Mark Bradfords Sexy Cash

 De schilder Mark Bradford (Los Angeles 1961) gaat altijd uit van details, waaruit iets groters, van alles kan voortkomen. Een reclame, flarden van een gesprek zijn genoeg: 'Het is altijd een glimp. En ik begin te fantaseren. Wil ook niet echt weten waar iets naar verwijst.’ 

 Als zijn moeder hem als kind zag staren en vroeg waar hij aan dacht zei hij 'alles en niets'. Zijn gedachten gingen de wereld rond. Zij noemde hem dan Marco Polo.

 Bij mijzelf thuis ging het net andersom. Ik zat ook vaak in gedachten te staren. Zo absent dat mijn mond er van ging openhangen, wat mijn vader bijzonder irriteerde. Ik moest er onmiddellijk mee ophouden, want het maakte 'een stompzin­nige indruk'.

 Mark Bradfords gedachten nemen vreemde vluchten, zijn juist geopende tentoonstelling in het Haagse GEM komt voort uit een enkel affiche van een bedrijf op een telefoonpaal in South Central. Een reclame voor snelle huizenverkoop om een tweedehands auto te kunnen betalen.

 Tekst: 'Sexy cash. We buy ugly or old houses fast'. De begeerte. Maar ja, denken wij, dan heb je een auto, maar geen huis meer. Zover denkt de begerige niet. Die wil rijden, nu. Zo ontstond Bradfords Sexy Cash Wall (2015).

 Een tekst waar je naar blijft kijken. Ik speciaal met Chuck Berry's klassieke liedje 'No Money Down' in gedachten. Ook Chuck wil immers koste wat kost een auto kopen. En weet precies wat voor een.

 Als Mark Bradford een nieuw onderwerp zoekt gaat hij, vertelde hij, naar de kapsalon van zijn moeder waar altijd zeker drie mensen door elkaar praten. 

Tags: 

De trappen van Sebastiene Postma

 Net kwam ik bij de deuren vandaan of daar waren trappen. De titel van het dichtdebuut van Sebastiene Postma. Deur en trap maken samen een gang. Bij Postma (1957) verbinden trappen de wereld. Gelijkvloers is niets of misleidend.

 Zo zijn er bij haar overtreffende trappen, vergro­tende trappen, wenteltrappen. Bovenaan, onderop. Nu en toen, boven, beneden. Postma treft ze in Angelsaksische poëzie tot in de vorige eeuw. Dat moet haar leeswereld zijn. Waarin dichters optreden als excentrieke oude kennissen. Zoals William Blake (1757-1827), die ook tekende. Aan hem is gedicht nummer II gewijd:

 William Blake voerde diepgaande gesprekken / met aartsengelen en zijn dode broer. / Hij liep vaak met hen van gedachten te wisselen zonder op de vloer te letten. / Zijn tijdgenoten meenden dat hij een rare gek was / maar de prerafaelieten besloten dat het geen gekte was maar genialiteit. / Blake bond de strijd aan met de lagere treden. / Maar ontdekte door hen de onder- / en overschrijding, allemaal mogelijkheden. / De visioenen hingen bij Blake gewichtloos boven / zijn hoofd, trappelend om op te stijgen als ballonnen aan touwtjes. / De ruimte tussen zijn schoenen en de grond / was groter te krijgen. Hij ging steeds naar buiten om te kij­ken.

 Kijk, door het laaghangende wolkendek / boort zich een kurkentrekker van zon schuin naar een pas gemaaid veld. / Balen hooi in plastic liggen verspreid over een paar hectaren. / Al het licht verzamelt zich in die ene wenteling. / De rest van de akkers, de heggen, de sloten, / wordt in schaduw onwaar- / neembaar. De bundel stralen die zich speurend / door de dekking heen wurmt is zo intens / (als een zoeklicht vanuit een politiehelicopter) / dat hij een schacht van boven naar beneden vormt. / Een opening die moet zijn gedacht.

