Hoe Multatuli schreef

 Geen beter leesgezelschap in een ziekenzaaltje dan Multatuli. Hij springt net zo elegant van de hak op de tak als de in en uitlopende artsen, verpleegkundigen, dames met voedsel en beddegoedkarren. Multatuli is ze allemaal tegelijk.

 In zijn 'Twee brieven uit Menado' (1851) aan vriend Kruseman probeert hij eerst uit te leggen, hoe hij put uit zijn voortvloeiende 'levensst­room'.

 'Ja, voort - voort  Ik heb eens -

 (beste Kruseman neem myne manier van schrijven voor lief. Verg niet dat ik elke zin afspin, - elke meening toelicht: ik kan het wel, - maar eerst sedert ik den moed heb mij aan niets te binden in mijn schrijven, kan ik aan U schrijven. Ja, dat is het; daarom, geloof ik schreef ik niet vroeger.

 Vergeef mij myne tusschenzinnen, - de parentheses [tussenvoegsels] in de tussenzinnen zelfs let er zelfs niet eens op of ik den draad weer juist aanknoop waar hij brak, -

 Het leven bestaat uit tusschenzinnen, - het mijne althans.)'

 Zo begint zijn brief, en dan komt hij op 'het tweede ambacht' van het schrijven, waarbij hij graag een assistent zou hebben, om deze reden: 'het letten op taal, stijl enz. - Wat gaan er een aantal idees verloren terwijl men een zin rondt, een hardheid schaaft, (h r d h d s c h f t  van schaven gesproken! Zie je wat ik bedoel?) En zoo iemand zal ik nooit vinden. Dat kan niet. Elke boer wil keizer zijn, dat heet: hij Klaas - wil keizer zijn, maar met behoud van identiteit. Zoo ook geef ik mijn 'stijl' niet weg, want mijn stijl, - dat ben ik.'

 En laat ik dat nu ook zo vaak hebben. Een opgeschreven zin fatsoeneren en tegelijkertijd worden bestormd door nieuwe ideeën die je dan weer vergeet! Nog de zelfde dag kon ik het ziekenhuis verlaten. 

 

 

Tags: 

Heere Heeresma's brieven

 Nu zijn brieven er liggen, moet ik terug naar de eerste ontmoetingen, op het kantoor van Thomas Rap, in 1972. Waar ik leerde: 'De uitgever is de natuurlijke vijand van de schrijver.' Toch zat hij daar alle dagen en voerde het woord, net als later bij andere uitgevers.

 Mij was hij goed gezind. We deden radio. Maar toen ik bedacht dat hij een dagelijks 'radionachtboek' zou inspreken en ik bij hem, Loekie en Heere junior aankwam op zijn hoge Bijlmerflatje wist hij geen raad met de NAGRA-recorder. De zeer jonge Junior bediende hem tenslotte. Loekie luisterde als Indisch meisje graag naar de Country & Western die ik op de radio draaide.

 Brieven heb ik nauwelijks met hem gewisseld. We namen op, op weg naar de urn van Jan Arends, toen Heere nog maar net durfde autorijden na zijn drankperiode. Stapvoets gingen we in een oranje mini. Bij mij thuis moest aanhoudend koffie gezet worden. In ruil nam hij altijd een appeltaartje mee of soesjes.

 Later reden we in een bolide 's nachts met 130 over de Overtoom, spelend dat we in Brussel waren, waar W.F.Hermans gehuldigd werd. Hij, Heere, immers was 'de gesloten achterdeur van de Nederlandse literatuur.'

 En dan schalde zijn stem over het Vondelpark, zoals toen ik hem interviewde over de jaren '60: 'Maatschappelijk gesproken louter vioolspel.' En dan: 'Het is altijd anderhalve man en een paardekop die wat doet en rest is brandhout voor de vuren en slechts geschikt voor de instandhouding van de soort.'

 Heb ik het verhaal over zijn schrijversjubileum al eens verteld? In Krasnapolsky? Drinken moesten we!

 Later, in de jaren van de Avonden moest ik met honoraria voor series bijspringen, toen hem opbrak dat hij principieel niet verzekerd was en Loekie ziek werd.

 Vaak heb ik geprobeerd te bedenken hoe het moest zijn om Heere Heeresma te zijn. Als regel fabuleerde hij, en sprak in vloeiende zinnen. Als hij haperde had je kans dat hij waarheid sprak.

Tags: 

Hoe Heere Heeresma jubileerde

 Uit het hoofd, twee van de vele gebeurtenissen met Heere Heeresma die ik me herinner. Wat jubileer je toch vaak Heere, zei ik. Als schrijver jubile­ert u graag en veel, zei hij. Drinken mocht hij nooit meer sinds hij zijn lever deels was kwijtgeraakt.

