Koninginnen van de Nijl

 Vanmiddag in het Leidse oudhedenmuseum bij de 'Koninginnen van de Nijl'. Vooral in de periode 1500‑­1000 voor Christus. De vrouwen van de Farao's in de ogen zien. Zien hoe ze zaten en stonden, zich kleedden.

 Het tweedimensionale Egypte is een vergissing. 

 Kijk je goed dan zie je vrouwen van vlees en bloed. Let op de heupen en buik van Nefertari. Een Grote Koninklijke Gemalin droeg matwitte, nauw aansluitende wikkeljurken, bestaande uit een rechthoekige lap, om het lichaam gewikkeld en geknoopt. Met bedekte bovenarmen en vallend tot over de kuiten.

 Daarbij eenvoudige teenslippers zoals in het graf van Nefertari teruggevonden. Verder halssieraden als een stralenkrans, enkelbanden, een rode ceintuur. En wat ringen, oorbellen, maar vooral niet te veel. En alles naar eigen voorkeur gekozen uit de laatste mode. Het haar werd soms gevlochten, er worden ook pruiken gedragen

 Ik lette vanmiddag vooral op gezichten, zoals door beeldhouwers vastgelegd. En daar zie je het, in de blikken naar binnen of naar buiten gekeerd verfijnd, nadenkend. of met een klein lachje.

 En wat een verscheidenheid van gezichten. Egypte lag op het kruispunt van Azië, Afrika en Europa.

 Vrouwen, die net als hun Farao's de schakel waren tussen mensen en goden. En dat wisten ze. 

Ontmoeting

 Gisteren liep ik door de tijd. En opeens ontmoette ik mijn grootouders van moederskant. De kapitein bij de Holland-Amerika Lijn en zijn mooie roodharige vrouw - heb ik nooit gekend. Zij mij wel.

 Ze zijn na de oorlog bij mijn ouders ingetrokken. In Zutphen, in 1945. Uitgeput door gedwongen verhuizingen, ziekte en oorlog. Daar stierven ze kort na elkaar, nog maar zestig en negenenvijftig jaar oud, toen ik drie, vier was.

 Mijn grootvader was eenzijdig verlamd sinds een attaque in Havana. Pensioen was er nauwelijks. Hij liep met een stok en was grimmig. Toen ik hem als peuter eens op een been imiteerde sloeg de vrouwen de schrik om het hart. Maar hij zag het, lachte:en zei: ’Hij doet mij na!’

 Het werd me verteld. Ik weet er niets meer van.

 Met mijn moeder ben ik een keer bij hun graf geweest. Gelegen op een eiland in een grote vijver in Zutphen. En later nog eens, alleen. Het vroor, de vijver rond de begraafplaats was vol schaatsers, het dodeneiland zomaar toegankelijk.

 Ik schaatste er heen op mijn houten kinderschaatsen. En vond het graf terug.

 Kort daarna verhuisde het gezin naar Den Haag. En alle jaren tussen toen en nu sprak niemand over het graf. Mijn moeder had veel van de hare gehouden, maar zweeg.

 Ik heb altijd gedacht dat het 'geruimd' zou zijn.

 Maar gisteren zag ik op Internet dat de Zutphense Oude Begraafplaats niet meer gebruikt wordt, maar nog wel bestaat. Foto’s van een idyllisch parkje op een eiland met hoge bomen. Met hier en daar wat scheve grafzerken in het gras.

 Er staat zelfs een register op Internet. En daar vond ik ze, de kapitein en z'n vrouw, die haar kinderen zo mooi aankleedde en fotografeerde.

 Even kwamen ze heel dichtbij. 

Tags: 

Frankie-A

 Twee schipperskinderen heb ik gekend. De dichter van de twee is Frank Antonie, die opgroeide aan boord van de Frankie-A, het binnenschip dat naar hem was genoemd. De varende mens staat anders tegenover wat er aan de wal gebeurt

 Veertig jaar geleden werd het verkocht. Hij bewaart nog het houten naambord met gouden letters dat opzij zat. Ik ken hem als drummer en chroniqueur van de kaaisjouwers aan de Nijmeegse Waalk­ade. En nu is er een dichtbundel, over het schip, zijn in 2003 gestorven vader - de schipper - en hem. Met veel scheepsfoto's.

