Fietsgeesten

 Geesten waren het. Opgerezen uit de berg van namen, waarvan je wist hoe ze te spellen en uit te spreken, maar zonder gezichten. Het schimmenrijk waaruit ze naar voren traden was er maar drie weken in het jaar. En werd tot leven geroepen door een enkele stem op de radio, die van Jan Cot­taar, die de korte aankomstreportages verzorgde, elke dag rond vier uur.

 En dan moesten ze niet binnenkomen tijdens het nieuws, want dat ging voor. Cottaar, die soms nog moest gaan vragen wie gewonnen had. Fotofinish? Want ze vlogen voorbij zijn commentaarpositie. Lastig bij massasprints.

 Wij thuis zagen niets. De enige bevoorrechte die ons uit eigen aanschouwing kon vertellen wat er gebeurde was lange tijd Jan Cottaar. Zijn rechtstreekse ooggetuigenverslag van de aankomst van de etappe was het enige. De volgende dag kwam pas de krant.

 Wekenlang leefde ik in de ban van een gespannen verveling. Knipte de krant, lag op mijn buik bij de radio en berekende een voorlopig algemeen klassement.

 Later, toen de televisie er was en sport ging vertonen kreeg Jan Cottaar een gezicht en een postuur. Hij was gezet en droeg een vlinderdas. Zijn stem kwam diep uit het strottenhoofd en slikte medeklinkers in: 'Dazenheren gnavend..'. In mijn hoofd was zijn grootste televisietriomf dit voorval.

 Hij moest opkomen en gaan zitten in de studiostoel. Eenmaal ging dat mis. De stoel kon zijn lichaam niet meer aan. Toen hij zich liet zakken brak de rechter armleu­ning krakend af. En viel met een klap op de studiovloer. Hij zei er niets van, kondigde unverfroren een filmreportage aan. Maar toen die voorbij was deed hij zijn meesterzet. Voor zich op zijn studiodesk had hij de afgebroken armleuning neergelegd. Hij zei er niets van. De leuning bleef daar liggen terwijl hij zijn afkondiging deed: 'Dazenheren gnavend..'.

 Dit jaar beleef ik de spannendste Tour ooit. Onwaarschijnlijk. De Tour stond voor verveling. De spanning moest je helemaal zelf verzinnen. Er waren gedoodverfde winnaars, Anquetil, Merckx of Hinault, Indurain of Contador.

 En nu kunnen Nederlanders klimmen. Jan Nolten kon het ooit. Rooks en Theunisse, maar op doping. En Peter Winnen. Breukink een beetje soms. Maar wat Robert Gesink gisteren deed.. Demarreren in een klim. Met Contador in zijn wiel. Waar was mijn verveling? De Tour is de Tour niet meer. 

Huppert en Depardieu

 Er is veel tussen mensen, tussen leven en dood, dat je niet weet en nooit zult weten. Is er leven na de dood? Liefde? Met die vragen worstelen de twee in een toeris­tenoord in Death Valley, waar hij eerder was. Deze Isabelle Huppert en Gerard Depar­dieu hielden ooit van elkaar en zoiets blijft, altijd, zegt de film.

 Hoe verschillend ze ook zijn. Liefde is van een hogere orde. Dood ook. Regisseur Guillaume Nicloux brengt ze samen. Zij hysterisch, vegetarisch, gelovend in straling in Tibet. Hij naar eigen idee nuchter.

 Hun door beiden verwaarloosde homoseksuele zoon heeft zelfmoord gepleegd, brieven voor ze achtergelaten en daarin plaatsen aan­gegeven waar hij zich postuum aan ze zal vertonen. Dat gebeurt. Of denken ze dat maar? Valley of Love speelt zich af in Death Valley en dat klopt.

 Wie gelooft niet - met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid - op z'n minst soms dat doden van zich laten merken in ons bestaan? Daarover schrijven of filmen is hachelijk. Men wil het niet weten. Maar er gebeuren soms 'van die dingen'. En dan hebben hysterici als Huppert het minder moeilijk dan rechtlijnigen als Depardieu.

 Nicloux laat ze zien als dwalende toeristen in de hitte van hun eigen bestaan. En ze spelen zich meesterlijk.

Trappen

 Lord Byron was misschien een van de eerste popsterren. Toen de dichter besloot Engeland te verlaten werd hij nagezeten door adellijke dames, die zelfs verkleed als kamer­meisje trachtten zijn kamer in het hotel in Dover binnen te dringen. De romantische dichter schreef verzen per strekkende meter. Ik reisde hem en zijn gezelschap in 1976 na, naar Italië.

