Een parkeerseizoen

 Het nieuwe nummer van poezietijdschrift Het Liegend Konijn bevat - uitzonderlijk - een cyclus van elf autogedichten, van Chris Honingh (1951). Auto's, te gewoon om er gedicht­en over te schrij­ven, lijkt het. Terwijl we een groot deel van ons leven in ze doorbrengen. Terwijl we de wereld zo goed kennen van autohoogte. Waarneming door voorruiten, achter- en zijspiegels. Stilstaan in de stad voor een stoplicht, met zicht op de konten, jassen en tassen van passanten die jou niet zien, tot je weer mag. 'Je mag.' zegt je bijrijdster als je verdroomt. De fileblikken op medemenselijke berusting. Hondsrug heet de cyclus, 'een eerbetoon aan Knorrende Beesten van Ferdinand Bordewijk'. En dan dit, Cabriolet Imperial:

 Misstaan Impala's in de straat,

de trotse koplampogen stralen

verder dan savannes, hoogpoot

 

loop toch op het zebrapad, laaf

je aan je gelakte huid, waarop

ruitenwissers fluiten. Banieren

 

braken in de binnenstad en loot

na loot ontwaakt uit een mystiek

soort winterslaap. Bemoei je met

 

je eigen zaken, dit is het uur der

wrake niet. Rijd rustig, rem met

mate, anticipeer op onverlaten,

 

die draaien in het hoge gras om

het onbewaakte ogenblik, houd

vooral je jongen in de gaten, zo

 

zijn ze er, zo zijn ze opgevreten

door casino's vol waanzinnige

proleten of obscene surrogaten.

Nacht

 'En geen cent minder' riep de zeer linkse programmamaker tegen het hoofd radio voor hij de deur van het kantoor hard achter zich dichtsmeet. Natuurlijk had hij gelijk. Mensen als hij hebben altijd gelijk. Aan hem dacht ik als ik Varoufakis en Tsipras bezig zag. Daarom hielden de G­rieken me vannacht uit de slaap.

 Het hoofd radio schudde het hoofd en zei mja. Ik zat naast hem, als chef cultuur, en zuchtte mee. Bazen worden niet aardig gevonden, Merkel krijgt een Hitlersnorretje. Er wordt wel tegen ze opgezien. Er bestaat zoiets als een  baasbehoefte. Bazen zijn er om te haten, te bewonderen.

 Daarom keek ik in alle vroegte hoe ze het er afgebracht hadden met de 'en geen cent minder' van Tsipras.

 De wereld bestaat uit leidinggevenden en degenen die onder hun beleid zuchten, erop kankeren. Behalve programmamaker was ik jarenlang parttime chef van een hele groep ambitieuze programmamakers. Ging over de verdeling van het geld, de zendtijd en de plannen. Een democratisch ingericht bedrijf, waar je snel ontdekte dat democratie betekende 'ik'. Wie lette op het geheel? Dat was de zorg van de chef.

 Nog vraag ik wel eens aan stukjesschrijvers die weten hoe alles moet: 'Was je ooit penningmeester van een voetbalclub? Wethouder?' Besturen trekt geen idealisten meer die vinden 'dat iemand het toch moet doen'.

 En daar kwamen de bestuurders, om negen uur 's ochtends, na 17 uur vergaderen, naar de wachtende journalisten en critici. Wetend dat wat ze te vertellen hadden te ingewikkeld was, dat de mensen compromissen haten. Ze willen ja of nee, dat is 'eerlijk'. En ze verfoeien achterkamertjes, kortom 'de politiek'.

 Ik zag Mark Rutte zijn persconferentie houden en dacht het heeft een haartje gescheeld of daar stond Rita Verdonk. Daarna hield Dijsselbloem in perfect Eengels een speech voor de pers. Knap werk. 

Zomerexpo kriebelt

 Zacht giechelend een museum uitlopen, dat gebeurt niet alle dagen. Vanmiddag liep ik zo de tuin van het Haags Gemeen­temuseum uit, pal langs het 'Collier voor een plataan' van Janine Melai en Den Haag in. De jaarlijkse 'Zomerexpo' met kunst van onbekenden is beter, geestiger, vaardiger dan ooit.

 Alle kunst is ideeënkunst. Zelfs hardline realisten kunnen niet zonder vondst. Dat merk je in het Haags Gemeentemuseum. Het eigene geeft de doorslag. Dat ene waar­door de toes­chouwer meteen denkt 'ja'.