 Zo'n schip blijft altijd varen.

 ik droom in rood/ van het water/ dat langs de romp mompelt/ van een schip/ dat er nog altijd ligt/ met gouden handgrepen/ en wapperende vlaggen/ schipper en matroos lopen met roodbezwete gezichten/ zwijgend door het gangboord/ het lichaam is zuchtend rustig/ in oude dagen

 'Ik droom in rood' verscheen bij De Stadse Wal, Nijmegen, www.destadsewal.nl 

Heloïse

 Er zijn duizend jaar getrouwde pausen geweest voor Gregorius VII in 1075 het celibaat instelde. Woedende reacties, maar het ging door. Terwijl de apostel Paulus toch schreef 'Het is beter te trouwen dan van b­egeerte te branden.'

 In 'Medieval women' van Deirdre Jackson vind je ook het verhaal van de Heloïse, verleid (omstreeks 1115) door haar twintig jaar oudere leraar Abélard. Ze kreeg een kind. Het kwam uit en ze werd gedwongen het klooster in te gaan, waar ze zelfs abdis werd. Abélard werd gecastreerd.

 In de bewaard gebleven brieven aan haar voormalige geliefde houdt Heloïse niet op over hun liefde.

 'Waarheen ik mij ook keer ze staan mij altijd voor ogen en wekken verlangens en fantasieën die me uit de slaap houden. Zelfs tijdens het opdragen van de mis, als onze gebeden zuiverder zouden moeten zijn, hebben ontuchtige beelden van die genoegens zo'n greep op mijn ongelukkige ziel dat mijn gedachten bij hun wellust zijn inplaats van bij de gebeden. Ik zou moeten kermen om de zonden die ik begaan heb, maar ik kan alleen maar zuchten om wat ik verloren heb. Alles wat we deden en ook de tijdstippen en plaatsen zijn in mijn hart geprent, samen met jouw beeld. zodat ik alles opnieuw met je doorleef.'

 Abélard houdt zich aan de leer van de kerk en stuurt vermanende brieven terug. 

Tags: 

Pygmalion

 God houdt van lang, goudblond haar, al sinds de Middeleeuwen, lees ik bij Deirdre Jackson in haar 'Medieval women' (2015). De schilders wisten het, Maria was blond, net als Venus. Aan middelen om je haar te kleuren ontbrak het niet.

 Een sterk verhaal blijft dat van de beeldhouwer Pygmalion, die verliefd werd op zijn schepping, zoals verteld in Ovidius' Metamorfosen en door velen na hem, zoals Michael Camille. Hij streelt zijn beeld.

 'Eerst reageerde ze niet, bleef stijf als een plank, ook als hij haar koude mond kuste, haar kleedde in met bont afgezette jurken, ringen aan haar ijzige vingers schoof en, nadat hij haar op zijn bed had gelegd, zich inspande om wat warmte in haar op te wekken, terwijl ze in zijn armen lag.'

 Pas toen Pygmalion had gebeden in de tempel van Venus waarbij hij de godin smeekte het beeld te laten leven, kwam zijn geliefde tot leven.

 Zijn gebed tot Venus is een parodie, zegt Deirdre Jackson. Pymalion legt aan Venus de gelofte af nooit meer kuis te zullen zijn als ze zijn bede in vervulling laat gaan.

 Zo geschiedt. Het beeld wordt warm, komt tot leven en nadat Pygmalion haar borsten heeft gestreeld delen ze het bed. 

Walking distance

 Alsof een man van buitenproportionele zwaarlijvigheid als Federico Sanchez vanzelf een sprookje van de wereld maakt. Zo kijk je naar de Mexicaanse film Walking distance van Guzman Alvarez, loopafs­tand, en dat is ook net waar het om gaat.

 Heel de film is gemaakt vanuit de motor­iek van de tot dood door obesitas veroordeelde hartpatiënt Federico. Je volgt zijn stappen over elke drempel, elke stoeprand. En zijn medemensen bewegen met hem mee. Zoals de bediende in de afgetrapte fo­towinkel en z'n zwager. Die hem tenslotte tegen doctors orders meenemen naar zee achter op hun pick-up. Waar hij troont in z'n fauteuil.

