Rams

 Alles moet het zelfde blijven. Er mag niets veranderen, zeker niet in het IJslandse dal waar de schapenhoudende broers Gummi en Kiddi wonen.

 Al hebben ze al 40 jaar niet meer met elkaar gesproken, daarover blijken ze het ten diepste eens te zijn. Nooit getrouwd, dat ook niet, wonen ze naast elkaar in het oude en het nieuwe huis. In een boomloze, afgelegen vlakte.

 Alleen in de omgang met hun kromhoornige schapen komen alle emoties boven. Ze dragen namen, worden omhelsd en toegesproken.

 De idylle duurt voort tot er iets verandert, maar dan ook echt. De veeziekte scrapie slaat toe. Alle schapen in het dal moeten geruimd worden.

 Heel het dal gehoorzaamt, al kost het velen hun bedrijf of moeten ze verhuizen. Alleen de broers, elk op zijn manier, pikken het niet. Ze sabote­ren de ruiming. En dat loopt slecht af. Maar het andere weet je inmiddels. Zonder schapen geen leven.

 Het is een drama van alle tijden. Tot de laatste sneeuwvlok maak je de ondergang van de broers mee. En je kunt ze alleen maar gelijk geven.

 Kijk om je heen en zie de protesten tegen windmolens of asiel­zoekers: er mag niks veranderen.

 Ik herinner me hoe J.J.Voskuil over dit onderwerp op de radio sprak. Het ging over verhuizen. Dat moest wat hem betrof maar beter nooit gebeuren. Zolang zijn leven maar bleef zoals het was en hij bleef wonen waar hij woonde had hij het eeuwige leven. 

Jeroen Bosch en het hemelprobleem

 Je hebt je netjes gedragen, bent oppassend geweest en na een gespannen wachttijd in het voorgeborchte kom je het Laatste Oordeel voorbij, en kun je de hemel binnengaan.

 Het nieuwe nummer van Kunstschrift is gewijd aan Jeroen Bosch, we gaan zijn jaar tegemoet. Er is bij Bosch hel in overvloed. Maar Jeroen Stumpel stort zich op de hemel. Een probleem toch. De Islam kent eenvoudige oplossingen als 72 maagden de man. In onze hemel geen seks. Wel rijkdom. In de Openbaring van Johannes vind je welk een pracht en praal onze gelukzaligen zullen aantreffen. Maar wat moeten ze ermee.

 Het cliché van rijkdom in alle tijden is 'eten van gouden bor­den'. Maar goud lijkt hier toch een zwaktebod. Het verhaal van koning Midas maakte dat al duidelijk.

 Maar nee. Jeroen Stumpel: 'Johannes ziet het nieuw Jeruzalem uit de hemel naar beneden komen als een fonkelend ruimteschip van verbijsterende omvang, een ommuurd gebied zo groot als een continent. Als je de nauwkeurig gegeven maten gelooft moet het zoiets zijn als een verguld Australië.'

 Een metropool dus, opgetrokken uit goud, zilver en edelstenen.

 Het decor is er, figuranten staan klaar. Maar dan? Wat gaan de gelukzaligen daar doen, na hun wederopstanding des vlezes, in aller eeuwigheid? Zich laven aan de bron des levens, goed. Maar geen maagden. Wat wel?

 Bij Jeroen Bosch blijft het stil, op een paneel na dat in Venetië bewaard bleef. Jeroen Stumpel: '...het paneel van de zaligen, die door engelen omhoog worden gevoerd, een lichtende tunnel in. Bosch omzeilt hier eenvoudig al het goud, jaspis en parelmoer, en reduceert het visioen tot louter licht, waarom het misschien ook gaat.'

 En ik denk: ja, een gelukzalige verdwijning. En de Japanse film 'After life' schiet me te binnen.

Tags: 

De muis van Jules Renard

 Vanmiddag, op de beurs voor Bijzondere Uitgevers in Paradiso - wees een wetende hand me op het boekje van Jules Renard - die van 'Peenhaar' - 'Zo zijn onze dieren'. Korte verhaaltjes met tekeningen van Bonnard en Toulouse-Lautrec (1904). Uitgegeven door Ijzer. Grote uitgevers doen dit soort boekjes niet meer, en het is zo leuk. Hier is de muis. Deze muis is een vrouwtje. Een liefdesgeschiedenis:

 'Terwijl ik, bij het licht van een lamp, als iedere dag mijn bladzij schrijf, hoor ik een licht geritsel. Als ik ophoud met schrijven houdt het ook op. Zodra ik weer over het papier kras, begint het opnieuw.