 Een rijke oogst dit jaar, van 277 dingen, uit 3000 inzendingen. In meerderheid schilderkunstig. En natuurlijk zie je sporen. Die van Tjebbe Beekman, Emo Verkerk, Berlinde de Bruyckere, Marlene Dumas, Robert Zandvliet.

 Thema is 'woest'. Nu ja, woest. Maar wat overheerst zijn knipogen, grapjes, kleine grapjes.

 Wat te denken van het wonderlijke mengsel van een gipsafgiet­sel van een gezicht en een filmprojectie van dat zelfde gezicht. Waardoor het gezicht voortdurend verande­rt. Ook omdat de projectie in het gips reflecteert. Onzegbaar. Ga kijken naar 'Restrained' het meesterstuk van Sanne Maes. Of het volkomen chaotische 'poppenhuis zonder poppen' van Mari­ken Tönis opgedragen aan de bewoner, meneer Wallace.

 De inzendingen zijn losjes thematisch geordend rond een klassiek werk. Zo is de omgekeerde rode hond van Baselitz een gids in de dierenzaal. De hond wordt komiek, vooral als hij aan z'n lijn rukt, zoals bij Henrique van Putten. 

 Of het vrouwengezicht dat geheel uit haar bestaat, als een eigentijdse Maria Magdalena van Geertje-Geeske Geertsma. 

 De Zomerexpo onderstreept nogeens wat ik pas riep over ­het museaal verdriet. Want wanneer en waar zijn deze dingen ooit nog te zien behalve hier en nu. In musea? Vergeet het. In galeries? Als er geld in zit. Sommige werken zijn hier al te koop. En verder?

 De zomerexpo heeft door z'n uitgekiende selectie een unieke voortrek­kersfunctie. Maar om met Gerard Reve te spreken: 'Moed­ig voorwaarts. Waarheen?' 

Kellendonk en God

 Tijdschrift Extaze wijdde een nummer aan Frans Kellendonk (1951-1990). Die ik meemaakte als hij af en toe op de radio een nieuw verhaal las. Extaze brengt mooi in kaart hoe hij net als Gerard Reve tobde met het geloof na het geloof. En stelt vast dat voor hem - net als voor Reve - ironie een oplossing was. Ernstige ironie die hij 'oprecht veinzen' noemde.

 Ironie kan voor een post-katholiek levensreddend zijn, je kunt je er in uiterste nood aan vastklampen. Zelf bezocht ik Hervormde zondagscholen en jeugdkerken, mijn grootvader was nog ouderling, maar mijn ouders bleven op zondagochtend in bed. Ik vergat god.

 Toen het water me later eens werkelijk tot de lippen kwam, bedacht ik hem op mijn zeventiende opnieuw. In trance bad ik - bidden kon ik opeens - 'geef mij wat te doen'. Zodat ik later Gerard en Frans wel zo'n beetje kon volgen.

 De geloofsgemeenschap waarin ik daarna terecht kwam was de vrijzinnig  protestantse. Ik heb Gerard Reve verteld hoe ik de kern daarvan leerde kennen: de twijfel.

 Mijn sollicitatie bij de Vrijzinnige Omroep was losjes. Op de laatste vraag na. 'O ja heb je een geloof' vroeg het hoofd radio. 'Goh, dat weet ik eigenlijk niet,' zei ik beduusd. Het klonk hem kennelijk als muziek in de oren.

 'Ah, je twijfelt,' stelde hij vast.

 Mijn opleider Peter Flik demonstreerde het bij een bijeenkomst in de jaarbeurs in 1967, waar door veel dominees werd gesproken. Eentje sprak langdurig over de Twijfel. Het publiek werd onrustig. Peter beende naar de telefooncentrale en weldra klonk uit de geluidsinstallatie de oproep 'telefoon voor de heer Twijfel'.

 Lees Extaze, over de hoofdbrekens van Frans Kellendonk. Met tekeningen van Rens Krikhaar bij scenes uit zijn werk.

Museaal verdriet

 Als bezoeker van de omgekeerde wereld van de musea kom ik overal en weet waar het tegenwoordig om draait. De lift, het invaliden­toilet, de horeca, de winkel met prull­aria, dat eerst. Maar wat is er te zien? Geld voor kunst is er kennelijk nauwelijks meer. En je moet wat, deze zomer. De conservator tobt en piekert. Tentoonstellingen blijven ein­deloos hangen.

 Een nieuw prestigieus gebouw met eten en drinken en leuk voor de kinderen, dat eerst. De kunst kan wachten. En daar weer achter de kunstenaar.

