Opgenomen

 In de supermarkt heeft elk artikel een streepjescode behalve de klant. In het ziekenhuis is het andersom, daar is de patiënt het product, de code op je polsbandje zegt wat er aan je gedaan moet worden.

 Uit m’n leven getild worden en neergelegd in een bed, al was het maar drie dagen, deed me goed. Elke dag andere gezichten. De werkkleding van Marloes, Macha, Raymond, de namen op hun borstp­laatjes. En de apparatuur.

 Intussen vreesde ik de behandeling en hield ik me vast aan de inderhaast mee gegriste Andr­eas Egger, de bergbewoner uit Ein ganzes Leben van Robert Seethaler.

 Egger komt nooit zijn dal uit. Behalve in de oorlog, als hij in de Kaukasus doet hij wat hij thuis ook deed: palen en draden aanleggen op de bergen. In zijn bestaan gaan geuren, geluiden, seizoenen en dynamiet vloeiend in elkaar over. 's Nachts luistert hij slapeloos naar het druppen in de goot.

 Mijn bedbuurvrouw, nog een wereld. Een mooie vrouw van 75 die het haar opstak op z'n Bardots en een panter kamerjas droeg over een panter outfit. Ze had een attaque gekregen in de badkamer en was gevallen. Haar gezicht zag er nu uit of het onder de wijnvlekken zat, maar het waren bloeduitstor­tingen. De televisie keek toe en zei dat het stil bleef in Molenbeek. Ze vroeg of het licht 's nachts aan mocht blijven.

 De volgende dag was ze na mij aan de beurt voor de apparaten. Toen ze teruggereden kwam naar onze kamer hief ze haar vuist omhoog. Klemmen,  zodat de slagader kan helen, dat leren ze je daar.

 Toen kwam Sinterklaas binnen met drie zeer zwarte Pieten. Geen kind in zicht op cardiologie, maar toch.

 Ik kreeg een boodschappentas van het ziekenhuis in Sinterklaaspapier. Daar deed ik mijn vuile sokken en onder­goed in en daarmee ging ik weg. 

Brussel

 Volgende week verschijnt Terras met een nummer over, jawel Brussel. Niet over wat we intussen weten. Maar over de stad, over steden, de poëzie erachter. Labyrinten gemaakt om je te verschuilen. Met een lange traditie als uitwijkplaats van vooral Parijzenaars. Van Baudelaire tot Multatuli. Lees De eeuw van Brussel van Eric Min.

 Wat er precies omgaat zul je als buitenstaander nooit weten. De verborgen stad. Dat begint met de onderaardse rivier de Zenne, die rond 1870 overhuifd werd omdat hij stonk en de nieuwe tijd aandrong. Er zijn schilderijen van Jean-Baptiste van Moer waarop het nog een klein Venetië lijkt.

 Het water van de Zenne is het enige waarmee je Kriekenlambiek kunt brouwen, het kersenbier waarnaar Willy Vandersteen zijn held noemde. Liefst van de Schaarbeekse kriek, een zure kers.

 Nog is de loop van de Zenne bovengronds te volgen. Vol eilandjes zoals bij de Beurs. Het plaveisel in de straatjes gaat op en neer.

 Er wordt in Brussel altijd onbegrijpelijk gebroken en gebouwd, soms met intervallen van jaren ruïneus verval. De pastoor van de St. Catherine legde het me uit: dat zijn de immobiliën, die regeren hier.

 Mijn Brussel begon achter het Noordstation, waar ik weerkeerde in het Hotel des Colonies in de Kruisvaartenstraat, Rue des Croisades. Art-déco, overgebleven tussen de afbraak. Het Colonies - nu onherstelbaar verbouwd - was een juweel van gipsdecoratie, glas en lood en spiegels met een monumentale lift en historische schoenpoetsmachines. Gebouwd voor de kolonialen die uit de Congo aankwamen. Van daaruit verkende ik ook het wat saaie Molenbeek.

