Neruda

 De film Neruda van de Chileen Pablo Larrain pakt onverwacht geestig uit. Het is 1948, in Chili ben je ofwel rechts of communist, wat verboden is. De Nobel­prijswinnaar en held van de linkse romantiek komt eruit als een verwende, ijdele kwast gevierd in de bordelen. 

 Begonnen als een gewone jongen die opklimt tot senator omdat hij het lijden van het volk zo mooi in zijn gedichten beschrijft. En liefdespoëzie, zeker. Ik ben geen Neruda-lezer.

 En zo wordt hij een trofee die de partij beschermt en met eindeloos geduld de besneeuwde Andes over voert, het land uit, omdat een revolutie nu eenmaal helden nodig heeft.

 De plot zit ingenieus in elkaar. En staat ook al beschreven in een boek dat Neruda links en rechts laat slingeren. Waarin een fictieve, fanatieke politieman de held nazit tot hij er in blijft. En Neruda ontkomt naar Parijs, waar hij als expat gehuldigd kan worden.

 Alles is al gebeurd. De dikke Neruda moet dus wel winnen.

 En zo wordt de film een thriller en een merkwaardige linkse operette tegelijk, waarin zelfs gezongen wordt op Neruda-teksten. 

Mandje uit het raam

 De bovenbuurvrouw van mijn grootouders liet aan een touw een mandje zakken als de melkboer kwam. Die deed er melk, kaas en eieren in. Dat scheelde traplopen.

 Hoe zoiets nu gaat kun je vinden in de uitzonderlijke dichtbun­del 'Woon ik hier' van Jos Versteegen. Met teksten van en over oude mensen. In een verzorgingshuis gevonden taal: 'Wat wilt u weten?':

 'Mijn vak? Coupeuse. Bloesjes eerst, toen rokken./ Pasdame, later. Weet u wat dat was?/ Dan moest je kleren aandoen die een klant had uitgekozen. Wou u dat graag weten?

 Mijn moeder ging met volle tassen weg:/handdoeken, tafellakens, kindergoed,/ en waar ze dan mee thuiskwam? Graan met maden/ Wat ook ruilmiddel werd: verdwenen ooms,/ daar kreeg je nare dromen voor terug.

 Ik was gelukkig, weet u dat?/ Een man/ en fijne kinderen, een prachtig huis./ Ik schilderde een blinde muur vol Nijntjes,/ er werden kleine snorren op getekend.

 Mijn neef is arts, ik kreeg van hem een briefje,/ daar staat precies op wat ik doen moet, straks./ Wat wilt u verder weten? Zeg het maar.' 

Utagawa Kunisada

 Coulissen, een magisch begrip. Als gewoon mens zie je de voorstelling, alles wat die mogelijk maakt hoort tot het rijk van de geheimen, alleen bekend aan ingewijden. Van gordijnen tot decorstukken, van kostuums tot belichting.

 Vanmiddag kwam ik in het Japan-museum het Leidse Sieboldhuis, in de wereld achter de Japanse coulissen. Zoals af­gebeeld op de prenten van Kunisada. En ging rond in de Japanse toneelwereld van kort na 1800, niet ver van de wijk van de prostitutie,

 Utagawa Kunisada (1786-1865) groeide er op. Een soort Japanse Toulouse-Lautrec, maar dan een eeuw eerder en van gewone proporties. En deed in zijn prenten zestig jaar verslag van het leven daar. Theaterschrij­vers, acteurs, actrices en dichters kwamen er.

 En de fans hadden fanclubs en wilden graag portretten van hun helden en heldinnen, en inkijkjes in wat er achter de schermen gebeurde. Hoe men zich aankleedde - de catalogus bevat een rijkdom aan exotische kostuums - en opmaakte.

 Hij debuteerde met het illustreren van de reclamefolder voor een geparfumeerde olie (1807) die 'Poort naar de onster­felijkheid, cosmetisch Nieuwjaarswater' heette.

 En al snel was hij de grootste en populairste theaterportrettist. Net als Lautrec welkom achter de coulissen om te schetsen. Hij was ook groot in kleedkamerscenes, met peinzende actrices.

Door de tijd

 Gisteren, in de kelder van het Rijksmuseum, werd ik getroffen door een pregnant tijdsbesef. Ik keek bij de vroege Hollanders naar de Virgo inter virgin­es van de anonieme meester, naar de Maria Magdalena van Oostsanen en beeldjes van de Maria-groep uit Utrecht. En werd aangeraakt door de eenmaligheid.

 De eenmaligheid die altijd duurt. Door Jacob Corneliszoon van Oostsanen dacht ik aan Willem Haakma Wagenaar met wie ik in 2009 op een stelling tot bovenin de koepel van de Alkmaarse Laurentiuskerk ben geklommen om zijn restauratie van Oostsanens Laatste Oordeel te bekijken.

 Hij zei 'Kijk maar goed, straks is die stelling weg en komt heel lang hier niemand meer zo dichtbij.'