 Wil men naar het hoogste / dan is de ladder de baar.

De vampier van Mark van Overeem

 Je komt een museumzaaltje binnen. Het is leeg, op een wandornament na. De achterwand is in z'n geheel een spiegel, waarin het wandornament weerspiegeld wordt en ook de stopcontacten langs de plint. Maar er klopt iets niet. Waar ben ik zelf gebleven?

 Ik beweeg me, kijk nogeens goed, nee, het hele museumzaaltje wordt weerspiegeld, maar ik niet. Duizelende gewaarwording. Die ik meteen herken uit de films: wiens spiegel­beeld ontbreekt is de vampier. De levende dode. Ik dus.

 Hoe zeer ben je gehecht aan de vanzelfsprekendheid van dat spiegelbeeld dat je heel je leven vergezelt! Wie stal mijn spiegelbeeld? Wie bracht me naar het voorgeborchte?

 Het is Mark van Overeem (1970), die in het Haagse GEM een voorstelling heeft ingericht die in het duister tasten tot onderwerp heeft. In het wandornament zijn ook weer spiegels verwerkt. Presenting the present (2015) heet het. De betrekkelijkheid van de waarneming, daar gaat het over.

 Zo heeft Van Overeem de kelder van het GEM tot een spookhuis gemaakt, geheel donker op een paar duistere lichtplekken na, in een ravage van wat een ingestort en overwoekerd huis kan zijn, in een nachtelijk park. Je kunt alleen de trap afdalen met een zaklantaarn in je hand en een paardendeken om je nek. De lamp begrijp ik, de paardendeken lijkt een voelbaar teken van rampspoed. Of je als slachtoffer een heenkomen zoekt. Dat klopt, hij maakte dit ding na een bezoek aan Israël, in 2013, het heet A wish in return. Er is daar beneden niets dan een duistere bouwval.

 In de andere zaaltjes meer trompe l'oeil. De formaten en perspectieven van de schilderijen spelen spelletjes met je.

 Kijk maar, je ziet niet wat je ziet, het is niet wat je denkt. 

het origineel, ong. 1945 uit het depot Mode

Getemde hemel (2)

 Vanmiddag hield Miek Zwamborn in het Haags Gemeentemuseum haar boek Getemde Hemel ten doop, de neerslag van ruim een half jaar werken als 'writer in residence' aldaar. Een boek als een verzameling, een ladenkast vol weer, wind en natuurgeweld.

 Deze wollen trui vond ze in het depot Mode van het museum, datering: Tweede Wereldoorlog. Herkomst onbekend. Bij haar afscheidsspeech droeg ze de replica die haar moeder en zij er van maakten. In het boek staat nu ook haar gedicht 'Trui alleen':

 De winter rekt armen uit

ramen worden verduisterd

dit is de jij en ikkesteek

 

in de kamer klinkt opeens jouw stem:

kijk de manchetten, ik heb ze verlengd 

kijk de oksels, ik heb ze weggelaten

kijk, alleen de kraag blijft over

 

mijn taak was het

weefsel dat luchtig

werd steek voor steek

toe te spreken

 

draden te vermanen

naalden te rapen

kleur op kleur

 

we beginnen de vacht van de hond

te spinnen met veren te dekken

de gaten te lijf en de draden te dik

wikkelen we af of spoelen we op?

 

er vallen woorden die we vergeten

er vallen gaten die worden gedicht.

Tags: 

Erwin Olaf: het wachten voorbij

 Een tafereel waarin bijna alles ongewis blijft. Een meisje in een café, een glas limonade met ijs voor zich op tafel als enig houvast. Een bosje bloemen.

 Van Erwin Olaf zag ik vanmiddag in Arnhem 'Waiting', zijn nieuw­ste. Een film van 50 minuten op twee schermen. Twee onbeweeglijke camera's op de zelfde scene. Een meisje, close en face en op het andere scherm en profil van veraf, waarmee je een overzicht krijgt van het etablissement waar ze zit. Ze worden gelijkop vertoond, real time. Eromheen zijn stills van de zelfde scene te zien.

