Het dode vogeltje

 'Wat is het verschil tussen een dood vogeltje?

Z'n ene pootje is even lang.'

 Onbegrijpelijk. Toch lachte ik. Of lachte ik juist omdat ik het niet begreep? Het grapje raakte aan een uitgestrekt terra incognita in de geest. Als kind wilde ik niets liever dan daarheen. Ik vroeg om meer. Maar er kwam weinig. Je verliest wat, je voetstap, op straat gehoord, kwam het dichtste bij. Al het andere sneuvelde aan begrijpelijkheid.

 Mussen vallen van het dak.Dit is een dode vogeltjes dag. Het dode vogeltje met het ene pootje duikt soms op in beschouwingen van letterkundigen onder 'absurd'. Alsof dat iets verklaart. Associeer het vogeltje ook niet met 'nonsens poëzie', dan doe je het geen recht.

 Het vogeltje bracht me al heel jong in aanraking met het ongewisse. In taal. Je kon het niet aanraken of uitleggen, toch was het er en moest ik er vreselijk om lachen. Zoals Salingers jongetje om 'What did one wall say to the other wall? Meet you at the corner!’.

 Ontsnapping aan de tirannie van het begrijpelijke.

 Vroege pioniers waren Sam en Moos. Sam heeft een T-Ford gekocht en vraagt Moos, die nooit in een auto zat, een eindje mee te rijden. Sidderend doet Moos dat. Hij kijkt doodnerveus naar wat Sam allemaal uithaalt met het stuur en de versnellingspook. Dan doet hij een voorstel:

 'Weet je wat, let jij nou maar op je stuur, dan zal ik wel in de benzine roeren'.

Tags: 

Hoogste zomer

 Is de titel van Co Woudsma's nieuwe dichtbundel. Iets kan de hoogste tijd zijn, hoogzomer bestaat. De tijd wordt stroperig, dat is het woord. Gelui­den verlangzamen. De dingen komen tot stilstand. En vragen aandacht. Zoals bij Co Woudsma 'Het kleedje':

 Het kleedje dat gelukkig lag,

misschien bij mensen thuis,

op het linoleum of een parket,

of op tafel in een kroeg met koekoeksklok,

herinnerde zich zijn oosterse vaderland,

zijn wezenlijke zweven,

en trok de polders in,

vloog laag - een handgeknoopte

hovercraft - over de koude grond,

niet langs palmen - langs lantarenpalen,

niet door bazaars - door winkelcentra,

steeds op een kleine afstand van het leven.

 

Nu drijft het huiverend in een plas.

 

 De trieste afloop van het vliegend tapijt uit de jaren dat Ali Baba, Kalief Haroen Al-Rashid en zijn trouwe vizier Djafaar nog heersten in Duizend en een nacht. Ja, er zijn andere kaliefen gekomen. Maar het kromzwaard bestaat nog.

Tags: 

Griekse mythologie

 Natuurlijk hebben Wolfgang Schäuble en Angela Merkel allebei op het gymnasium gezeten. En de Odyssee in het oudgrieks gelezen. Zodat ze in Varoufakis met zijn motor makkelijk Odysseus konden herkennen. Zodat die daar lange tijd gepast misbruik van kon maken.

 Odysseus, de listige, die overal raad op weet, geholpen door zijn schutsengel Pallas Athene. En jahoor, weer misleidt Odysseus alias Varoufakis de domme cycloop Angela Merkel, die haar ene oog verliest door toedoen van de man die zich 'Niemand' noemt. En klaagt ze tegen haar medecyclopen: 'Niemand' heeft het gedaan.

 Hoor het ze zeggen: 'Na tweeduizend jaar democratie', de 'bakermat van onze bes­chaving.' Griekse politici hebben er de mond van vol.

 In werkelijkheid bestond een soort democratie in de stadsstaat Athene voor welgestelden - niet voor slaven of vrouwen - tussen 508 en 322 voor Christus, met onderbrekingen. Niet onaangevochten. Plato besteedde een groot deel van zijn leven aan het bestrijden van de democratie. En daarna? De Romeinen kwamen, en na de Byzantijnse vorsten waren de Ottomanen er van 1453 tot 1821 de baas.

 Tot er een onafhankelijkheidsoorlog volgde, gesteund door Westerse romantici als Lord Byron. Het Westen zette er Duitse vorsten neer, tenslotte gevolgd door een generaalsbewind.

