Meer schaamte

 Het zit hem in de blik. Daaraan zie je het onmiddellijk. De ander vrijmoedig aankijken. Of juist het tegenover­stelde, de blik die zich verstopt. Omdat iemand denkt dat hij er niet wezen mag. Geen recht van bestaan heeft.

 De psychiater Louis Tas zegt in de catalogus: 'Schaamte is het gevoel dat je in de ogen van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook.'

 Veel op de tentoonstelling in Dr. Guislain bracht intense herkenning. Vooral van blikken. Michael Borremans kan heel goed de mankerende blik - die zich in angst naar binnen keert om zich daar te verschuilen - schilderen van wie er noodgedwon­gen wel is, maar eigenlijk niet wil zijn. Door de grond wil zakken. Hoe kom ik hier weg?

 'Ziekelijk verlegen', zei mijn vader. En dat ergerde hem buitengewoon. Met zo'n zoontje kon je nergens aankomen. Wat eraan voorafging was klas­siek. Eerst had hij alles gedaan om me mijn zelfvert­rouwen te ontnemen, en toen ik daardoor erg onzeker was gewor­den, in elkaar dook en bloosde bij het minste ergerde hem dat. En dat kreeg ik te horen.

 In deze tijd van kijken en bekeken worden hebben verlegenen het zwaar.

 De tentoonstelling laat ook pogin­gen zien de schaamte te overwinnen, te verhullen of juist te doorb­reken, Maar de verboden blikken zijn er ook.

 Sinds Adam en Eva hebben gezagsdragers zich verstrikt in de kwestie naakt of gekleed. Niet wetend hoe opwindend (half) gekleed kan zijn en hoe seksloos naakt. Zoals de tijdelijke vervanging van Adam en Eva in het Gentse Lam Gods door in dierenvellen geklede figuren, met een eigenlijk erg aantrekkelijke Eva van Victor Lagye, die eind 18de, begin 19de eeuw vele jaren op de plaats van de Eva van de gebroeders Van Eyck hing.

Tags: 

Schaamte in Dr. Guislain

 Vanmiddag in Gent om de nieuwe tentoonstelling in Dr.Guislain te zien: Schaamte. Aangrijpend hoogtepunt, de film Where the Silence Fails (2007) van Meiro Koizumi. De Japanner die de schaamte van de nu hoogbejaarde kamikazepiloot Tadamasa Itazu op video vastlegde.  Merkwaardig actueel ook nu de menselijke bom die een kamikazepiloot was, is teruggekeerd in de militante Islam.

 Het gaat om een gebeurtenis van 67 jaar geleden, waar de oude piloot werkelijk niets aan kon doen. Hij bleef gespaard, omdat zijn vliegtuigmotor afsloeg en hij moest terugkeren naar de basis, terwijl zijn kameraden, waaronder zijn beste vriend hun dood tegemoet vlogen.

 Die vriend wordt in de film opgevoerd, 'gespeeld' door hemzelf.

 Levenslang schaamt hij zich dat hij is blijven leven. De schaamte van de overlevende, zoals je die ook bij Holocaust-overlevers tegenkomt. Hij zou dood moeten zijn. Hij is hun vriendschap ontrouw geworden. Hij is mislukt. Het verschil is natuurlijk dat de Kamikazepiloot misschien slachtoffer is, maar toch vooral dader wil zijn.

 En Koizumi regisseert hem zo dat hij het innerlijk tweegesprek dat hij sinds de dood van de vriend voortdurend voert voor de film ook hardop naar buiten brengt. Itazu is zichzelf in gesprek met zijn lang dode vriend.

 Totdat de dode vriend – uit zijn mond – zegt ‘ik vind het goed dat je bent blijven leven'. Het komt er met moeite uit. En lijkt meer de wens van de regie dan van de oude piloot zelf. Wat de film zo goed maakt is dat de oude Itazu in heel zijn mimiek en intonatie zijn dilemma’s blijft doorleven. Er is geen oplossing.

 Verbazend hoe ze er in Dr. Guislain steeds weer in slagen kunst zinvol te verbinden met wetenschap. De catalogus is ook weer heel sterk. Morgen meer schaamte.

Het graf van de onbekende leraar

 Op school leerde ik vooral wat een volwassen man kon zijn. Dagelijks bestudeerde ik aandachtig het gedrag van de leraren. Mijn volwassenenstudie vergde zoveel aandacht dat ik aan de leerstof nauwelijks toekwam. Ik kon ze feilloos nadoen. Zag hun gezichten voor ik insliep. En nog.

