.

 Het lichaam als geschiedenisboek.

 Michael Palmer schrijft: 'Dat simultane krimpen en rekken van de tijd, het 'ik' dat zijn vastheid verliest, een vastheid die het misschien nooit gekend heeft; het tastbare gevoel van tijd als een enorme ruimte tussen het 'nu' en het 'toen'.

 Terwijl de verpleegster mij dichtnaaide dacht ik aan het 'onzichtbaar stoppen' van ladders in de nylons van mijn moeder. Weg geschiedenis.

ps. De tekst van Michael Palmer staat in het nieuwe numer van Tijdschrift Terras over Catacomben.

Kleren keren

 Sinds Ileen Montijns 'Tot op de draad' bekijk ik extra gespitst vermaakte kleren op oude foto's. En nu, in de nieuwe Extaze - het in mijn ogen zo Haagse literaire blad - tref ik het gedicht 'Het komende leven' van Renée van Riessen. Met daarin het keren van kleren.

 Het hiernamaals van kledingstukken, door vaardige handen uitee­ngenomen. losgetornd en weer in elkaar gezet voor een nieuw leven. Waar ze nog jaren 'mee kunnen', door omstanders begroet 'als nieuw'. Kleren brengen taalrijkdom mee, die terugvoert naar het geluid van de naaimachine.

 'De hoge ramen vangen licht/ waar moeder aan tafel zat.

 Het is middag, net als toen, en stil:/ de rust van lappen, losgetornd,

 de spelden als een halo bij haar mond,/ ze zwijgt. Wij kijken hoe haar voet/ omhoog gaat, om de naald

 wonderlijk snel te laten jagen/ over een wijder veld, waar vaders jas/ opnieuw beginnen kan als broek.

 Wat is het komend leven?/ Ze zeggen: het is niet anders/ dan dit leven, hier.

 Alles zal zijn/ zoals het is bij ons,/ maar onherkenbaar gekeerd.'

Extaze bevat ditmaal louter voor mij nieuwe dichters en schrij­vers. Alleen teke­naar Lucas van Eeden zag ik eens. 

Tags: 

Armando's Liever niet

 In Armando's nieuwe bundel kom ik op vertrouwd terrein. Het is er oorlog. Het natte gras groeit op plekken waar iets gebeurde. gebeurd kan zijn of zou kunnen gebeuren. Ik weet van dreiging, van de vijand, van vlucht, het struikgewas, dekking zoeken, altijd op je hoede. Alleen van mijn oorlog bleef niet meer over dan puin, veel puin en verhalen. En de oerroep 'Maak dat je wegkomt', zoals in 'Ledematen':

 'Het heeft een vierkante kaak,/ lippen van een achterdeur,/ lurven op een kier.

Stel dat het in beweging is/ misschien een boom, misschien/ een afscheid van het bos.

Het hoofd uit vrije wil,/ de armen liggen gelijkvloers.

Per slot van rekening de benen./ De benen?/ Benen hebben gevouwen voeten.

Raap de ledematen op,/ ga onmiddellijk weg.'

 En dan het titelgedicht van 'Liever niet' dat zo begint:

'Helaas, het is niet echt gebeurd,/ niet echt gebeurd,/ nee, liever niet gebeurd./ Kan er iets gebeuren als/ er lachend liever niets gebeurt? (...)' 

Ppapier in opstand

 Je hebt scheurders en frommelaars. Donald  Trump lijkt me een typische scheurder. Angela Merkel daaren­tegen verfrommelt denk ik wat haar niet aanstaat. Soms zal ze de prop weer uit de bak halen en gladstrijken omdat ze misschien iets vergat.

 Een scheurder blijft scheuren tot de laatste snipper. Frommelaars eindigen bij een balletje dat ze dan proberen in een prullenmand te mikken.

 Dit schrijf ik net terug van de opening van Paper Art in Coda, Apeldoorn. Het meesterwerk waarin alles wordt samengevat is daar de film ‘A’ van Kim Habers (2017), waarin het papier in opstand komt. Eerst betreed je een papieren doolhof, dan komt in zwartwit betekend papier op een scherm tot leven. Alsof er in die berg personages van levend papier huizen die elkaar bevechten, versch­eur­en, doorboren. Die eruit willen.