 Een Balkanland met eeuwen corruptie. De rijke reders - type Onassis ‑ hebben er ng steeds in de wet vastgelegde vrijstelling van belasting, deze linkse regering kon dat niet veranderen. 

 Ook in mijn hoofd zweeft het oude Griekenland van het gymnasium met zijn marmeren beelden, die in werkelijkheid bont beschilderd waren. Het sprookje van archeoloog Heinrich Schliemann die 'Troje terugvond' doemt op, de man die zijn vriendin behing met 'de sieraden van Helena'. Geloof het: Angela Merkel gaf eens les aan een Heinrich Schliemann-gymnasium.

 De Grieken zijn slachtoffer van een romantische fabel die 19de eeuwse Engelse en Duitse geleerden in de wereld hielpen. Ze maakten er een staat van, wat het nooit geweest was. Onze gymnasiale voorouders hebben ons opgezadeld met een sprookje.

 Zoiets kost geld, dat hoor je er voor over te hebben. 

Tags: 

Hans Faverey en de liefde

 Hans Faverey (1933-1990), de dichter, de verdwijnkunstenaar. Zo zie je hem, zo zie je hem niet. Nu weer in dit boek van Jan Oegema.

 Ik dacht aan het eerste gedicht van mijn leven. Dat mij overkwam in de Zutphense straat waar een ouder jon­getje tegen me zei 'Je verliest wat.' Waarna ik om me heen keek op de stoep maar niks zag. En hij schaterend om mijn verbouwereerdheid riep: 'Je voetstap.'

 De gedachte aan verloren voetstap heeft me tot vandaag niet meer verlaten. Ook steek ik geen treinrails over, omdat de trein die zoeven nog onder razende windvlagen wegdenderde in de tijd, er eigenlijk nog is. Zo kom ik bij Hans Faverey en het essay van Jan Oegema dat bruutweg heet 'Hans Faverey en de liefde'.

 Faverey heeft liefdesgedichten gemaakt, maar niet veel. Het lijkt een onmogelijkheid. Hoe kan deze dichter iemand ontmoeten. Tezelfdertijd, tezelfderplaats. Hoe krijgt de ander een plaats in zijn hermetische verschansing?

 Wat Oegema laat zien is hoe het bloed kruipt waar het niet gaan kan. En hoe de dichter zich daardoor juist overtreft.

 In zijn woorden op het omslag: 'Liefde wordt meer en meer een gevaar voor hem, ze kan vormen aannemen die deze vormbewuste dichter doen duizelen, eenvoudig omdat ze hem de controle ontneemt en een gebied binnentrekt waar hij het niet meer alleen voor het zeggen heeft'.

 Wat volgt is het verslag van een capitulatie. Die menig zelfverschanser zal herkennen. En regels, als deze:

 

 Zodra een tafel zich niet langer

innig liefheeft, bezwijkt hij

onder de last van een krant,

 

een brief of van zelfs éen

 

enkele roos. (...) 

De handen van Paulien Oltheten

 Handentaal, voetentaal, daarover gaan merendeels de teksten en foto's van Paulien Oltheten in Museum van Loon. Meteen zwelt bij mij het hand- en voetbewustzijn aan. En zie ik ze ook op straat, overal.

 De wijzende hand, de leunende hand, de steunende, vastgrijpende, of getwee, de ontspannen op de rug ineengevouwen handen.

 De koket het haar opzij strijkende hand, de gehandschoende - er zijn intrigerende combinaties van geschoeide en een ongeschoeide handen. De hand onder de kin. De hand als zonneklep.

 En de verhalen die ze vertellen. Weet de vrouw zich gezien dan strijkt ze door het haar.

 Ongeduld spreekt uit ineengevouwen vuisten. Als handen vrij hebben nemen ze luxe posities in, zoals de los uit de pols langs de heupen strijkende hand van de flaneuse die zich bekeken weet.

 Soms is het - als bij deze afwachtende meneer - of zijn linkerhand in gesprek is met de balustrade, alsof die weet wanneer de bus komt, terwijl zijn rechter, geheven pink, het dragen van plastic zakjes combineert met elegantie. 

En dat is maar een begin. In de rondleiding in boekjesvorm van Paulien Oltheten, die hoort bij Something thrown in the way of the observer, de tentoonstelling in Museum van Loon is het hoofdstukje voeten minstens zo intrigerend. Mannen die elkaar niet kennen, op een rijtje, staande op een richel, waar hun schoenpunten net overheen steken. Wat mag daarvan de reden zijn?