 Eerst naar de villa Diodati aan het meer van Geneve, waar meisjes uit de buurt welkom waren en hij in 1816 zijn Childe Harold schreef. En met vriend Shelley bijna verzoop tij­dens een zeiltocht. Daarna naar Venetië waar hij de vrouw van een bakker 'huurde', zoals toen voor de adel daar gewoon was. Ze nam trouwens meteen de huishouding over. Byron reisde over de Alpen en vond ze werkel­ijk adembenemend mooi. Hij had een ongebreideld rijmtalent, het ging vanzelf. Hij leefde ervan. Maar als briefschrijver blijft hij werkelijk over.

 En nu kom ik hem tegen in de uitzonderlijke, verhalende dichtb­undel Trappen. Waarin Sebastiene Postma dichterslevens samenvat in het belopen van trappen, van keldertrap tot Jacobsladder, trapop, trapaf.  De sleutel van dit gedicht: Byron liep van jongsaf mank. Kwam hem op straat een mooi meisje tege­moet dan bleef hij stokstijf stil staan en wachtte tot ze voorbij was. Uit Sebastienes Byron-gedicht:

 'Je moet kreupel zijn om goed trap te kunnen lopen.

De mankepoot zocht om te vliegen

en vallen steeds weer een nieuwe klimmuur als uitdaging.

Hij besteeg zo vaak mogelijk

een warm vreemd lichaam onder hem.

Eerst trok hij zich op aan een ronding of uitsteeksel.

Vervolgens koos hij de dichtstbijzijnde opening als voetsteun

en dan greep hij met zijn linker of rechterhand

een verheffing in de buurt

om zo hijgend verder te klauteren tot

hij op het hoogste punt was aangeland.

De bewegingen van een klimmer

zijn ritmisch en doelgericht.

Wanneer hij kreunend de top had bereikt,

daalde hij weer af naar beneden om het daarna opnieuw te probe­ren. (...)'

Voltaires onkruid

 Een tuin heb ik niet, mijn tuin werd een balkon, werd een plantenpot. Genoeg om me terug te voeren naar de landjes waar ik opgroeide. Terwijl ik me bezighield met het verzorgen van het onkruid, op­gekomen uit de bewaarde zaden van vorig jaar, dacht ik aan Voltaires Candide en het tuinonder­houd.

 Het is flauw om ‘cultiver son jardin’ meteen overdrachtelijk op te vatten. Juist uit de dagelijkse aanschouwing en werkzaamheid komen stille mededelingen voort.

 Op het slot van Voltaires Candide leert de held dit van de Turk die naast hem woont en met zijn dochters leeft van wat zijn kleine landbezit opbrengt. Hij tracteert Candides gezelschapje op zelfgemaakte lekkernijen uit eigen tuin.

 'Ons werk behoedt ons voor de drie grote kwaden: verveling, verdorvenheid, en begeerte.’

 De filosoof Pangloss zegt nogeens dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven. En dat rampspoed – zoals mijn moeder hem nazei - altijd ergens goed voor is. Candide concludeert dat de oude Turk er beter aan toe is dan alle koningen die ze op hun reizen ontmoet hebben.

 Grandeur, zegt Pangloss is heel gevaarlijk. Met wie er aan lijdt loopt het slecht af.

 'We moeten onze tuin bewerken' besluit Candide. Dat vindt Pangloss ook. We werden in het Paradijs geplaatst om het te bewerken.

 Ziehier het antwoord op Voltaires oude dilemma: 'Sterven van de drukte of doodgaan van verveling'.

 Op mijn eerste landje, een stukje bouwgrond, groeiden wilde aardb­eien. Verzonken werkte ik daar, vijf jaar oud, toen ik werd weggerukt door twee grote jongens die me - elk aan een arm - meevoerden naar het ouderlijk huis: 'Je vader is terug uit Indie.'

 En ja, de voordeur was versierd, er stonden mensen om een groene legerbus. Er kwam een man in uniform op me af. Ik wist wat dat betekende: niet veel goeds.

Runa Svetlikova

 In de eerste seconden van de film moet het gebeuren. Licht valt op een knoopje, een hand wrijft over een handrug. Genoeg om vertrouwen te winnen. Wieweet je over te leveren aan wat komen gaat. Zo sloeg ik de debuutbundel Deze zachte witte kamer (2014) van Runa Svetlikova open, bij toeval op dit gedicht:

 De stofzuiger nam ik mee. Omdat hij stiller is

lichter en ook bij u alles opzoog tot ge weg waart.

 

Omdat in de kern alles nog leeft: dode huidcellen

haren die niet grijsden, vergruisde tabak, kattenvacht, as

uw geur die nu mijn huis inblaast en die ik adem.