 Wachten, dat is wat het meisje volgens de titel doet. Een weerkerend thema bij Olaf. Maar wacht het meisje wel? Wat doet ze met haar handen? Ze legt ze soms op elkaar, strijkt over haar vingers, verschikt haar armband. Een horloge heeft ze niet. Ze kijkt naar buiten, soms heel even, of net niet. Er zijn vitrages waarachter flatgebouwen verrijzen.

 Haar blik is naar binnen gekeerd. Is ze in gedachten? Wat zouden die kunnen zijn? Ze strijkt over haar onderarmen als om zich ervan te overtuigen dat ze er nog is.

 Of is ze de gedachten voorbij? Een oogknipper is in deze omstandigheden al veel. Alles is hier zorgvuldig van betekenis ontdaan. Haar gezicht is Aziatisch. Japans?

 Er passeren mensen, schimmen voor in beeld. Een ober is op de achtergrond bezig, keurt haar geen blik waardig. Voor haar staat het glas limonade waaruit ze niet drinkt. Verstrijkt de tijd? Alles staat stil. Alleen haar glas wordt ongemerkt leger. Je blijft kijken.

 Het is een betovering. Of ze je aan de hand neemt naar, ja waar?. Met haar verdwijn je naar never neverland.

 Datering van aankleding en decors, ik schat 1961. Het omkeerbare jaartal, waarin de tijd tot stilstand kwam. Zij en de omgeving zijn smetteloos, zoals dat alleen in 1961 bestond. Haar nek, de kraag van haar brokaten (of wat is het?) jakje, onovertroffen. Zie de films uit die jaren.

 Het is ook de smetteloosheid die je van Olaf kent, van het nietgebeuren. Alsof ze een priesteres van het niets is.

 Ik denk, ze is het wachten lang voorbij. Waar zou ze zijn? Nergens? 

Tags: 

Aan mijn dokter

 Deze week verschenen - onder de kop 'Correspondenties' -  op Internettijdschrift Samplekanon drie nieuwe, lange gedichten van Hannah van Binsbergen (1993), die daar in 2012 debuteerde. Sindsdien publiceert ze in tijdschriften en treedt op. Hier het begin van een brief 'Aan mijn dokter':

 Iedereen weet hoe het met mij gesteld is

en u niet slechter dan een ander.

Is het niet heerlijk voor u, dokter

dat ik geen hypochonder ben?

Ik bezoek u bijna nooit, dat moet u toch

zijn opgevallen, en het is niet alleen de afstand,

het is ook de angst dat ik een dure ziekte heb

waarvoor ik niet zal kunnen betalen

en ik geloof niet dat uw medicijnen werken

hoewel ik u aardig vind en uw ziekte betreur.

Ik interpreteer uw initialen als toespeling

op mijn jonge overlijden

een gebeurtenis die ik dagelijks

ophanden houd door te roken.

Jong te sterven is een utopie

het houdt je teloorgang tegen.

Wat is dat voor ziekte?

Het heeft te maken met het probleem

voor in de twintig te zijn en naar huis te willen

om iets moois te aaien dat geaaid wil worden

maar niet naar huis te kunnen gaan.

Je kunt je lopend afvragen hoe je nog

naar jezelf kunt kijken

totdat je weet

als je heel wat ergere dingen gedaan hebt,

dat dat niet kan.

Genoeg, (...)

 

Lees verder op Samplekanon, dat zegt 'magaz­ines are societies'.

Dienstmeisje

 De stadstaat Singapore. Een ijzeren regime, waarin roken en gebrek aan discipline hard worden aangepakt. Iedereen is rijk, althans niet arm, woont goed en heeft een Filipijns dienstmeisje dat je mag afsnauwen of erger.