 Eens vroeg ik de filosoof Jan Pieter Guépin naar zijn definitie van cultuur. Hij zei: 'Cultuur, dat is dat mensen elkaar nadoen'.  

Mooie mannen

 Portret van Benito Mussolini, in 1927 in Rome gemaakt door bewonderaar Antoon van Welie (1866-1956). Een voorstudie, pentekening voor een schilderij, is nu te zien op de tentoonstelling 'Mooie mannen' in het Nijmeegse Valkhof. In december 1927 kreeg Van Welie nog een felicitatietelegram van de Duce voor zijn verjaardag. Mussolini was een mooie man. De meeste Italiaanse meisjes waren verliefd op hem, ik sprak in de jaren '70 verscheidene dametjes die toen nog 'Ah de Duce'-kreetjes slaakten.

 Mussolini was ook het eerste staatshoofd dat zich joggend (op het strand) liet fotograferen. Hij deed veel aan sport. Speelde zelfs een partij tennis tegen de Engelse gezant, hoewel hij regels niet bleek te kennen. De bal vloog alle kanten op, tot verbazing van de toegestroomde journalisten. Hoe moest dit eindigen? Na een uur onbegrijpelijk spel verklaarde de umpire 'De Duce he­eft gewonnen'.

 In 1976 maakte ik een radioserie over de Duce, bezocht de keurig onderhouden, drukbezochte familietombe in geboorteplaats Predappio, bij Forli, logeerde in de Villa Giulia aan het Gardameer, waar hij maitresse Clara Petacchi had ondergebracht bij de SS, tijdens de eindjaren van het Salo-bewind. Zelf woonde hij een villa verderop met echtgenote Rachele, die koeien hield op het gazon voor eigen melk, ze was nl. bang vergiftigd te worden en wist als boerin van koeien. 's Avonds ging hij dan met een snelle motorboot naar Clara.

 Mussolini was aan de macht van 1922 tot 1943 en kende veel Weste­rse bewonderaars, oa. Ezra Pound en de jonge Churchill. In Zuid-Europa denkt men anders over macht en politiek, dat wordt weleens vergeten.

 De biografie van Dennis Mac Smith (1981) is onovertroffen.

Tags: 

Griekse kleur

 Erik LIndner vandaag op Lyrikline. De kleur van de zee bij Piraeus. Bij Homerus - herinner je - is de zee altijd 'wijnkleurig'.  Zoals alle kleurbenoeming in het oude Grieks raadselachtig is.

 De zee is paars bij Piraeus.

Een vlag kruipt uit de klokkentoren
als de wind draait.

Een man stapt over een hond.
Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

Op een smalle tak zit een duif 
die erafvalt, fladdert en opnieuw gaat zitten
de bes die te ver op het uiteinde van de twijg hangt
de tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.

Een meisje stapt in de metro met een bureaula.

Op het dikke zand aan de branding
schuift een visser horizontaal zijn hengel uit
een fiets staat naast hem op de standaard.

Hij staat wijdbeens alsof hij plast.
Vogelpootafdrukken in het zand.
De hengel kromt boven de zee.

Tags: 

In dit museum vallen geen doden

 Het Museum Van Loon is vanouds een grachtenpand, geheel in stijl ingericht. Schilderijen van voorouders, kunst, meubilair en snuisterijen opgespaard in de loop der tijd. Wie er binnengaat zet een voet in een onwrikbare Gouden Eeuw. Zo leek het tot Bernke Klein Zandvoort er deze week met haar ploeg binnendrong met de groepstentoonstelling Something thrown into the eye of the observer.

 Kunst van nu verspreid over een verdieping, in dat interieur. En verdomd, het werkt. Opeens slaan tangen op varkens, wordt er gevloekt in de kerk. Of juist een deuntje meegezongen met het verleden.

 Het draait allemaal om de dingen die je gezichtsveld worden binnengesmeten. Oud, nieuw, onverwacht.

 Zoals in de variaties op behang of de houtnerven van de meubels van Batia Suter. Of de geestige video van Luuk Schroder waarin een mannelijke en een vrouwelijke bezoe­ker heel gedresseerd-symmetrisch rondneuzen. Nieuwe rommel temidden van oude rommel, zei iemand.

 Een compliment. Immers, wat doet nieuwe bric á brac met oude bric á brac? Je kijkt met nieuwe ogen naar allebei.  