 De vaste portier in het blauwe jasje vond na een paar keer dat ik teveel betaalde. Hij kon me 'op een lijst zetten', dat scheelde de helft. Ik kon kiezen, de OTAN, de EEG, de UNICEF. Ik koos de NATO. Voortaan belde ik, noemde mijn naam en zei 'OTAN, je suis sur la liste'.

Haags

 In februari verschijnt 'Muzenstraat'. Met Haagse verhalen van mij en Haagse tekeningen van Marcel van Eeden. We leggen er nu de laatste hand aan. Hier het omslag, ontworpen door Els Kort.

 Hagenaar blijf je. Ook al verlaat je de stad, hij laat je niet los. Zoals Kafka over Praag zei: 'Dieses Mutter­chen hat Krallen'. Ook Den Haag is een moedertje met klauwen.

 Marcel van Eeden en ik groei­den er op. Ik woon nu in Amsterdam en hij in Zurich, maar in de stad achter de duinen weten we blind de weg. Zo'n stad trekt in je.

 Muzenstraat vertelt van onze band met de stad. Marcel met zijn levenslange project waarin hij de wereld van voor zijn geboorte tekent, met een nadruk op trams, por­tiek­woningen, beton en wederopbouw. En ik met ver­halen over mijzelf en mijn familie, van voor en na de oorlog. Van het zonnige vooroorlogse Kijkduin tot het naoorlogse Statenkwartier, de resten van de Atlantikwall en de wijk rond Meer en Bos.

 De dreiging is nooit ver. Allebei weten ze wat het is om op een grijze dag met je rug naar de wereld te staan en uit te kijken over zee.

 'Den Haag raakt aan de eeuwigheid, die blijft trekken. Geen stad die dat heeft. Een rechte lijn op de landkaart, van boven grenzend aan het blauw.'

Berg

 De eerste berg die ik zag verrees boven de Moezel. Niet wetend wat een berg was wilde ik hem meteen beklimmen. Dat werd afgeraden. Een dag later ontdekte ik welke inspanning een hoogteverschil van 100 meter meebracht.

 Het andere was dat het uitzicht zich beperkte. Je kon niet voorbij de bochten in de rivier kijken. 's Middags al verdween de zon achter de bergkam en lag het dorp in de scha­duw. Ik heb een Italiaans dorp gekend waar de zon nooit scheen. Eens hoorde ik een Zwitser bewonderend spreken over een boer die boven de 1300 meter aardappelen verbouwde.

 In die wereld verplaatst de Oostenrijker Robert Seethaler je met zijn boek Ein ganzes Leben. De wereld van een dal waar je als bewoner alles kent en weet, maar daarbuiten niets, kort na 1900. Voor ons onvoorstelbaar.

 Een geestesgesteldheid die je een geografisch bepaald soort geref­ormeerd zou kunnen noemen. Waar de buitenwereld onzegbaar ver is en het leven strak en streng. Wat over de bergen ligt is onbekend en onbegrijpelijk. Een dal dat geen verbinding met de wereld heeft en geen elektra. Tot de bergbouwers komen.

 De wees Egger wordt tenslotte boer en kiest het hoogste akkertje, waar de zon eerder komt en later blijft. Dan meldt hij zich bij de bergbouw­ers die een kabelbaan komen aanleggen. Maar levenslang verlaat hij het dal niet. Televisie weigert hij. Tot hij op een dag, kort voor zijn dood, de inmiddels aangelegde bus neemt, naar het eindpunt.

 Hij kijkt rond en neemt de volgende bus terug.

 Seethaler laat je achter tussen benauwenis en jaloezie op een onbereikbare volmaaktheid.

 Het boek is vertaald bij de Bezige BIj.