 De film Ilo Ilo van Anthony Chen gaat over hiërarchie en geld ten tijde van de crisis eind jaren '90. En hoe die twee hand in hand gaan. Een echtpaar met twee banen en een lastig zoontje. Er kan geen lachje af tot een Filipijnse dienstbode wat aardigheid in huis brengt. Maar dan. Met de crisis komt armoede en verandering. De man wordt werkloos. De dienstbode moet terug naar de arme Filipijnen maar haar aardigheid blijft achter.

 Zelf sta ik vaak versteld over hoe mensen ondergeschikten of bedienend personeel behandelen. Net als Arnon Grunberg, die als hoogste doel heeft het de ober naar de zin te maken.

 Mijn moeder had dat ook. Haar beste vriendin was de werkster, juffrouw Molewijk, uit Loosduinen. Ze was zeer dik. Kwam ik uit school dan boende ze de traptreden. Nog zie ik de halfhoge kousjes die haar kuiten omspanden. Als juffrouw Molewijk kwam, twee maal 's weeks, maakte mijn moeder tevoren extra schoon.

 Tussen de middag at ze mee, net als de Filippijnse in Singapore, maar bij ons had ze het hoogste woord. Dat kon, mijn vader bleef over. Nog hoor ik haar vertellen hoe ze als ze 's middags alleen thuis was aardappels voor zichzelf kookte, die ze dan heel alleen opat, met jus.

 'Ik vind het zo lekker he..'.

 Zelf weet ik – net als Arnon – nog steeds niet hoe met personeel om te gaan, anders dan excuserend.

Tags: 

Literatuur en waanzin

 Van Ranne Hovius verscheen Vogels van waanzin, Psychiatrie in Nederlandstalige romans en gedichten. Een doortimmerd historisch overzicht. Dat na de beschrijving van een rij rampen en ongelukken, op z'n minst gissingen en lukrake behandelingen in de psychiatrie eindigt met de conclusie dat er geen conclusie is.

 Hoe was het? Een verdachte had een advocaat, een gek stond zonder bijstand tegenover de almachtige psychiater, die gruwelijke therapieën op hem kon loslaten. Van ijsbaden tot castratie. Simon Vestdijk werd van zijn depressies - 'de hel op aarde' - verlost door medicatie, zoals beschreven in de roman De persconferentie (1969). En dat na levenslange succesloze behandelingen met opium, elektroshocks tot slaapkuren. Totdat de arts Willem Brakman hem Tofranil bezorgde.

 De conclusie van Ranne Hovius luidt dat we noch van creativiteit noch van waanzin, noch van het mogelijk verband tussen de twee veel weten. En dat terwijl psychiaters ‑ in de woorden van Jan Arends 'de psychiatrisch gestoorden' - toch steeds weer de alwetende, godgelijke geneesheer uithingen. Met steeds wisselende theorieën en praktijken.

 En nog. De almacht van de behandelaars tegenover wie in de war is blijkt ver van verdwenen. Ze bestempelen, ze schrijven medicam­enten voor en zijn niet aanspreekbaar. Als mantelzorger deed ik nogal onaangename ervaringen op. Ik had me als amateur nergens mee te bemoeien, ook al kende ik het geval beter en ruimde ik de rotzooi op. 

 Hovius beschrijft ook nog de dwaze theorie van Breton en de surrealisten dat iedereen creatief is. En dat er o zo zoveel unieks in ieders onbewuste huist. Mooi is dan de conclusie van schrijfster/patiënte Unica Zörn dat alle wanen op elkaar lijken.

 Ja, manische depressiviteit, manische schrijfdrift - zover men weet hoe dat werkt - levert soms wat op. Iedereen die schrijft weet dat 'losgooien', roes, soms zin heeft, of je het nu met drank doet of met middelen. Maar daarna moet het opgeborrelde wel in gedisciplineerde nuchterheid vorm krijgen.

 Ik ga Een moderne Antonius van Vestdijk herlezen. 