 En zo zaten we met een stuk of tien genodigden in de erker van Krasnapolsky. Voor laat ons zeggen zijn 25‑jarig schrijversjubileum. Hij, de ex‑alcoholicus liet de wijnkaart rondgaan, waaruit wij de dure, genummerde wijnen moesten kiezen die ons zinden. We wisten van niets.

 Intussen, zei hij, zal ik u vertellen hoe de wijnproductie in Frankrijk toegaat. Ik heb daar namelijk met mijn neus bovenop gestaan. Er is midden in Frankrijk een centrale wijnfabriek.

 Uit heel Frankrijk komen daar in oogsttijd de vrachtwagens aangereden. En dan zijn er drie, een beetje oude, wat vieze en versleten cementen goten. En door die goten lozen de tankwagens zonder verder onderscheid  hun rood, rosé of wit. In de kelder moet de wijn wat rusten. En wordt dan gebotteld. Met allerlei passende kurken. Maar het belangrijkste van deze fabriek is de drukkerij, waar de etiketten ontworpen en gedrukt worden. Daar zit heel de creatieve staf.

 We dronken zwijgend, wij van de exquise wijnen, hij koffie.

 Onvergetelijk was zijn ontmoeting met de verwarde oude dame.

 We zagen haar staan aan de overkant van de 's‑Gravelandseweg in Hilversum, bij de bushalte tegenover de oude vpro‑radiovilla. Heere beende naar de overkant en sprak haar aan. Ik bleef staan. En zag hem hevig staan orakelen en

gebaren. Waarbij hij herhaaldelijk naar links en naar rechts in de verte wees, waar geen bus in zicht was. Maar ook naar boven de lucht in.

 Toen hij terugkwam vroeg ik hem waar het over was gegaan.

 'Mevrouw staat op de bus te wachten,' zei hij, maar die komt niet. En toen heb ik haar gewezen op haar ware bestemming, hierboven.' 

Tags: 

Isa Genzken

 Betonnen radiotoestellen, waren het eerste wat ik zag van Isa Genzken, in Den Haag. Met echte, verchroomde uitschuifantennes, dat wel. En daarmee begon het.

 Later zag ik haar betonnen vensters als schietgaten in Boijmans. Ook die zeiden iets. Maar wat? Je bleef er naar raden. Beton, een geluidloze radio, een huis als een bunker. De materie sprak voor zichzelf, ze zweeg.

 Nu zijn opeens zalen vol Isa Genzken te zien in het Amsterdamse Stedelijk. Het beton is er nog wel, maar wordt overstemd door massa's veel lichtere materie en idem gedachtenvluchten.

 Eindeloze rijen koppen van koningin Nefertiti, bij haar Nofretete geheten, uitgedost als eigentijdse voorbijgangster, in alledaagse werwerp-uitdossingen. Met beschadigde oren. 

 Als het ergens over gaat is het de vluchtigheid van massacultuur, komisch afgezet tegen wat eens was. Grapjes, zoals haar lampsculpturen of zuilen, met van alles erop en eraan, er zit zelfs een medicijnen-bijsluiter aan geplakt. Wilde stapelingen, bergen gevonden plastic troep. Soms als berg troep kundig vormgegeven

 Ze ontwierp ook onzingebouwen onder de kop 'Fuck the Bauhaus' en maakte een slapstick soft-porno film, hier te zien.

 De titel van de expo 'Mach dich hübsch' kan alleen maar ironisch bedoeld zijn. Of dat genoeg is om het spannend te maken?

 De grapjes hebben vaak een ondertoon die er heel Duits doorheen schemert: kritiek op onze consumptiecultuur. Spotten met het onderscheid tussen high art en low art.. Lof der tegendraadsheid.

 Maar bij grapjes hou je im letzten Ende toch maar een vraag over: zijn ze leuk?

Als je een meisje bent

 Heet de dichtbundel van Maartje Smits. Films maakt ze ook. Ze deed er een verbazend half uur korte interviews bij, hier te zien. Met aan meisjes en vrouwen die ene vraag: ben je een meisje of een vrouw?