Bed

 In de schilderkunst is beddegoed een verhaal. Dat vertelt wie er in het bed lag. Beddegoed, geplooid, lakens, dekens waar licht op valt zodat ze blijven vertellen. Bij Jan Baeke zijn er bedden waar iemand in ligt en die waar iemand in lag. Met sporen van slaap en lig­gen. Van ziekte wellicht. Of herinnering aan het zoeken van houdingen om de slaap te lokken. Hou je stil, het is een schuw dier, net was het er even, misschien komt het terug.

 Eerste deel van Baekes gedicht uit 'Seizoensroddel' dat heet 'Wat het bed wil zeggen':

  Ik sta bij het bed van een man

die zijn bed in de steek heeft gelaten.

 

Op het bed na is niets in de kamer verlicht.

Er is beeld in overvloed. Er klinkt hartslag

en discussie door de verwarmingsbuizen.

 

Ook het bed wil wat zeggen. Het duurt dagen

voor er iets wil gebeuren.

Denk aan school. Meester, meester!

 

We hadden het jaar afgesloten met een les

over het lichaam, hoe de mens wil liggen

als de meeste delen op zijn.

 

Daarom is het bed een vinding zei de leraar

net als het schaamrood het nagelbijten

het flauwvallen in de hal.

 

Afgemat zitten we op een stoel in de klas, hebben

de leeftijd waarop we beginnen te rotten.

Dat ruikt de verpleegster, ze is niet gek!

 

Uit zelfverdediging strek ik mijn hart

tijdens de laatste vragen. Ik zag het bed aankomen

wist dat er iemand zou weglopen.

(...) 

Tags: 

Strijdlied

 De aanslagen waren erg. Maar angstaanjagend ook de reacties. Geen vraag naar oorzaken en wat eraan te doen, geen tijd. Het nationale strijdlied werd aangeheven in het Franse parlement. Ten strijde, het vaderland roept. Net als in 1914.

 Vliegtuigen bombardeerden wat voor een vijandelijke hoofdstad doorgaat. Soms waren de bombardementen zinvol, zeker. Nuances zijn overal. De Generaal de Gaulle stoomt op.

 Het is oorlog, zei Hollande George W. Bush na. Even vergetend waar diens 'war on terror' toe had geleid.

 Ik leerde als jonge politicoloog dat een geregeld leger tegen een guerrillabeweging weinig kans maakt. Ze zijn ongrijpbaar, verbergen zich onder de burgerbevolking die ze vaak steunt. Zo ging het in Vietnam, in de Algerijnse oorlog. Zo gaat het in Afghanistan, Irak en Syrië. En nu Frankrijk? Het Franse parlement zong spontaan, staande:

 Te wapen, burgers!

Vormt uw bataljons!

Laten we marcheren, marcheren,

Zodat het onreine bloed

onze voren doordrenkt

  En ik dacht, vooruit maar, weg met het onreine bloed. Daar staan de tot de tanden gewapende bataljons. Gesteund door de Franse driekleur die overal op facebook wappert. Maar waar is de vijand? In Molenbeek? Er wordt druk gezocht.

 Straks komen de straaljagers met hun rood-wit-blauwe rookslierten. 

Detail

 Wieteke van Zeil neemt zich kwalijk dat ze de dode beer over het hoofd zag die een jagersman een boom in hijst op de achtergrond van de Chris­toforos van Bosch, in Boijmans.

 Waarom ze de beer, net als ik, eerst niet zag - of wel zag maar weer vergat - lijkt duidelijk. Ten eerste is de beer onbegrijpelijk, maar er is meer. Wie een drukke straat wil oversteken moet zijn blik richten op wat gevaarlijk kan zijn en de rest overslaan. Selectief waarnemen is levensnoodzaak.

 In het museum loop je nog rond met die blik. Bovendien zetten schilders hoofdzaken in het oog lopend vooraan. Kom je tot rust dan zie je bijzaken. Die er zijn om vele redenen. Als knipoogje, versiering, stemmingsdecor of andere onderste­uning van het verhaal. Ook vaak om karak­ters nader te preciseren, of - ongewild - om een tijdperk te karakteriseren, in schoe­nen, hoeden, steensoorten, winkelpu­ien.