 Jarenlang volgde ik hun zenuwtrekjes, hoorde hun stembuigingen en kuchjes. Zag ze sigaretten of pijpen opsteken en registreerde hun kleding: ‘Deknatel – Duits - altijd bruin.’ Ze verdienen een monument, met eeuwige vlam.

 In de literatuur zijn ze schaars. Bordewijk geeft ze aandacht in Bint. Maar de enige die precies wordt is Willem Brakman. In zijn 'Wak in het kroos', staat tot in de puntjes wat hij bij voorbeeld van zijn wiskundeleraar de heer Zondag leerde:

 '...een zeer weke en bolle man met heel kleine, witte en zo op het oog kwetsbare handen. Hij schreef smetteloos en weergaloos  regelmatig zijn formules op het bord, waardoor veel tot rust werd gebracht in mijn hoofd, maar zijn spreken getuigde nog van meer, van een absolute almacht. Hij rookte kleine sigaartjes voor de klas, zodat hij zich door kruidige zweempjes spiralende lust volmaakt zwevend hield tussen lichaam en geest. Zijn sigaartje hield hij daarbij in de kleine, wat bol gehouden hand en op het juiste moment haperde hij. Misschien alleen voor mij, want ik heb er nooit iemand over gehoord, maar hij haperde, dat wil zegen hij aarzelde even, en fractie van een seconde. (...)

 'Eindeloos heb ik hem nagedaan, sigaartjes gekocht, zijn stem en stap bestudeerd, tot ik hem van binnen uit bekeek en zijn machtige moment van haperen kon nabeleven. Zo sprak ik nog de zin na die ik woordelijk uit zijn mond had opgetekend, haperde ik zijn hapering.. (...) 

 'Soms, als mijn moeder geluk had hoorde ze achter de deur van mijn kamertje een stem 'alsof ik visite had' zoals ze zei. 

Waakslaap

 Gustaaf Peek schreef in de nieuwe Revisor - onder meer - een gedicht over de staat van zijn tussen waken en slapen. Het tussenbeide, en het met harde hand moeten bemachtigen van de slaap. Over aanstalten en maatregelen 'Voor het slap­en':

 De drempel zouten

Rode letters naast de deuren slaan

De vingertoppen doven

Voorhoofd en tepels klaren

 

Niemand meer naar boven horen rouwen

De kraan afknijpen

De vadernaam niet meer

Aan dorstige moeders denken

 

Ramen in de bladzijden breken

De straathond met een gevonden hand

Belonen de dekens

Dood wrijven

 

Van terugschreeuwen

Gaat een man niet slapen

 

Houten vingers tellen

Naar dromen raden.

Tags: 

The lobster

 Gisteren per ongeluk toch naar The Lobster gegaan. Om te zien wat het 'hogeschoolabsurdisme' - schreef de Volkskrant - van Yorgos Lanthimos nou was. Het bleek te gaan over 'de mens', de mens van nu.

 Je wordt gebracht naar een soort hiernamaals, in een verlaten berghotel als in de Zauberberg. Daar krijgen de overgeschotenen op het relationele slagveld hun laatste kans om stellen te vormen. Want dat is kennelijk in deze wereld de enige toegelaten bestaansvorm. Niemand kan weg.

 Lukt het je als single niet dan word je een dier naar keuze. Een kreeft bv.. Er wordt streng gesurveilleerd. Want ja, veel stellen blijken oplichters en stiekeme singles.

 Zover een aardige persiflage van de wereld van 'de bladen'.  Maar daar blijft het niet bij. Er is, diep in het bos ook nog een omgekeerde wereld, waarin stelvorming juist taboe is en het bloed kruipt.

 Alles bij mekaar een nogal zeurderige uitvergroting van het oude cliché van 'niet kunnen leven met de ander, maar ook niet zonder.' Dit alles onder het glossy schrikbewind waar wij moderne mensen zo van houden.

 Hoe dan ook, je moet daar tenslotte je eigen graf graven. 

 Is dit waar? Is het grappig? Geen van beide. Het flinterdunne mensbeeld van Lanthimos wordt opgedirkt met wijsgerige pretentie van de kouwe grond, wieweet ernstige maatschappijkritiek. Vier sterren in die krant en de juryprijs in Cannes. 