 Papier is vooral aanraakbaar. Je wilt in Apeldoorn steeds met je vingertoppen strijken langs de vele vormen die het aanneemt. Zoals je over de zijkant van een boek gaat.

 Het beschilderen van papier herinnert je meteen aan de vluch­tigheid ervan. Zo zijn de beschilderde kartonnen weggooi koffiebekertjes van Paul Westcombe (2013-2017) ontroere­nd. Omdat je weet dat ze zulen verdwijnen als zandkastelen.

 Licht en schaduw zijn er in de verbazende Origami-profielen van Kumi Yamashita. Servetportretten.

 Ik maakte een modeshow mee van papieren hoedjes, gedragen door echte mannequins. Nog meer vluchtigheid. Ik liep de deur uit met ‘een twee drie vier, hoedje van..’.  

On an island

 Vroeger heeft nu ook de Engelse verkiezingen verloren, Jarenlang was ik anglofiel. Keek naar de BBC, was verslaafd aan het weerbericht met de  kortademige Ian McCas­kill. Alleen al om hem te horen zeggen, na de aankondiging van buien,  'in p­laces'.

 Nu het eilandenrijk van ons wegdrijft wordt het stil op de Autoroute des Anglais, raakt de 'Chunnel' leeg. Alleen vluchtelingen zoeken hun heil. Hoe lang nog? Vannacht en vanmorgen keerden de tijden van Peter Snow terug met David Dimbleby. En desastreuze uitslagen voor mevrouw May. Oorzaak hoogmoed, zei men. Corpsbal Boris Johnson die ze Brexit aansmeerde liet zich niet zien.

 In zijn Monoloog van een anglofoob legde W.F.Hermans nog zo mooi uit wat een 'public school' is: '...een soort kostschool. De kost bestaat uit havermout, appelstroop en oude cricketballen.' En hij voegde toe: 'Het is bekend dat er op een public school niets maar dan ook niets onderwezen wordt'.

 Maar het mooist vond ik Michael Flanders en Donald Swan over 'buitenlanders': 'It's not that they're wicked or natur­ally bad. It's knowing they're foreign that makes them so mad.' Aldus hun 'Song of patriottic prejudice' (1965)

De splendid isolation van Disraeli is niet meer. Vroeger is nergens meer wat het was. En ik neurie met Ray Davies:

I'm on an island

And I've got nowhere to swim

Oh what a mood I am in

I'm on an island 

Tags: 

Arps gedichten

 Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef hij de bundel Die ungewisse Welt. Je herkent de wereld van de vroege Louis Lehmann, de Neder­landse surrealist. Van Chirico, van Willink. Het naar vreemde vliegtuigen in de lucht staren.

 Naast de Hans Arp-tentoonstelling in Kröller Müller is er nu ook een keus uit zijn gedichten, vertaald door Ria van Hengel . Bij weinigen gaan taal en beeld zo samen. Surrealisme ook als machteloze afwachting, bange stilstand. Zoals in 'De vlakte' uit Die ungewisse Welt (1939-1945):

 'Ik bevond mij alleen met een stoel op een vlakte die in een lege horizon verdween./ De vlakte was onberispelijk geasfalteerd./ Niets maar dan ook niets anders dan ik en de stoel bevond zich op/ de vlakte.

De hemel was eeuwigdurend blauw./ Geen zon verlevendigde hem./ Een onverklaarbaar verstandig licht verlichtte de eindeloze vlakte./ Als kunstig vanuit een andere sfeer geprojecteerd/ zo scheen mij deze eeuwige dag./Ik had nooit slaap nooit honger nooit dorst had het nooit heet/ nooit koud.

Omdat er niets op die vlakte gebeurde en veranderde/ was de tijd slechts een merkwaardig spook./ De tijd leefde nog een beetje in mij/ en wel voornamelijk door die stoel./ Door me met hem bezig te houden raakte ik het gevoel voor het/ verleden niet helemaal kwijt.

Af en toe spande ik mij voor de stoel alsof ik een paard was/ en dan draafde ik nu eens in de rondte dan weer rechtuit./ Dat het lukte neem ik aan/ of het lukte weet ik niet/ er bevond zich immers niets in de ruimte/ waaraan ik mijn beweging kon afmeten./ Zat ik op de stoel dan vroeg ik mij bedroefd maar niet wanhopig af/ waarom het inwendige van de wereld zulk zwart licht uitstraalde.’

Pagina's