 En in het voorbijgaan van de verdoemden en de engelen wees hij me op de bloemdecoraties in de hoeken van het houten gewelf: 'Elk bloemetje, met de hand geschilderd, steeds een ander bloemetje.'

 En daarna wees hij me nog op de letters in de zinken dakbedekking, waar dak­dekkers eeuwen geleden bij elke reparatie hun initialen hadden ingekrast. 

 De drang iets na te laten. Een schilderij of desnoods twee in zink gekraste letters. Er rijst een loodgieter voor me op, in de zestiende eeuw, met een gereedschapstas waarin ook wat brood voor tussen de middag. Hij eet het op tussen de gelukzaligen en de verdoemden. En de aartsengel Michael met zijn weegschaal.

Tags: 

Hercules Segers

 Vanmiddag in het Rijks raakte ik weer in de ban van Segers. Verwijlde in de gebieden tussen dichtbij en verweg, tussen schemer en duister, tussen zien en je verbeelden dat je ziet.

 Terwijl hij nooit verder kwam dan Brussel liet hij achter zijn huis in aan Lindengracht een berglandsc­hap verrijzen. Zoals Hollandse wolkenluchten het kan oproepen. Maar hij kende het waarschijnlijk ook van collega’s als Breugel.

 Het eigen oog, niet als controleur van natuurgetrouwheid, maar als schepper van werelden. Zoals iedereen die soms even zijn ogen toeknijpt weet.

 Daarover gaat het ook in het nummer dat Kunstschrift aan hem wijdde en waarin Mariëtte Haveman hem een 'Meester van de stemming' noemt. Niet mis, in de tijd waarin hij leefde (van omstreeks 1589 tot ergens tussen 1633 en 1640).

 Segers zag de rekbaarheid van de realiteit. De ene ochtend is de andere nooit. En hij vond in de ets het middel om die nuances uit te drukken. Aangevuld met wat verf of zelfs suiker op plaat.

 Hij experimenteerde voortdurend. De 'staten' van enkele etsen laten het zien in het Rijks. Er ontstaan werelden van verschil.

 Een ets is nooit af. Een landschap ook niet. Onze blik evenmin.

 Terwijl we toch niet weten hoe en of hij - ver voor de romantiek - sferen en stemmingen in zijn werk wilde laten spreken. Dacht hij in termen van duister, nevelig, helder, troebel? Dan was hij z’n tijd ver vooruit.

 Ja, Segers blijft een raadsel.

Het raken

 De pagina's zijn me gunstig gezind. Ze vallen open waar ik wezen wil. In dit seizoen.

 Voorin deze bundel van Co Woudsma staat 'De auteur ontving voor het schrijven van deze bundel een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren, die door hem geweigerd is.'

Er staat niet bij waarom Woudsma voor 'Hoogste zomer' (2015) geen beurs wilde.

Misschien om de gedichten ongri­jpbaar te maken.

 Zoals dit, 'Het raken'. Halverwege veel: 

 

 De zomer is voorbij,

muggenbloed siert al mijn wanden.

 

Buiten volg ik het gestolde spuug,

een speurtocht naar de supermarkt en weer naar huis.

 

Gehoest, ik hoest terug,

zo blijft mijn adem onbesmet.

 

Maar onder vrienden zal ik moedig zijn,

doop ik mijn brood in algemene kaasfondue.

Tags: 

Kortsluiting

 Mijn grootvader, de ouderling, was langdurig ziek, hij lag in het bed op de logeerkamer. Daar werd hem eten gebrac­ht. Vele kerstavonden waren voorbij gegaan, waarbij hij beneden naast de kerstboom zat. En met zijn sonore Zeeuwse stem uit de Bijbel las.

 Vorig jaar was er een koffergrammofoon. Waarbij mijn vader een plaat van Bachs Jesu, Joy of Man’s Desiring had gekocht. Dat was de melodie die ik kon dromen, hij werd elke zondag gespeeld door de organist in opa's kerk.

 'En vader, dit herken je toch wel?'

 Hij keek voor zich heen en zei: 'Nee het zegt me niets.'

 Hij was onmuzikaal, kon niet zingen. Een 'brommer' zoals het in schoolklassen heette.

 En nu was hij ziek. Ik bracht hem mijn zelfgebouwde kristalontvanger, een oor­telefoontje met een stekker in een gefiguurzaagd houten kis­tje. En legde hem uit hoe hij daarmee 'de kerk' zou kunnen horen, want die was nu op de radio. Hij knikte. Ik ging weer naar beneden. Even later viel het licht uit.

 Ik rende de trap op en trof mijn grootvader met verschroeid haar en een zwarte veeg over zijn gezicht. Naast hem hing het oortelefoontje van de kristalontvanger, half gesmolten.

 Hij had het contact van het oortelefoontje in het lichtnet gestoken. 

Antonello da Messina

 Die naam zou me bijblijven. Hij werd in april 1970 met een zekere wijding uitgesproken door een oude man die voor zijn huis in de avondzon zat. Hoog op de berg boven de stad Messina, vanwaar we uitzagen over het water, waarin een veerboot zoals die ons hier heen had gebracht. Antonello de Messina. De grootste schilder aller tijden.