 Een vraag die hooguit in het voorbijgaan wel eens gesteld wordt en meestal ontweken. Wanneer wordt een meisje een vrouw, of 'vrouw'? Een vraag waar je als man buiten staat. Hooguit kun je soms opeens een verandering in het voorkomen waarnemen. Na de grote vakantie ander haar, een stem, waarin lage tonen opduiken. Ook op latere leeftijden, opeens. Of nooit. De antwoorden gaan van verlegen lachjes tot grote stelligheid. Maar waarover? Zelf weet Maartje Smits het nog steeds niet, zegt ze. In het gedicht Afwegen schemert anorexia:

 het is eten of schrijven, maar als ik eerlijk ben meestal eten

 het meisje: je doet het zelf/ therapeut 1: elke hap is een keuze/ we antwoorden iets wat ik thuis al niet geloof/ watertrappelend tot kramp in de koelkast/ schiet

 ik googlemap mijn triggermomenten/ we mogen niet meer alleen zijn met mezelf/ een diagnose is geen eindpunt, zei ze

 niks eten was zo makkelijk

 in mijn kamer hangen dekens over zelfreflecterende/ voorwerpen afleidingsmanoeuvres voor/ wanneer het hoofd telkens dezelfde kant op slaat

 ik wil een omaatje zijn oud en lelijk/ en tot die tijd: therapeut 2 + 3 geen aanstoot geven de groep klapt/ er gaan stemmen op voor zelfkastijding/ hier is alles positief

Armando's Waarom

 Waarom is vraag en antwoord tegelijk. Daarom heet de nieuwe bundel van Armando denk ik Waarom.

 Waarom is afdoende. Zoals de bundel in z'n geheel. Een gevecht dat zichzelf beëindigt. Een leven.

 Er wordt gevochten, Lancelot is nabij. Wapengekletter. Alles in de geest, tot het bittere einde, zoals het een gevecht betaamt.

 De geest zit vol fortificaties, dwaalsporen, woede en zwijgen. Een enkele godin niet te na gesproken, die 'der moedelozen'.

 En dan komt De veldslag:

 

  'In het gevecht

heeft hij het onderspit, heeft hij

de overwinning verloren, de

aanval aangeraakt.

Mocht hij de macht beschuldigen?

 

 Een wang van hout en zwarte geur.

 

 Hij moest de duisternis bewaken,

een veldslag leren kennen.

Ondanks de waanzin en de dwang

is tot nu toe niets vernomen.'

 

 Nee, het loopt niet goed af. Dat krijg je ervan. Een magistrale bundel.

Tags: 

De kooi van Frank Halmans

 Huizengekte is wat Frank Halmans en ik delen. Een niet erkende ziekte. Die zich uit in eindeloze fantasieën over bouwen en wonen, de menselijke omhulsels en de materialen waaruit ze gemaakt zijn. Bij hem buigen zich lantaarnpalen soms om naar binnen te kijken.

 Frank is een groot bouwer en handwerksman met een uitgebreide materiaalkennis. Hij maakte hybriden als het flatgebouw dat een stofzuiger is, de kruimeldief als caravan. Ook de bewoonbare boekenkast was er. En de erker als slaapplaats. Om niet spreken van zijn versmalde flat, net echt behalve dat de breedtematen van elk onderdeel de helft van de gewone zijn. Stoelen, bedden, alles is smal en dus onbruikbaar.

 En gisteren liet hij me tijdens een huiskamer-expositie bij Hinke Schreuders zijn nauwkeurig geconstrueerde meervogelkooi zien die de vorm heeft van een flatgebouw. Deze 'Condocage' is een soort gated community. Een reuzenkooi, met houten balkjes waarop de bewoners op stok kunnen gaan. Vele vertrekken zag ik, doolhofachtig. Waarvan ook nogal wat zonder toe- of uitgang.

 Een huis waar je niet uit kunt, letterlijk ijzeren logica.

 Ik legde hem Der Golem voor - hij is een groot lezer, wij wisselen Brakman uit - om het huis zonder toegang dat Meyrink schetst in de oude Praagse Jodenbuurt, voor de sanering.

 Van buiten zie je 's avonds soms licht branden achter sommige hoge vensters. Maar wie woont daar? En waar is de toegang? Onvindbaar.

 Huisgeesten bestaan, je hoort er soms van.  

Tags: 

Terras in Brussel

Hoe een stad gemaakt wordt door zijn standbeelden. Aantrekkeli­jke omkering: eerst zijn daar de goden en engelen met hun buiken, borsten en billen, dan komen daar huizen en paleizen uit voort. 

 In de woorden van Marcel Broothaers in het nieuwe nummer van tijdschrift Terras:

 'De standbeelden dalen neer, majesteitelijk

als uitvloeiende golven.