 De raadselachtige stukjes oranje 'zeep' en witte balken van Rosa Sijben - genaamd 'Zouden zijn zullen' - die strategisch door het klassieke interieur verspreid staan en liggen geven komische effecten. De voorouders kijken er op z'n minst van op. Net als de toeristen vanmiddag.

 Laten ze de titel van de rondleidingen van Paulien Oltheten maar in hun oren knopen: 'In dit museum vallen geen doden'. Haar schitterende boekje met foto's en teksten onder die titel is er te krijgen. Alleen al daarom, op naar Van Loon. 

Willem van Genk en het misverstand

 Eindelijk is werk van Van Genk weer te zien in Nederland. En - de duvel speelt er mee - helaas in een groepsexpositie en erger nog onder de kop 'Outsiderkunst'. Eens gek, altijd gek. Zoals veel kunstenaars was van Genk (1927-2005) niet helemaal goed bij zijn hoofd, wat hem niet belette zeer doordachte, helder gecomponeerde tekeningen, insta­llaties en collages te maken waarin hij zijn leven en obsessies vormgaf. 

 W.F.Hermans, de bewonderaar die in 1964 zijn eerste ten­toonstelling opende zei toen: 'Van Genk is in een web gevan­gen, zoals iedereen, maar hij heeft toch het overzicht over het geheel behouden'.

 Dat Van Genk geplaagd werd door paranoïde angsten en trauma's, dat hij opgenomen is geweest, heeft mede de stof opgeleverd waaruit zijn magistrale werk kon ontstaan. Meer kun je daar niet van zeggen.

 Het Gemeentemuseum moest zich schamen. Van Genk verdient een eigen tentoonstelling en dat woord outsider kan geschrapt.

 Van Genk geeft vorm aan wat ik zelf al levenslang meedraag en deel met schrijvers als Nabokov, het eindeloos naar de trams en treinen staren die de wereld omspannen. Je laten vangen in de wereld van de stations, waar verweg en dichtbij zich betoverend verstrengelen in een soms angstaanjagende zee van reclames en richtingborden. Daarbij geeft hij in treffende citaten vorm aan wat de media alle dagen op hem af stuurden.

 Klassieke muziek was voor hem heel belangrijk, net als Den Haag, waar hij levenslang woonde. Zo associeerde hij de Waldeck Pyrmontkade (tramhalte) met balletmuziek van Tsjaikowski en het Benoordenhout met de Haffner-serenade van Mozart. Leer nu toch eens zien dat dat niet gek is maar geniaal!

 Van Genk heeft Europa rondgereisd, in New York kon hij heel goed de weg vinden. 

Tags: 

Getemde hemel (3)

 In Getemde hemel, het boek waarin Miek Zwamborn neerlegde wat ze in een ruim half jaar verblijf in het Haags Gemeentemuseum aantrof, deze potloodtekening in een schetsboekje van Isaac Israëls. Gefotografeerd met haar eigen hand in handschoen zoals het hoort in depot, naast Isaacs ingepakte voet. En dan deze aantekening:

 'hoe komt een vogelveertje in de leeszaal? 

 op sommige maandagen kijk ik naar hoe men kijkt en wegkijkt, kort kijkt landschappen binnenstapt, zich herkent in het portret van iemand anders die stilzit. Hoe die paar lijnen gezet zijn, het hoofd denkt, al tekenend wordt de omgeving aangeraakt.'

--------

 'De voet van Isaac Israëls. Wat is er gebeurd? T.92-35 8 toont twee voeten in een bed, voeten die onmogelijk van iemand anders kunnen zijn dan van Israëls zelf. De linkervoet, daar is iets mee gebeurd, zit in het gips of verband en is dubbel zo dik. Alleen de rechtervoet draagt een sok. De voeten liggen iets omhoog op een kussen en kijken naar de eigenaar en naar mij. Ik schuif heel even Israëls voeten aan mijn enkels. Gek dat uitzicht, opeens kijk je naar je eigen voeten, die je zo vaak vergeet terwijl ze je overal heenbrengen.

 Komt het door de schetsmatigheid dat ze heel kort op de mijne lijken? Je ziet hoe de verveling zich van hem meester maakt, er is niets meer dan de spijlen van het bed, de deken, de voeten.

 Frappant om te beseffen dat de schetsboeken opgesloten in de doos ooit mee naar buiten zijn geweest, ze het zonlicht zoals dit nu in de leeszaal op hen valt herkennen.' 

Pagina's