J.C. van Schagen

De Zeeuwse dichter J.C. van Schagen (1891-1985) heeft veel geschreven. Alleen maar, zei hij om stilte maken. Ruimte voor stilte, een meer van stilte aan de andere kant van zijn gepraat. Daarom bewaarde hij alles wat hij schreef, zonder onderscheid.

 Dit vind ik in de keuze uit zijn werk die Ingmar Heytze maakte en inleidde en die Ik ga maar en blijf heet, vrij naar Van Schagens titel Ik ga maar en ben (1972):

 

 ik houd zo van zwijgen

daarom praat ik zoveel woorden

om ruimte voor dat zwijgen te maken

ze moeten de woordenzee in tweeën scheiden

dat ik vluchten kan naar het beloofde eiland

waar het zwijgen is

eindeloos snijden woorden in het water

 

 of korte strofen als:

 

 een mens wordt wakker

en neemt, starend in de nacht

een slokje karnemelk

 

 er rolde een traan

in zijn kopje thee - vrij stom

toen dronk hij het op

 

 je zit te huilen

terwijl je een stuk koek eet

dit blijkt te kunnen

(...)

Alexander Münninghoff

 Dat ik me de dag van mijn toelatingsexamen voor het Haagse gymnasium zo goed herinner komt door de verschijning van een bijzondere jongen. Hij zat aan het tafeltje naast me in de gymnastiekzaal en vroeg of ik een pen te leen had, de zijne was hij vergeten. Verder droeg hij - wat hoogst uitzonderlijk was - een korte Duitse Lederhose. Zijn naam was Alexander Münninghoff.

 Ik leende hem de reservepen die mijn zorgzame moeder had meegegeven. Alexander had alles wat de 'new kid on the block' kenmerkt. Hij stond in een helder licht en sprak met een zelfvertrouwen dat uit een andere wereld afkomstig moest zijn. Rusland werd geflu­isterd.

 De beduchtheid van de gymnasiumkinderen was hem vreemd. Geen wonder dat hij later gekozen werd tot praeses van de gymnasiastenbond. Een goed schaker was hij ook.

 Dat de zelfde jongen nu voor zijn boek De stamhouder de Libris geschiedenisprijs kreeg, waarin alles over zijn herkomst te vinden is, verbaast me niet. Ik zie de vluchtelingenstromen komen en denk aan de invasie van Indische, vooral Molukse kinde­ren. En de doorbraak van de grauwe schoolsheid die dat meebracht.  

 René Pasanea, bij wie ik thuiskwam woonde op een verdieping waar zelfs geen zeil op de ruwe planken lag. Het gezin kwam net uit Indië van­daan. Op school zat hij voor me in de bank in de derde klas. Een bijzon­der mooie Molukse jongen, die onberispelijke witte kousen droeg op zijn bruine benen.

 Wanneer de zon het klaslokaal binnenviel scheen die soms op zijn linker­oor. Ik zag, dan van achter af een doorlichte oorschelp van bruin-roze albast, waarop heel kleine haartjes.

Journey to the shore, nogeens

 'Als pa gaat mag ik hè,' zei mijn broer. We hadden juist mijn moeder begraven. Ik had wat gezegd. Over haar manier van geruststel­len. Dat kon ze goed. En wat heeft een kind meer nodig.

 Mijn broer heeft nog meer last gehad van die vader dan ik. In Delft studeren mocht niet, al had hij dat goed gekund. Mijn vader keek neer op bètavakken. Wat hij niet begreep was onbelangrijk. In de laatste jaren paste mijn broer op zijn geld en werd steeds beschuldigd van malver­saties. Hij heeft de verdachtmakingen nog een jaar uitgehouden. Het zat hem hoog.

 Toen we tenslotte in de aula zaten bestond het publiek vooral uit verre familie en generaals. Dat laatste omdat mijn vader burgerdocent aan de militaire academie was geweest. Daar voelde hij zich thuis. Generaals, pet op de knieën, het haar aan de achterkant wat ingedeukt door de petrand. Mijn broer sprak tot de kist.

 'Mijn vader was geen gemakkelijk mens,' zei hij.

 De generaals gingen wat verzitten. Er klonk een kuchje. Hij had me z'n speech tevoren laten lezen. Er zat veel van z'n therapie in. Een goede speech, kritisch maar berustend. De generaals verdwenen achteraf zwijgend. Wat wil je? Ze hadden de overledene gekend als een goedlachse kerel die een borrel schonk in z'n erker.