 Wieteke van Zeil heeft na haar Volkskrantrubriek nu ook een boek - 'Dichterbij, kunst in details' - en in het Frans Hals een tentoonstelling gemaakt.

 In de wereld van het detail zijn grapjes van lang geleden vaak on­begrijpelijk geworden, zoals de beer van Bosch. Maar wat er bijkomt is dat het museumkijken veranderd is. Sinds je mag fotograferen is het kijken uitgesteld, meegenomen naar huis.

Vaak zie ik details pas bij het bijsnijden voor Avondlog. Dat bijsnijden is ook nodig omdat het scherm zo klein is. Het detail werd noodzaak. Zo goed als het scherm poezie voortrekt, omdat er veel gebeurt in weinig woorden. 

 Wieteke van Zeil doordringt je van de betekenis van de close-up, de mogelijkheid van inzoomen. Je treedt buiten het verhaal, terwijl je er toch in blijft. Er openen zich werelden. Hoe vaak bleef ik niet dwangmatig staren naar die ene vrouw met schapenhaar vlak achter Jeroen Pauw, die steeds weer in beeld kwam zonder dat ze het merkte? 

Tags: 

Renate

 Renate Rubinstein (1929-1990) heb ik een paar keer ontmoet, ze was laat ik zeggen erg aanwezig. Hans Goedkoop maakte een puntgaaf boekje rond de viering van haar vijfti­gste verjaardag. Met de weergevonden geluidsopnamen van haar neef Maurits erbij : 'Iedereen was er.'

 Een ironische titel. Renate hield er een hofhouding op na, waar je toe behoo­rde of niet. Ik kende haar wel, maar hoorde niet tot iedereen. Op geen stukken na. Maar waar het om ging die avond was achteraf dat de belangrijkste gast, Simon Carmiggelt, ontbrak, omdat hij geheim was. Waardoor het een vreemde vertoning werd.

 Omdat ze bij het studentenblad Propria Cures was geweest, waar ik ook terecht kwam, herkende ik haar – zomer 1967 - bij de Gemeentegiro aan de Raadhuisstraat. Een koket meisje, in een blauwwit singsing‑hemd en een rood, namaakleren rokje, tamelijk mini. Ze sprak me aan op de nieuwe langspeelplaat die ik bij me had, dat was de eerste van Kees van Kooten en Wim de Bie, als de Klisjeemannetjes.

 'Wat heb je daar?' Ik vertelde wie Kees en Wim waren, die ik nog uit Den Haag kende. Ze waren op de radio, elke zaterdag.

 Later werd ze een soort tante. Zo gedroeg ze zich althans. Ik moest soms op de thee komen en werd dan onderhouden over wat haar niet zinde in wat ik schreef. Vrij veel. Zoals mijn grapjes over Weinreb - die ik 'de beste detectiveschrijver sinds W.H.van Eemlandt' had genoemd - of over de oorlog. Voor haar was en bleef de Tweede Wereldoorlog de maatstaf waaraan alles en iedereen afgemeten moest worden.

 Nog later belde ze en vertelde dat haar neefje een cassette‑uitgeverij wilde beginnen. Of ik een handje kon helpen, wat ik deed.

 Ze woonde een tijdje aan het Sarphatipark, schuin tegenover me. Ik zag haar invalidenautootje. Maar niet Simon Carmiggelt, die daar toch vaak kwam, zoals uit haar herinneringen blijkt. En die ik kende van zijn meedoen man de Juinensche Courant. Dat was ook het excuus dat hij thuis aanvoerde als ie naar Renate ging, hij moest naar de Juinensche Courant.

 Zelf heeft Renate nooit over haar feest geschreven. Erg unlike her. Hans Goedkoop, die aan haar biografie werkt, maakt mooi en pijnlijk duidelijk waarom.