 Het is een muis die wakker wordt.

 Ik kan raden wat ze aan het uitspoken is bij het donkere hokje waar onze meid haar dweilen en bezems opbergt. Ze springt op de grond en trippelt over de plavuizen van de keuken. Ze gaat vlak langs de schouw, onder de gootsteen door, verdwaalt tussen de kopjes en borden, en na een reeks van verkenningstochten die ze steeds verder uitstrekt, komt ze in mijn buurt.

 Telkens als ik mijn penhouder neerleg, maakt die stilte haar ongerust. Telkens als ik verderschrijf, denkt ze misschien dat er ergens nóg een muis is, en dat stelt haar weer gerust.

 Dan zie ik haar opeens niet meer. Ze zit onder de tafel, tussen mijn benen. Ze loopt van de ene stoelpoot naar de andere. Ze strijkt langs mijn klompen, knaagt aan het hout ervan, of wipt er moedig en wel, bovenop!

 En nu moet ik mijn been niet verroeren, of niet te luid ademhalen: anders gaat ze er vandoor.

 Maar ik moet verderschrijven, en uit angst dat ze me zal overlaten aan mijn verdrietige eenzaamheid, schrijf ik kleine kriebeltekentjes neer, heel ragragfijntjes, net zoals zij knabbelt.'

(vertaald door Cees Buddingh in 1970)

Tags: 

De uitersten van Ernst Ludwig Kirchner

 In het Singer de tentoonstelling van Ernst Ludwig Kirchner. De Duitse expressionist (1880-1938). Die uitdrukking geeft aan zijn gewaarwor­dingen in Berlijn, kort na 1900, en daarna vanuit een afgelegen dorp achter Davos. Uitersten. Dat is het woord voor Kirchner, die psychisch ziek uit de Eerste Wereldoorlog terugkwam. Die een vrouwengek was. En zich tenslotte in 1938 voor zijn kop schoot.

 Omdat hij na Hitlers machtsovername een entartete kunstenaar was geworden ontvluchtte hij de stad. Zijn vriendin en model Erna Schilling - zelf ook depressief - bleef bij hem op de berg. Soms denk je dat er iets bestaat als Alpenwaanzin.

 Hij moet manisch‑depressief geweest zijn, organiseerde ook boerendansfeesten thuis, haalde naaktdanseressen de berg op, die dansten op de alpenweiden, naar de natuurvriendenmode van zijn tijd, maar dan nog streepjes verder. Kon het toch goed vinden met de boeren rondom. Ik dacht bij de foto's soms aan CCC Inc. in hun boerderij in de Peel die ook voor de buurt optraden.

 Behalve in zijn houtsneden probeerde Kirchner ook in zijn kleuren de uitersten van de Alpen te vangen. Want wie kan er de Alpen schilderen? Hodler? Caspar David Friedrich? Kirchner zoekt de randjes. Zet het scherpe licht over de bergkammen liefst neer in geel tegen paars.

 Picasso werd na 1905 zijn voorbeeld, te zien in hoe hij gestalten tekent en versmelt. Lijnen en vormen waar wij ze eerst niet zagen, verrassend, keer op keer.

 Veel komt uit het Kirchner-museum in Davos.

 Een ware explorateur, Kirchner. Je probeert hem te volgen, hij is je telkens weer te slim af.

Tags: 

De taiga zwijntjes van Astrid Lampe

 Alles is er, alleen, het ligt door elkaar. Waardoor een nieuwe wanorde is ontstaan. De taiga is er, een woestenij als een winkelcentrum. De zwijntjes steken overal hun snuit in, zo zijn zwijntjes.

 Averechts schermkijken, chocola maken van overstelpende overvloed. Zoiets gebeurt er in de nieuwe, tweedelige bundel van Astrid Lampe. En het gekke is, na een tijdje lezen daalt het stof en ontstaan ordeningen. Elk moment andere, dat wel.

 '(...)

je haar glanst/ naarmate het vermogen groeit

ons te verplaatsen

glanst harder

je helder te zien/ doorheen de mist van bewegingssensoren

een rustig dorp als dit/ dat is precies waar Hamas op uit is/ onzin meent Rusland/ alle vrouwen lachend op de foto

eerder dan de streek/ vlogen we de straat uit

DO NOT CROSS / POLICE LINE/ de toeloop algauw een klein leger

(...)'

