'Terwijl ik, bij het licht van een lamp, als iedere dag mijn bladzij schrijf, hoor ik een licht geritsel. Als ik ophoud met schrijven houdt het ook op. Zodra ik weer over het papier kras, begint het opnieuw.
Het is een muis die wakker wordt.
Ik kan raden wat ze aan het uitspoken is bij het donkere hokje waar onze meid haar dweilen en bezems opbergt. Ze springt op de grond en trippelt over de plavuizen van de keuken. Ze gaat vlak langs de schouw, onder de gootsteen door, verdwaalt tussen de kopjes en borden, en na een reeks van verkenningstochten die ze steeds verder uitstrekt, komt ze in mijn buurt.
Telkens als ik mijn penhouder neerleg, maakt die stilte haar ongerust. Telkens als ik verderschrijf, denkt ze misschien dat er ergens nóg een muis is, en dat stelt haar weer gerust.
Dan zie ik haar opeens niet meer. Ze zit onder de tafel, tussen mijn benen. Ze loopt van de ene stoelpoot naar de andere. Ze strijkt langs mijn klompen, knaagt aan het hout ervan, of wipt er moedig en wel, bovenop!
En nu moet ik mijn been niet verroeren, of niet te luid ademhalen: anders gaat ze er vandoor.
Maar ik moet verderschrijven, en uit angst dat ze me zal overlaten aan mijn verdrietige eenzaamheid, schrijf ik kleine kriebeltekentjes neer, heel ragragfijntjes, net zoals zij knabbelt.'
(vertaald door Cees Buddingh in 1970)