 Ik kom hierop door de film Journey to the shore, die in m'n hoofd bleef spoken. Over de reis naar de grens van het hier­namaals. Over de fase tussen de dood en het definitieve afsch­eid, waarin de doden kunnen terugkeren om nog iets af te maken. Of nog levenden kunnen proberen ze terug te roepen. Over de omgang tussen levenden en gestorvenen, tussen wie iets onaf is geble­ven.

 Het is in onze jaren gewoonte wil­lekeurig welk overleden familielid aan te duiden als 'een dierbare'.

 Van mijn vader werd niets meer vernomen. 

In Bergen onder de bomen

 Huis onder de bomen. Hoge bomen. Liefst een voornaam, wit huis als De Oude Hof. Geschilderd in weinige, forse streken. Trefzeker.

 Waarom is het zo donker bij de eerste Hollandse expressionistenschool, die van Bergen? Leo Gestel, Else Berg en Mommie Schwarz, de gebroeders Wiegman, Piet van Wijngaerdt. De jonge Wim Schumacher.

 Ik denk omdat het in Bergen, onder de bomen altijd donker is. Het is vaak najaar, net als nu, de hoge bomen staan nog in blad, al ver­geelt het al hier en daar. Ze druipen van het vocht.

 De Nederlandse avant-garde komt hier op een voor mij nieuwe manier naar voren. Wonderlijk hoe twee handenvol schilders - zo kort na de Franse schilderrevoluties - het in de jaren tussen 1914 en 1920 zo eens konden zijn over onderwerpen en hoe ze te doen. Ze moeten daar in Bergen vaak bij mekaar over de vloer zijn geweest, hadden er zomerverblijven of woonden er, al waren de meesten Amsterdammers. De stoomtram reed vanaf 1905 al naar Bergen, vanaf 1909 's zomers ook naar Bergen-aan-Zee. Deed er een uurtje over.

 En er werd gereisd, naar Parijs, naar het Zuiden.

 Wat me verblufte, de onderwerpen lijken zo alledaags, maar steeds worden ze vanuit andere hoeken in andere composities bekeken en in de kleur gezet. Dat kan alleen als je een bent met je onderwerp. De schilderstijl is heel direct. Je moet er met je neus bovenop om dat goed te zien.

 De club had het modernisme 'puur om de stijl', het fauvisme, pointillisme, kubisme, whatever achter zich gelaten. Cezanne was hun held. Ze wilden hun onderwerpen werkelijk tot leven krijgen. En dat lukte, ga kijken in het Singer­museum in Laren.

 ps. Renee Smithuis, die deze - haar - collectie aan Singer cadeau deed, schreef ook de gave catalogus.

 

Bek

 Het zijn dagen dat ik met angst en beven de krant opsla. Steenbergen. Het zijn de dagen van de grote bek. Nieuwste incarnatie: Donald Trump.

 Vanmorgen in bed probeerde ik de geschiedenis ervan na te gaan. Bij mij thuis was stemverheffing een zonde. Sssst.. Mijn vader was de enige die dat toekwam. Het gezin vreesde hem erom.

 Ik zag de grote bek terug bij links. In mijn Den Haag verhief niemand zijn stem op straat. In Amsterdam werd gedemonstreerd, had je linkse mensen. Die hun groot gelijk luidop scandeerden: Handen af van.. Rot op.. Spreekkoren. Spandoeken. Achteraf hadden ze soms nog gelijk ook. Eens zat ik in een voetbalstadion, theater van de stemverhef­fing.

 Nog weer later verhuisde de grote bek naar rechts, met For­tuyn. Ik herzag pas nog de historische confrontatie en herkende in Melkert mezelf, het net opgevoede jongetje dat z'n stem nooit had durven verheffen. Mond vol tanden.

 En gisteren stonden de grote bekken in Steenbergen. Achterin de zaal de poli­tieke hooligans. Die zo haarfijn de angst aanvoelen van wat weer heet 'het volk'.

 En een derde van de kiezers is het met ze eens. Als er een meerderheid van komt maakt dat alles erger en lost niks op. Alexis de Toqueville zag het al aankomen. Wat we denk ik meemaken is het eind van de emancipatie: de meerderheid van niet zo snuggeren beslist. Zo eindigt democratie.

 Zoals Reinold Widemann al lang geleden formuleerde: 'Als de wereld ten onder gaat zal dat zijn met meerderheid van stemmen en onder luid applaus.' 

 Nu wakker worden.

Pagina's