 Dit uit het eerste deel, De taiga. De zwijntjes komen daarna op, in een reeks van 59 strofen, waarvan de laatste:

 'wij halen ons hart hier op/ dronken het is een relict van de laatste ijstijd/ helm lamp kalasjnikovs/ blaffende apen'

Tags: 

Doolhof Brussel

 Als de jonge verslaggever afscheid neemt - hij gaat naar Congo voor de kinderkrant - doet hij dat, als een Brusselaar in de jaren ’30 op het station Bruxelles-Nord. Kuifje zal in Antwerpen scheepgaan.

 Het station is in 1955 gesloopt bij de aanleg van de Noord-Zuid treinverbinding die Brussel vele jaren in chaos stortte. En verhalen voorbracht als Vergeten Straat van Louis Paul Boon, waarin een straat voorgoed aan beide kanten doodloopt.

 In het Brusselnummer van Terras gebruikt Jan Baeke Brusselse tram en ondergrondse-haltes als staties, met werkelijk bestaande namen als Matongé, Drievuldigheid of Mysterie. Het wordt een levensreis met Brussel als metafoor, zijn ber­gen, zijn Zoniënwoud en zijn Babylo­nische naamgevingen.

 Zo een smeltkroes, dan Brussel. Een veel­taligheid, die verten opent. Het Brussels dat Hergé in zijn familie hoorde werd Syldavisch. Welke mengtaal men nu in Sint-Joost, St.Gill­es en Molenbeek op straat spreekt weet ik niet.

 Mijn Brussel begon achter het nieuwe Noordstation, waar ik logeerde in de resten van het Noordkwartier. Neel Doff woonde er nog. Midden in de nacht werd het middeleeuwse café annex hotelletje bestormd door de BOB, de hasj ging het raam uit, maar ze kwamen niet voor hippies maar voor sans-papiers. Heel de wijk is verdwenen voor glas en staal. 'k Zag de laatste hoerenhuisjes nog oplichten temidden van de kaalslag. De nieuwste sans-papiers kamperen nu in het op die plaats aangelegde Ma­ximiliaanpark.

Doolhof Brussel. De trams ontsporen er vaak omdat de rails over zo vele deelgemeenten lopen en slecht onderhouden worden. En het graf van Magritte vind je op de begraafplaats van Schaerbeek, waar hij zijn laatste jaren woonde, maar die ligt dan weer in de gemeente Evere. Wie wil zoekraken kan in Brussel terecht. 

Een vriend van Toon Tellegen

 De dieren in de dierenverhalen van Toon Tellegen zijn allemaal even groot. Olifant of mier, even groot. De mensen in zijn gedichten lijken op die dieren. Ook zij leven in een parallel universum waar andere wetten gelden.

 Hij kent er mannen - vrouwen uit de verte of in stelverband - en heeft er vrienden. Maar man of vriend wordt bij hem vanzelf een diersoort. Nu heb ik zelf ook nooit geweten wat bedoeld wordt met 'vriend'. Het gedicht 'Een vriend van mij' begint zo:

 Ik heb een vriend,

op een dag hield hij mij staande en vroeg:

'neem mij niet kwalijk,

maar weet jij misschien wat ik van je ben'

 

de dag des oordeels kwam nu wel heel vlug dichterbij

 

ik zei dat hij een voorloper was, een verzinsel, een afspiegeli­ng, een uitvergroting, een zijspoor, een tegenwicht en een onmis­baar onderdeel

 

van mij

 

hij dankte mij,

wilde alles van mij zijn,

maar niet een vriend

(..)'

 Verderop staan de regels:

'hij groette mij en verzocht mij niet naar hem om te kijken en te zwaaien

of in mijn gedachten hem te vergezellen naar zijn denkwereld

waar hij de grenzen van de onuitstaanbaarheid bewaakte..'

 

 Je raadt hoe dit gedicht eindigt. Met de regel: 'Hij is een vriend van mij.' 

Dit uit Toons nieuwe bundel: 'De werkelijkheid'. Waarin ook de openingszinnen:

'Ik denk aan God

in een afgeprijsde, lichtblauwe zomerjurk

andere woorden dragen andere jurken...'

Tags: 

El club

 Het licht is grijs en mistig en het beeld stemmig onscherp. El club is de vreemdste club die ik ooit zag, maar een club is het. Van lotgenoten. Zondige ex-priesters in een huisje aan de kust in Zuid-Chili. Allemaal uit hun parochie gegooid en daar door de kerk opgeborgen.

 Zondaars, homoseksueel, pedofiel soms, van alles op hun kerfstok, onder toezicht van een zuster. Maar katholiek waren ze en blijven ze.