Rotterdams

 Het eigene van Rotterdam vond ik onverwoestbaar terug bij Hans Sleutelaar. En via hem in het werk van Cor Vaandrager. En door Cor weer bij A.Moonen, die placht te zeggen dat hij uit 'Roterodami' kwam. 'Dat staat in mijn paspoort!'

 Het eigene en het drama van Rotterdam en Rotterdammers vind je in de spaarzame regels in Sleutelaars verzameling 'korte en zeer korte gedichten' getiteld Wollt ihr die totale Poesie? Onder het kopje 'Vergetelheid'.

 Dresden is van de vergetelheid gered,

Rotterdam viel onder slopershamers.

Zelfverminking was het. Duivelswerk.

De vuilste was blijft binnenskamers.

 Daar staat het: de ene helft van stad sneuvelde onder het Duitse bombardement, de andere helft onder de sloopkogels van de Rotterdamse stadsvernieuwers. Hun plannen lagen voor de oorlog al klaar. Dresden werd ook gebombardeerd, maar tot vandaag restaureert men daar. Zoniet in Rotterdam. Die kaalslag lijkt wel in de gedichten van Sleutelaar en zijn vriend Vaandrager getrokken. Dichters maken de stad. Lees zijn 'Grafschrift voor C.B.Vaan­drager':

 De dichter, in het stugge woord bedreven,

die zijn gesloten hart nors openstelde,

sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.

De stad bestaat in wat hij haar vertelde.

 Rotterdamse kunst bestaat. Ook Louis Lehmann was een Rotterdammer en niet zo zuinig. Zijn samenvatting van de naoorlogse stad luidde:

 Nieuw Rotterdam.

Als tien volwassen populieren

in een bloempot.

 Wat ik altijd nog zoek, ooit gezien heb, zijn de hoezen met kleurenfoto's van Paul Huf bij platen met feestmuziek voor teenagers, omstreeks 1966 uitgebracht door Phonogram. Daarop zie je een huiskamer vol slingers en dansende jongelui. In twee van de keurig geklede jongens herken je Hans Sleutelaar en Cor Vaandrager. schnabbelend als fotomodel.  

William Hogarth

 De oudste smoes om in een Christelijke cultuur geile plaatjes te kunnen maken en verkopen is de waarschuwing. Liet je als artiest zien hoe het een meisje verging dat na goed verdiend te hebben in de goot belandde dan zat je altijd goed.

 William Hogarth (1697-1764) ontkwam aan alle zedenmeesters als kampioen van de 'moraliserende kunst'. A Harlot's Progress (1731) beschrijft in zes prenten en schilderijen het lot van een boerenmeisje dat in de stad in de prostitutie terecht komt. Te beginnen met de ontmoeting met een hoerenwaardin en eindigend met haar begrafenis ten gevolge van geslachtsziekte.

 Een groot succes. In 1735 gevolgd door de serie A Rake's Progress. Acht prenten die het bandeloze leven van Tom Rakewell in beeld brengen, zoon van en rijke zakenman, die al zijn geld uitgeeft aan luxe, hoeren, gokken. En eindigt in het Bedlam Royal gekkenhuis, waar men zich aan de gekken kon vergapen. Een rake is een losbol, een harlot een slet. 

 In 1951 werd dit het libretto voor de enige opera van Igor Strawinsky, die Hogarth's prenten had gezien. In Teylers Museum hangen ze nu. En nog veel meer, ook politieke.

 Hogarth rakelt in zijn massa scènes Breughel en Jeroen Bosch op, straattaferelen vol liederlijke personages. Tegelijk maakte hij als een der eersten vervolgverhalen in stripvorm, met een kop en een staart.

 In de ontwikkeling van het beeldverhaal verdwenen die massa scènes, al bezondigt Hergé er zich nog een enkele keer aan, zoals in de prachtige volksoploop voor het hek van Molensloot en de autorally in de tuin, in De Zaak Zonnebloem. Maar de strakke verhaallijn won.

Tags: 

Pagina's