 Het mooiste paneel van Antonello hangt in Londen, er staat een reproductie van in het vanmiddag gepresenteerde Kunstschrift-boek 'Het reizende detail': De heilige Hieronymus in zijn studeervertrek (ca. 1475), vrij naar een verloren werk van Jan van Eyck.

 De kerkvader - die rond 400 de Bijbel in het Latijn vertaalde - leest, straks zal hij weer schrijven. Belangrijk is zijn omgeving, lezen en schrijven behoeven een omgeving. Hoge bovenramen geven hem helder daglicht. Duiven zitten in de vensterbank. Binnen en buiten zijn innig verbonden. Naar opzij ziet de heilige uit op het landschap. Om hem heen loopt zijn huisleeuw, die hij temde door een splinter uit z'n poot te halen, er slaapt een grijze poes. Er zijn planten, waaron­der een dwergboompje. De tegelvloer heeft een wonderlijk patro­on. In het totaal schilderij lopen nog meer dieren rond. Alles is hier in evenwicht.

 Schrijver Bernhard Ridderbos gaat in het boek uitvoerig in op de werkplek die Antonello voor Hieronymus bedacht: een getimmerd studeervertrek op een podium. Was Antonella ook nog eens  timmerman?

 En zo kijk ik al lezend en aantekeningen makend naar een Hieronymus die hetzelfde doet. Wel wat meer verziend dan ik, getuige zijn leesafstand. Opmerkelijk in lees- en schrijf afbeeldingen uit die tijd is de werkchaos. Boeken niet netjes op rijen in de kast maar opengeslagen door elkaar, precies zoals bij mij thuis.

 De gastheer sneed kaas af en schonk wijn in. 

Eerwraak

 Eerwraak, het was even uit zicht. Maar in de Iraanse film 'The Salesman' kwam het weer, in al zijn onontkoombaarheid. En dat door een misverstand. Maar eer gaat boven verstand.

 De film begint en eindigt in verwarring. Er moet na een aardschok verhuisd worden. Er wordt een nieuw huis gevonden.

 Helaas was de vorige bewoonster een hoer. Dat heeft gevolgen. Een onbekende dringt het huis binnen - op zoek naar de vorige bewoonster -  en een hele of halve verkrachting van Rana volgt. De dader vlucht.

 Dan wordt Iran ineens een heel ver land. Haar man Emad wil geen politie erbij, hij moet en zal voor eigen rechter spelen. Een diepere laag komt boven. Hij begint zelf een onderzoek, dat eindigt met de dood van de dader, een oude man met een hartkwaal waaraan hij in het trappenhuis sterft.

 Het begrip 'vergiffenis' bestaat in Emads hoofd niet, wat zijn vrouw ook pleit. Rana zegt: 'Als je  dit doet ga ik van je weg.' En zo geschiedt.

 Het pijnlijke is dat deze Emad, het personage waar alles om draait een intellectueel is, belezen, leraar en acteur en regisseur van een gezelschap dat Death of a salesman van Arthur Miller opvoert. Zijn vrouw Rana speelt de vrouw van de zakenman.

 Alles heel Westers, lijkt het, tot regisseur Asgar Farhadi Emad geen genade laat kennen. De dader moet dood, in het aangezicht van zijn voltallige familie.

Neger

 In 1953 zag ik mijn eerste neger. Hij was 'heel gewoon' zei mijn vader voor hij kwam. 'Een heel gewone man.' Dat maakte hem nog ongewoner. Toen hij in de vestibule stond viel me vooral zijn smetteloze, iets te lichte blauwe pak op. Hij gaf me een hand. Zo'n hand had ik nog nooit gezien.

 Er liepen vaker vreemde personages door de Haagse buurt, zoals Hindoestanen met een ingewikkelde hoofdtooi, 'van de Ambassade'. Eerder waren er de Indische buren, de Indische jongetjes in de klas. De overbuurman die een gitaar met een elektrisch elementje bespeelde. In mijn ogen waren ze van een hogere orde, Indische meisjes bovenaards in hun supersonische petticoats.

Tot de tegenberichten kwamen. Luchtjes in de trappenhuizen. Negers stonken. Ik rook stiekem aan een neger en het was zo. Als de mensen het zeggen ruik je het.

 Later hoorde ik dat Joden 'woestijnvoeten' hadden omdat het Joodse volk voor het in Israel aankwam zo lang door de woestijn had gelopen. Maar hoe je kunt zien of iemand Joods is weet ik nog steeds niet. Ik heb de voeten van mijn vriendje Habakuk 'Habje' Levison goed bekeken, maar er was niks aan te zien.

 Ik dacht aan blueszanger Champion Jack Dupree (1910), de pianist uit New Orleans, die begon als bokser. We hadden het over uitwegen uit je lot als zwarte in het Zuiden: sport, muziek, misdaad en voor de meisjes hoer. Of anders gewoon werkster of knecht. Ik vroeg hem of er voor zwarten sinds zijn jeugd iets verbeterd was. Hij dacht na, en zei 'eigenlijk niet.'

Pagina's