 Gerard Reve-achtige redeneringen gaan ironisch rond. Natuurlijk brengt een pri­est­er neuken je dichter bij God. En is zaad heilig, de Heilige Maagd is immers met het zaad van God bevrucht.

 Over seks met mannen en jongetjes praten ze tot in detail, en hoe, en wat nog? En ook hebben ze - zondig! - een hazewindhond waar ze allemaal voor vallen en die meedoet aan races, en die daarmee wat verdient.

 Een averechts paradijsje. Tot een eens misbruikte jongen zijn misbruiker daar terugvindt. De ex-priester schiet zichzelf neer, en een afgezant van de bisschop komt orde op zaken stellen. De club verraadt hem niet.

 Maar weg is de vrede. De hazewinden sneuvelen. Twee clubleden worden in elkaar geslagen. Hoe nu verder leven? Surprise: de club van zondaars overleeft de kerk.

Straatnamen, de naam

 Naast de bouwval van de uitgebrande school, waar ik les had in een gymzaal die met board tot twee lokalen vertimmerd was, woonde de bovenmeester. Van wie ieder kind wist dat hij de straten in het dorp hun namen had gegeven. Een statige man die de school liet beginnen door op een fluitje te blazen, omdat ook de schoolbel was verbrand.

 De zeven gedichten van Martin Reints in de nieuwe Tijdschrift Terras spelen zich af in Amster­dam Nieuw-Zuid. Veel ervan hebben als titel een straatnaam.

 Straatnamen, aanduidingen in een of twee woorden die hun oorspronkelijke herkomst en betekenis verliezen in het gebruik. Zie Proust.

 Zo wordt Speerstraat iets anders dan een verre echo van de Olym­pische Spelen van 1928 waar in het stadion vlakbij speren werden geworpen. Een naam die je meedr­aagt, een beeld, een klank, de benoeming van een kleine eeuwigh­eid, genaamd Speerstraat:

 

 'Rolkoffers ratelen over de stoeptegels/ van de Marathonweg

 een kruidenier en een paleontoloog/ halen herinneringen op: waar zijn ze geweest/ wat hebben ze gedaan

 wat hadden ze willen doen

 als ik voor de tweede keer verdwijn/ en alleen mijn God zich mij herinnert/ zal ik me dan mijn God herinneren?

 de God uit de Speerstraat/ linksaf tussen de Olympiaweg en de Olympiakade?

 het bloemencorso trekt voorbij/ de avond valt

 nu keert de rust terug/ en God begint aan zijn grote droom.'

Multatuli had een hekel aan gefotografeerd worden..

Poësie zwijgt

Als Multatuli schrijft is het op z'n mooist een allegaartje van dagboek, brief, verhaal of column. Soms zit daar weleens iets gedichtachtigs tussen. Hij gebruikt vrijwel alle schrijfvormen, zoals ze hem op dat moment van pas komen. 

 In zijn twee brieven aan Cornelis Kruseman uit Menado (1851), aan het aarzelende begin van zijn schrijfbestaan zegt hij het zo:

 '31 jaar! En ik heb nog niets gedaan! Niets dan wat versjes gemaakt die men "heel lief" vond, - en die vrij soeperig zijn, zoo als trouwens de meeste verzen van de 19 eeuw. Ik heb een hekel aan verzen. Ik geloof niet aan de poësie van een vers. Ik heb regt tot dat geloof. Ik heb nu en dan iets redelyks gemaakt, en ik herinner mij dat mijne stemming by het betere dikwijls lager stond dan bij het mindere. Sterker nog - ik geloof poësie in het hart te hebben, - maar juist dan als "de geest spreekt" - maak ik geene verzen. Als er hier en daar om den geijkten term te gebruiken "een sprankje dichtvuur" in doorstraalde, was dat niet de uitdrukking van 't oogenblik, - maar slechts herinnering aan de gedachte van een zwijgend tijdperk. (...) Poësie is woest en ledig - en de geest Gods zweefde daarover! (...)

 Ledig, - ja, als de oneindige ruimte! Ledig als daar waar 't stof ophoudt! Ook sedert lang maak ik geene verzen meer, zonder te beweren dat mijne stelling: poësie zwijgt, omgekeerd mag worden.'

 De twee brieven uit Menado werden 'bezorgd' door Henri A. Ett en uitgeven door G.A.van Oorschot in 1948. Het stempel 'VERWIJDERD' is van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek te Naarden-Bussum. 

Tags: 

Pagina's