 In de reusachtige gestalte zit een man. Die rondki­jkt. Hij wil immers fotograferen. Meester­lijk is het interieur waarin hij zijn moeizame stappen zet, het rafelbehang, de fluitketel.

 En dan heel soms naar buiten.Totaan de fotowinkel. Maar een fotograaf die niet meer beweegt krijgt steeds het zelfde voor z'n lens. Soms de voetballende jongens in z'n uitgestorven, ver­vallen steeg, meer niet.  

 Het wonderlijke van dit verhaal is dat Federico's dikte innemend werkt. Dikke mensen weten dat soms, ze worden de clown in hun eigen ver­haal, zien te leven van de lach. Er zijn nog weinig dikke mensen in de film, na Oliver Hardy kwam John Goodman als Fred Flintstone en Depar­dieu als Obelix, maar verder?

 Walking distance is een stap in de wereld van de dikke mens.

Onder professoren

 Het eerste deel van de memoires van Joop Goudsblom - de socioloog, bekend van 'Nihilisme en cultuur' en 'Vuur' - is er. Zo'n boek lees ik om de overlappingen.

 Ik studeerde in Amsterdam, maar miste net zijn colleges. Sociologie kreeg ik oa. van zijn promotor, de beroemde Den Hollander, die ook mijn keuzevak Amerikanistiek gaf en nog peyote-trips genomen had bij de Indianen.

 'Sociale status' legde Den Hollander uit aan de hand van een Duitse huishoudster. Op zekere dag was hij vergeefs langs geweest bij een vriend, die hem later belde en zei: 'Mijn huishoudster zei dat je langs geweest was.'

 'Hoe wist ze dat? Ik heb mijn naam niet genoemd,' zei 'Den Hollander. 'O,' zei de vriend, 'ze vertelde dat er "ein alterer Herr mit Aktenmappe" was langsgeweest en dat moest jij wel zijn.

 De neergang van buurten in Chicago legde hij zo uit: ‘Er is een straatje met rijtjeshuizen, aan het eind zijn dan vier garages. Op een dag komt er in een zo'n garage een snackbar. Dames en heren, dat is het begin van het einde.'

 Volgde het dalen van de huren, het opsplitsen van de huizen, kamerverhuur, verwaarlozing en sloop.

 Bij mijn tentamen Amerikanistiek trof ik op de gang mijn voorganger, gezakt. 'Hij vroeg alle staten van Amerika van linksboven tot rechtsonder. Washington, Oregon enzovoorts. Hopeloos.' Goddank begon hij bij mij over de T-Ford en hoe die de sociale actieradius van de mensen en daarmee heel Amerika veranderd had. Inkopen deed men voortaan een stadje verderop, waar het goedkoper was. 'Ghost towns' bleven achter.

 Den Hollander had in de Lutherse kerk altijd een ''volle bak'. Goudsblom reikt in 'Geleerd' veel aan. 

Celluloid

 Wat je in EYE overkomt bij de filmexpositie 'Celluloid' is allereerst het geluid, het geratel van de projectoren alom, en daarna het zien hoe ze werken, met lampen en lenzen. Geen projectiecabines, alles open en bloot. En dan pas wat er op het scherm verschijnt.

 En dat is ook net wat de kunstenaars hier willen laten zien.

 De taal van het materiaal. Zelf sta ik weer met een eerste Eumig 8mm op een straathoek, met de lessen uit het Smalfilmboek van Dick Boer in m'n hoofd. Niet steeds zwenken. Niet eerst naar links en dan naar rechts.

 De voorstelling in Eye begint met wat bij Dick Boer heette 'filmsla' een op hol geslagen projector met een berg film ernaast. En dan, les een van Dick Boer: beweging. Ofwel het onderwerp beweegt of de camera.

 Tacita Dean, die graag de materie laat spreken, heeft in haar film genaamd 'Film' het bewegende beeld tot in de kleinste onderdelen uiteengenomen. En die vertoont ze in het kader van - in het digitale tijdperk verloren - randperforatie. Alles komt voorbij. Beeldje voor beeldje met de hand inkleuren zoals Tati. Beweging in water, natuur en machines. Uit liefde voor het analoge beeld, z'n kleurnuances en krassen.