De vrouw op de trap ten einde

 De roman van Bernhard Schlinck uitgelezen. Met woordenboek en denkpauzes. Een verhaal over het verlangen naar en de onmogelijkheid van nabijheid.

 De uitzonderlijk mooie Irene is gevlucht, met medeneming van De vrouw op de trap, het schilderij dat de inmiddels wereldberoemde schilder Karl Schwind van haar maakte. Ze heeft zich verborgen op een eilandje voor de Australische kust.

 De advocaat die het verhaal vertelt ontdekt haar daar.

 Eerst is Irene louter een schilderij, begeerd door haar echtgenoot, die haar liet schilderen, en daarna door de schilder. De advocaat moet het eigendomsrecht te regelen. Wie krijgt het schilderij, wie de vrouw? Prompt wordt ook hij verliefd op haar. Maar zij niet op hem.

 Waarna ze verdwijnt, voor vele jaren. Irene trok zich terug in een heel eigen wereld. Of daar nog een man, bij kan is de vraag. Hoe vergaat het een uitzonderlijk mooie vrouw, levenslang halverwege de trap?

 Volgt een tragikomische ontknoping op het eilandje als de mannen daar alledrie opduiken. Wat wilden ze ooit van haar? Wat willen ze nu? Wat wil Irene?

 Ze is ernstig ziek. De advocaat - veruit de saaiste van de drie - blijkt de enige die het schilderij te boven komt. Zijn, en dan ook haar, pogingen tot nabijheid, dwars door de ziekte heen grijpen aan.

 Vooral als de zieke Irene hem vraagt voor haar bedtime stories te verzinnen over hoe een gezamenlijk leven geweest zou zijn. In de advocaat ontwaakt, tegen de klippen op, een verteller.

Straatnamen, de straat

 Proust zet me op dit spoor met zijn Plaatsnamen, de naam, het dunne deeltje na Een liefde van Swann. Ongemerkt is dat in het boek met Haagse verhalen dat ik met Marcel van Eeden maak 'Straat­namen, de straat' geworden. Er stonden zoveel geladen straatnamen in de tekst dat ik er moest schrap­pen.

 Zou Laan van Meerdervoort of Sportlaan anderen net zoveel zeggen als mij? De tramconducteurs schiepen er hoorbaar behagen in ze af te roepen, alsof ze zelf daardoor adeldom ver­wierven: De Constant Rebecqueplein - naast de gas­fabriek, die daardoor toch een beetje deftig werd - of Laan Copes van Cattenburgh, kor­tweg Laan Copes en zeiden wegwerpend Mient als was het een vuiltje.

 Bij Proust speelt de klank van het - door hem verzonnen - Balbec of Combray vanzelf ook mee. De namen van alle stations op weg erheen brachten hem al dromen: 'Om het te laten beginnen hoefde ik maar Balbec, Venetie, Flore­nce te zeggen, binnen welke namen zich van lieverlee al het verlangen had opgehoopt dat de ermee aangeduide plaatsen mij inboezemden.'

 En zo blijft bij mij de Riviervismarkt klinken. En de fantasieen bij eindpunten waar ik nooit was, maar die trams in hun voorhoofd rondreden: Over­bos, Laan van Nieuw Oosteinde.

 Geprevelde namen zijn het, die bij Proust meteen een beeld oproepen, zoals van de stad Parma, sinds hij de Chartreuse de Parme las: 'Iets compacts, glads, lichtpaars en zachts'.

 Wat maakte de Haagse straatnamen anders? Er zit adel in. De Van Boetzelaerlaan, met aan weerszijden een plant­soen en lijn 11. Het Gevers Deynootplein. Straatnamen, letten o zo nauw. Wie geboren wordt aan de Transformatorweg krijgt het moeilijk. Mijn vader weigerde te ver­huizen naar de Polsbroe­kstraat.

 En nu zegt de conducteur weer: 'Waldeck Pyrmontkade'. Inmiddels gedempt.

Tags: 

Pagina's