 

Omdat ik (elke keer dat ik het snoer uittrek) weer zie

hoe ge een stickie rolt, hoe de kat kopkes geeft

ik u door de haren wrijf.

 

Omdat ik stillekes hoop (elke keer ik

de knop induw) op een wedersamenstelling van u.

 

 Een Vlaamse met een Russische naam. Die een man ontleedt tot stof, hem opzuigt. Maar, in haar stofzuiger leeft hoop.

Kleven

 Op 19 september is er weer een voorstelling van de Vorlesebühne in de Houtzaagmolen In Utrecht. Ik mag meedoen. Over het thema 'Sorry, maar u plakt.' Het eerste dat me te binnen schoot was jam aan een plastic tafelzeiltje en dan mijn vingertop.

 Daarna kwam pas mens aan mens: wang aan wang, het zomers plakkerige eigen voorhoofd. Het kleffe handje, de zweethand. Tijdens dansen gold kleven als dodelijk. Zo kwam ik bij de nabijheid van de ander. De toenemend ongewenste aanraakbaarheid en ruikbaarheid.

 Ik denk dat het elektrisch licht de nabijheid veel kwaad heeft gedaan. De opeens zo zichtbare poriën van de ander. Ontharing was het laatste gevolg. Ziekelijke eenzelvigheid beheerst de hotels, waar alleen het ontbijt overbleef voor ongemakkelijk samenzijn. Terwijl toch eens alle gasten samen aanzaten aan de table d'hôte. En je eerder in oude herbergen met z'n allen in een bed overnachtte, om niet te spreken van het gezamenlijk eet- en sexbad, de stoof. Erg 'klef'.

 Het is stil geworden. In de Doris Day-tijd werd men vies van elkaar en van zichzelf. De greep naar Odorex en Rexona werd gevolgd door overdadig sanitair waarbij inbegrepen het verdonkeremanen van de drol in de diepspoel. 

 Ook de zelfaanraking werd suspect, de rituele ruikende vinger in de oksel een angstige inspectie. Stink ik?

 Dit moet wel eindigen met het hardhandig verwijderen van de ander. Precies zoals jeugdige Amerikanen met machinegeweren op schoolpleinen het doen. Eerst de kleffe klasgenootjes en leraren de wereld uit en dan godweet jijzelf. 

Tags: 

Hoe Belgisch is het?

 Vanmiddag in het Singer Museum zag ik de expositie van 19de en 20ste-eeuwse schilderijen die 'Belgische schone' genoemd zijn. Merendeels afkomstig uit Gent. En vroeg me bij elk schilderij weer af 'Hoe Belgisch is het?'.

 Een boeiend spel. Waarbij onvermijdelijk de vraag: 'Wat is dat dan, Belgisch?'

 Schilders zijn bij veel ook speciale verslaggevers van hun tijd. Van stemmingen, van gelaatsuitdrukkingen, van wat schilderwaardig gevonden werd of eenvoudig mooi.

 In Belgische kunst vind je zoveel andere accenten dan in Hollandse. De gezichten - dat is nog steeds zo - dragen een zeker bleekheid mee en hebben vaak een naar binnen gekeerde blik.

 Gereserveerd, is het woord. De bij ons gekoesterde Hollandse 'openheid' geldt daar immers nog steeds als lomp.

 Ik keek naar introverte vrouwengezichten. Gezichten die je net wel of net niet aankijken. Het verst gaat de beroemde Maria Magdalena van Alfred Stevens (1887), die niet voor niets een schedel in haar armen houdt. Dat moet wel die van haar gestorven vriend Jezus van Nazareth zijn. Maar zij is dan ook een heilige. 

 Van het katholieke, wat dat ook moge zijn, zijn de figuren doordesemd.

 Wat of dat zou wezen? Ik hou het op een ons onbekende, woordloze berusting. 

Tags: 

Digging up clouds

 Is de titel van wat Sjoerd Knibbeler (1981) laat zien in FOAM. Wolken opgraven. Bewegende lucht, wind, een tornado, dat is het materiaal waar Knibbeler mee werkt. Liefst zou hij, vermoed ik, een museumzaal in­richten als een winde­rige straathoek. Met veel turbulentie. Windkolken.

 Zijn eigenlijke materiaal is onzichtbaar. Beweegt het lichtste, papi­er, plastic, maar laat vooral zien wat luchtstromingen ermee doen.

 Dat varieert van papieren vliegtuigjes, gevouwen naar historische modellen als de AV­RO‑York en gedocumenteerd aan de muur, tot opgeblazen plastic draagtasjes. Of verkreukeld en weer gladgestreken papier. In de lichtste tinten. Bijna onzichtbaar vaak.