 De conservator verzint een list, een uithangbordje voor zijn zoveelste 'nieuwe blik op de eigen collectie'. Geld voor bruiklenen of uitwisselingen is er niet. Tenzij het blockbusters zijn. Maar dat kunnen alleen grote musea.

 Maar het Amsterdamse Stedelijk doet ijskoud na wat Schiedam al deed met NUL. Internationale tentoonstellingen gaan Nederland voorbij.

 Een handjevol moedige stijfhoofden overleeft met kunst en vlieg­werk. In Schiedam, al moet ook daar water in de wijn, in GEM, in de Amersfoortse Kunsthal Kade, het schitterende De Pont in Tilburg of in Belvedère in Heeren­veen, waar het nog werkelijk om kunst gaat.

 Het Stedelijk Den Bosch verzoop in nieuwbouw en Brab­antse gezelligheid. Jan Cunen in Oss verdwijnt weldra. Breda zwijgt, net als Gouda. Dordrecht gokt op vanouds bekend. De Rotterdamse Kunsthal boog voor Rudolf Steiner. Van de groten durven Boij­mans en het Haags Gemeentemuseum nog wat. Maar nieuw, eigentijds scoort niet, dat is riskant.

 Knechten van twee meesters zijn musea. VVD en PvdA, wat is erger? Het lijkt de publieke omroep wel: 'Van iedereen, voor iedereen'. Social­isten willen club‑ en buurthuiswerk voor ieder­een, liberalen willen scoren. Eendrachtig bezuinigen ze op kunst.

 Tegelijkertijd wordt - onbegrijpelijk ‑ overal driftig gebouwd en verbouwd. Van het gedrochtelijke Amsterdamse Stedelijk tot het Noordbrabants in Den Bosch, Dordrecht, Zwolle, Assen, Gors­sel, Groningen, het Mauritshuis en Leeuwarden. Weldra Arnhem?

 Alom dreigt de nieuwste noodgreep: design. En als je echt niks meer weet: Victor en Rolf. 

Woody Allens All you ever wanted to know.. etc.

 Ik zag hem bij uitkomen, ik denk in 1973. Zondag zal ik hem terugzien. Gespannen afwachten wat er over blijft van de film, van mij. Dit gaat over Everything you always wanted to know about sex but were afraid to ask, de vierde film van Woody Allen. Vanmiddag opent het grootse Allen-retrospectief in het Amster­damse Eye. 

 Waarom deze? Vooral om de slotscène. Seks was in 1973 in Nederland iets waar iedereen flink over deed. Maar in al die flinke hippies waar je nu de foto's van ziet, zaten nog kinderen verborgen, opgegroeid in de jaren '50, zonder een schijn van seksuele voorlichting.

 Ik herinner me dat mijn vader de zoldertrap op kwam stommelen, wat hij nooit deed, en me plechtig een boekje in de hand drukte dat heette 'Stippellijnen voor jongens'. Dat moest ik maar eens lezen. Daarna maakte hij zich razendsnel uit de voeten. Je zocht het maar uit.

 De Woody Allen film is een komische bewerking van net zo'n boekje, van de toen in Amerika beroemde Dr. David Rueben.

 Het slot laat Woody zich afspelen binnenin het menselijk lichaam, waar duizenden figuurtjes de vitale menselijke functies laten werken. Een erectie kost takelwerk van talrijke arbeidskrachten. En de commando's 'van boven' zijn niet altijd duidelijk.

 Allen zelf is een spermatozoe, die samen met zijn huiverende kameraadjes afwacht wanneer het sein van afvuren eindelijk gegeven zal worden.

 'What if he's only masturbating? I'll end up on the ceiling somewhere!'

 Dit is wat ik me herinner. Het als toeschouwer voelbaar in jezelf kruipen. Met daarbij niet alleen de slappe lach, maar ook een ontzaglijke opluchting. Zondag verder.

Tags: 

De romantiek van het korte lontje

 Al eerder kwam ik er achter hoe ze in Frankrijk de problemen van de banlieu en de agressieve, onopvoedbare jeugd oplossen. Met film. Maak Catherine Deneuve jeugdrechter, zoals Emmanuelle Bercot doet in La tête haute, laat zo'n ontspoord, onhanteerbaar rotjoch aan haar over en alles komt goed.

 Van jongsaf slaat hij de boel kort en klein, steelt auto's bij de vleet en geeft iedereen een grote bek, onderwijs wil ie niet, hij wil niks, maar het hulpverlenend geduld raakt niet op.