 Helaas, niet een keer bleef er een film stilstaan zodat de lamp van de projector een gat kon branden in het celluloid. En je kon raden wat er dan in de projectiecabine gebeurt. De film breekt, waarna een spoel doelloos blijft rondzwiepen. En dan, vliegensvlug, voor het publiek begint te joelen: de plakpers!

 Film is film.

Tags: 

Astenet

 Tante Bé, oom Bob en mijn moeder, gefotografeerd door mijn grootmoeder omstreeks 1927. Is dit het stationnetje van Astenet? Van mijn moeders jeugd bleven twee Belgische plaatsnamen over. Ik ken ze uit haar mond en van haar foto-onderschrif­ten in witte inkt op het bruin of in de lijstjes: Astenet en Hombiet. Ben er nooit geweest. Ze stamden uit haar meisjestijd, de vakanties bij Verviers.

 Soms - als mijn vader weg was - opende ze haar fotoalbums van voor de oorlog. Solide, met een touwtje door de rug, En fotohoekjes en kartelrandjes. Een gelukkige wereld, waarin mijn vader er nog niet was. En ze vertelde. Van de logeerpartijen bij tante Martha.

 Van de uitstapjes. Oom bezat een open auto. Hij en z'n vrouw kibbelden graag en veel in het Frans: 'Et pourtant c'est ta faute' was steevast tante Martha's laatste woord. En dan lachten ze. Mijn moeder leerde er Frans.

 Ik ben al op zoek geweest, heb de stuwdam van Gileppe bezocht en het station van Verviers - met de wonderlijke wandschildering uit 1930 - waar de treinen onderdoor rijden. Maar verder ben ik nooit gekomen.

 In deze dagen verkeer ik veel in het dodenrijk. De meeste mensen die ik ken zijn immers dood. Waar ik nu heen wil: Astenet, bij Moresnet, met het hoge spoorviaduct. Ooit een mini-staatje met z'n eigen postzegels aan het vier­landenpunt.

 Hombiet ligt even buiten Verviers. Daar, aan de Vesdre moet de fabriek van oom gestaan hebben. Maar in de oorlog zijn fabriek, oom en tante verdwenen. Hun dochter Maddy werd het laatste gezien met Duitse militairen in Scheveningen.

 Mijn moeder was niet erg precies in het vertellen en ik niet in het vragen. Ik moet naar Astenet.

Tags: 

Ze

 Ze zijn er weer. Ik heb ze laten wachten, maar nu is het koud genoeg, vind ik als opperwezen. De blaren van de bomen zijn weg en ik zag ik ze bij wijlen al op hun favoriete uitkijkplekjes, de toppen van de esdoorns. Het heeft gevroren, ze hebben het verdiend.

 Sommige dragen een halsband, andere niet. Moet ik nog uitzoeken. Andere kleurverschillen zijn er in de snavels, van rood tot geel.

 Het overspronggedrag dat ik bij Tijs Goldschmidt leerde kwam van pas. Wordt iemand tijdens het eten verjaagd dan gaat hij zogenaamd rustig op de ba­lustrade van het balkon zitten en kijkt wat rond met zo'n gezicht van 'ach ja, ik kwam hier heel toevallig aangevlogen en nu zit ik hier even op m'n gemak. Voedsel? Ach nee, nu even niet. Pinda's ik?'

 Maar zodra er iemand opvliegt is ie er als kippen bij.

 Het eten doen ze liefst van boven af. Een intelligente opende een pindadop, haalde er een nootje uit en nam dat in z'n rechterklauw waarna hij er al hangend hapjes van nam. Of ie met mes en vork at.

 Ze laten concurrenten niet naast zich toe. Maar de pikorde heb ik nog niet kunnen doorgronden.

 Er kwam een Vlaamse gaai, maar die ontweek geschrokken de drukte. Duiven komen er al helemaal niet aan te pas. Die zijn hier te dom voor.

 Deze tros is vanavond op.

 Ik dacht meteen aan Matisse en Karin Hasselberg, toen ik ze zag zitten in de Esdoorntoppen. Die onovertrefbare silhouetjes.

Pagina's