 Minimale kunst. En oneindig veel interessanter dan wat iemand als Herman de Vries maakt. Want zijn musealiseren van gevonden rotzooi is oud en saai nieuws.

 Het materiaal van Knibbeler spreekt. De lucht laat het spreken. Onze monden blazen er lucht in. Je ziet hem gefilmd op het strand, winderiger kan niet. Als speelbal van de elementen zoals dat heet.

 Foam laat zien dat de grenzen tussen film, foto en beeldende kunst steeds meer vervagen. Net als bij Noemie Goudal even verderop in dat zelfde Foam.

 Ik dacht aan Theo Jansens Strandbeesten op het Scheveningse strand. Die toch ook op wind en water lopen. Ach, hadden ze Theo's beesten maar naar Venetië gestuurd!

 Of de ijle windbeweegsels van Knibbeler.

Tags: 

In grazia de Dio

 Leven 'In gods genade'. Het Paradijs bes­taat. Mijn vraag na afloop van de gelijknamige film was alleen of het kwaad zou kunnen als de bewoners dat zelf wis­ten. Ik denk beter niet.

 De film van Edoardo Winspeare wijst precies waar je moet zijn, in Apulië, aan de kust, met zicht op Griekenland. Een onooglijk dorp. En even daarbuiten een olijfgaard aan zee achter wat verzakte muurtjes. Onsterfelijk mooi bij zonsondergang, in het gouden licht.

 Pas als er kopers uit het Noorden komen die er 600.000 euro voor willen neertellen dringt bij de bewoonsters iets door.

 Adele, de eigenares die in geldnood zit weet dan opeens heel zeker dat ze nee moet zeggen.

 Wat doe je in het paradijs? Ruzie maken. Dat doen de bewoonsters, Adele, haar moeder, zus en dochter volop. Italië wordt geregeerd door vrouwen. Meestentijds vervloeken ze elkaar. Maar ze krijgen ook kinderen of trouwen nog op hun 65ste in het wit. Nou ja crème. Moeder heeft het laatste woord.

 Als hun familie textielfabriekje failliet gaat doen de vrouwen wat Itali­anen in de buitengewesten doen. Leven van een groentetuintje, kippen fokken, jagen, paddestoelen zoeken.

 Zoals ik het zo vaak zag. Tegen etenstijd kwamen verre ooms de berg af op hun brommer met achterop een dood konijn in een kistje, wat fruit en knollen van hun eigen landje. En dan aten ze mee. Kortom, de lokale familie-economie waarop ook Griekenland godweet zal terugvallen. 

Noémie Goudal in Foam

 In Foam werd ik geraakt door het ongewone werk van de Franse beeldend kunstenaar Noémie Goudal (1984). Foto's van noem het gedroomde beelden van historische bouwwerken, die er nu uitzien als 'follies'. Bomarzo is er niks bij. Zeer intrigerend zijn haar 'Observatoria' en 'Satellieten'. Goudal fot­ogr­afeert historische uitkijkposten. Vanwaar men de hemel maar ook elkaar in de gaten hield, bekeek, beluisterde.

 Kunstmatige, op de hemel gerichte structuren. Op haar foto's heeft ze ze neergezet op een strand, of in een oerwoud. Ergens anders dan waar ze ooit stonden. Ingrijpende manipulaties. De nieuwe achtergronden van haar Observatoria zijn bijvoor­beeld als je goed kijkt van papier gemaakt.

 Landschappen zie je, met bouwwerken erin. Aangetast, overwoekerd door weer, wind en oerwoud. De beelden zijn gemanipuleerd, maar niet digitaal. Analoog gefotografeerd en omlijst door, knip en plakwerk. Ze maakt ook video's. Waarover later.

 De eerste serie 'Observatoria' (2013‑2014) kwam voort uit de 18de eeuwse astronomische observatoria van Jaipur en Delhi. Ooit gemaakt om de maan, zon en sterren te bestuderen. Net als bij de 'Observatoria' kregen haar beelden van 'Satellieten' nieuwe entourages. Ze komen - surprise! - voort uit wat ik kende: de akoes­tische geluidsspiegels die tussen 1916 en 1940 langs de Zuid- en Noordoostkunst van Groot-Brittannië zijn geb­ouwd om vijandige luchtschepen en vlieg­tuigen te horen aankomen. Akoestische voorlopers van de radar. Ze staan er nog. In Kent met name. De oren werden al snel ingehaald door steeds snell­ere vliegtuigen. Ook hier maakte Noémie nieuwe achtergronden bij. Ze plaatste de oren - onbegrijpelijk geworden constructies - in het Amazone regenwoud. En waaracht­ig, dat klopt.

Tags: 

Pagina's