Ze hebben elkaar hun zeearm geboden,

door hun bewegingen worden straten geboren'

 Beelden zijn beweeglijk. Werpen schaduwen, tonen zich in houdingen. Worden overgroeid. En zie:

 'Een klimophand

schuift open een boomgordijn'

 Het Brusselnummer van Terras is er. Sinds het gemaakt werd is Brussel weer veranderd. Wat er gebeurde hoort bij een voortdurende metamorfose. Er zijn veel Brussels. De teksten in dit nummer kijken daar doorheen. Bij die van Broothaers (1924-1976) horen foto's van Julien Coulommier. Samen maakten ze in 1957 een boek, waaruit ze werden gelicht. Zie de beelden in het parkje achter de Zavel neerkijken op de stad.

 Weerkerend motief: Brussel, van oudsher een vluchtstad, een heenkomen. 

Oom Kees

 Foto's heb ik niet van Oom Kees. Wie wel? Zijn enige zoon Willem sneuvelde in 1940 onder Dordrecht, waar het regiment wielrijders Duitse parachutisten moest vangen. Geen opvolger op de boerderij. Uit woede is Kees Bierens nooit meer naar de kerk geweest, omdat 'onze lieve heer zich niet aan de afspraak had gehouden'.

 Mij ontving hij toen ik twaalf geworden was en in zijn ogen een man, in de mooie kamer, met m'n vader. Bood me eerst een sigaar en daarna een jenever aan. En vroeg 'En wat wil je later worden.' Ik zei 'architect'.

 'Ah dus geen schoolmeester zoals je vader. Daar zit geen verdienste in.' 

Er volgde een middagmaal met een emmertje verse boter. Eieren moesten van dezelfde dag zijn, dat proefde hij. Tante Mien had haar stoeltje op het achterstraatje met uitzicht op het prieel, dat nog bestaat, maar waar ze nooit zaten. Tante Mien zweeg, met een klein lachje. 's Middags mocht ik gier uitrijden op een trekker.

 Kees weigerde als enige het elektra toen dat over de Kettingdijk werd aangelegd. Op de Kettingshoeve liep alles op accu's, zelfs de stofzuiger. Hij werkte door, met meesterknecht Maris.

 Op z'n 80ste pensioneerde hij zich en kocht een huis in het stadje Tholen. Maar bleef elke dag om zes uur opstaan om Maris op z'n vingers te kijken. Na een jaar ging hij terug.

 Op z'n 87ste slipte oom Kees met z'n brommer over de rails van het goederenspoor van de RTM. Hij heeft nog een paar weken in het ziekenhuis de boel bij elkaar gevloekt voor hij stierf.

 Verhalen zijn er vele, het mooiste vond ik de oogst. Met Belgische seizoensarbeiders, de nacht door. Binnenhalen voor de regen, op een dieet van brandewijn en oliebollen.

 En dan dat over de buren aan de andere kant van de polder waar hij tot laat lichtjes zag branden: 'Sukkela­demelk drinken, eierkoeken eten en tot tien uren opzitten.'

Haas

 De flauwe hoek in de Oosterscheldedijk is er nog, voorbij de Kettingshoeve, eind Kettingdijk. Op Tholen, waar ik 's zomers logeerde bij Oom Kees, boer en dijkgraaf. Later, tussen Sinterklaas en Kerst werd een uitzonder­lijk postpakket bezorgd. Er staken harige poten uit. Een bloederig stuk pakpa­pier zat er slordig met een touw omheen, waarop in hane­po­ten het nauwelijks leesbare adres.

 'De haas is er.'

 Deze haas was een Zeeuwse haas. Afzender bekend: oom Kees, die 's winters de tijd doodde met 'hazen achter de kool vandaan schieten'. Hij schoot er veel, met hagel en verstuurde ze lukraak naar familieleden.

 Mijn moeder kon niet tegen dooie beesten. Maar mijn vader stond erop hem per­soonlijk, thuis te villen. De keuken werd een dampend, b­loederig infer­no. Zeeland, het stamland, was hem heilig.

 En dus stond er Eerste kerstdag haas op tafel en Tweede Kerst­dag ('kijk hoeveel vlees er nog van af komt, zo'n haas is zeker goed voor twee dagen') hazepeper en haasra­gout.

 De hagelkorrels van oom Kees hebben ook de tandarts nog werk bezorgd.

 Een snikhete zondag was het. Pootjebaaien op een laagwaterstrandje vol krabben, onderaan de dijk. Met zicht op het water waarin Reimerswaal, eens de derde stad van Zeeland, rond 1560 verdween. De Kettingshoeve heeft Reimerswaal zien vergaan. Er kwam nog wel eens een mensenbot boven, van het kerkhof. Wat rest is een Veerweg, niet meer naar een veer.

 Ps. Meer Zeeland in de nieuwe, zeer preciese, Atlas van de watersnood van 1953 van Koos Hage. Net uit bij Thoth. Oom Kees bleef gespaard.

Pagina's