 Een leger hulpverleners, vooral vrouwen, die hij handig bespeelt, blijft het proberen. Hij terroriseert zijn zwakbegaafde moeder. Is een gevaar voor zichzelf en anderen, met z'n korte lontje. Je zou denken een forse ADHD-medicatie en een streng regime, maar nee.

 Pas als hij zijn broertje en zijn vriendin bijna om zeep helpt tij­dens een joyriding waarbij de wagen drie keer omrolt - ze komen er vreemd genoeg met wat pleisters vanaf - raakt hij in het gevang. Maar ook daar loopt het, weer dankzij Catherine,  goed af. Hij krijgt zelfs een kind van de vriendin die hij zwanger maakte en zelfs een baan in een houtfabriek, waar hij nota bene een hoogwerker mag bedienen. Hoogst on­waarschijnlijk met zo'n verleden.

 Piekfijn gemaakt, deze film, maar totaal ongeloofwaardig. En dan die vreemde titel. Kop omhoog? Hoezo? Tot zover de Franse inzending voor Cannes. Zelfs de kus en omhelzing van rechter Catherine en haar petekind blijven ons op 't slot niet bespaard. Ik werd er 'n beetje beroerd van.

Buitenland

 De tijd dat het buitenland het buitenland nog was. En files langer dan ze ooit nog zouden worden. Je bereikte het buitenland langs lange grensplaat­sen naar België en Frankrijk, met douanestations tussen de cafés. Vrachtwag­ens moesten er hun papieren brengen. Behalve die onder TIR – Transport International Reglementé – reden en een loodje op hun lading hadden.

 De wereld, instappen en overal heen kunnen. Het land in, de berg op. Waar dan ook rechtsaf slaan en je auto ergens neerpoten.

 Nog kan ik de vijf routes naar Parijs dromen, Welke was erger? Compiègne, Senlis, Meaux? Maar eerst België, het gevreesde Mons.

 Ik moest en zou mijn rijbewijs halen. Maar na drie keer zakken reed de zeer Haagse rijschoolhouder van de Turfma­rkt ons zwijgend naar Kijkduin. Hartje winter, sneeuw tussen het helmgras. We zagen uit over het lege strand, de zee. Naast ons hield een grote Russische wagen stil met een CD-kenteken. Er stapten drie mannen met bontmutsen uit, die l­angdurig overleg­den. De rijschoolhouder maakte er geen woord aan vuil.

 Hij zei 'drie keer gezakt. Weet u wat het met u is meneer, u bent een zenuwelijder.'

 Dat er iets met me niet in orde was had ik gemerkt, maar hij was de eerste in mijn leven die er de vinger op legde. Hij verzon een list. Bij mijn volgende afrijden in Rijswijk zouden we het uur tevoren achter de voorgaande kandidaat aanrijden.

 'Die examinator rijdt altijd het zelfde rondje.' Maar het ging het anders dan verwacht. Waar ik de witte examen-Opel een uurtje eerder rechtdoor had zien rijden zei de examinator nu: 'Tweede gelegenheid links.' En ik reed rechtdoor.  

 Maar als je me nu vraagt wat ik het liefste doe zeg ik 'Een eind autorijden, zomaar, nergens speciaal naartoe.' 

Frankfurter Kreuz

 De eerste schrijver die ik ooit in levenden lijve zag was een Zwitser. Ik was elf. Het gezin zou een week logeren in zijn eeuwenoude chalet in het dorp Heligenschwendi, hoog boven Thun. Je zag er uit op het Berner Oberland. Zijn jongste boek - hij had het aan mijn vader - kennis, leraar Duits ‑ opgestuurd, ging over autorijden en heette Mit dem auto auf Du. Wat werd me uitgelegd betekende 'Met de auto op stap'. Luchtige taal voor een ernstige onderneming.

 Mijn vader zou met zijn tweedehands Renault Dauphine en het gezin naar Zwitserland rijden. Eerste buitenlandse reis.

 Wat de auto toen in gezinnen teweeg heeft gebracht is niet meer voorstelbaar. Mijn vader heeft nooit meer gefietst. Dat was voor sukkels. Avonden werd over de reis gesproken. De haarspeldbocht, de kokende motor, de grüne Versicherungskarte.

 De heenweg. Ik las kaart. Van een Duitse kennis had hij gehoord over een dreigende noviteit op de gevreesde Autobahn: het Frankfurter Kreuz, het buitenmodel klaverblad. Voorbij Marburg steeg de spanning. Waar was het Frankf­urter Kreuz? In de verte dook een knooppunt op met een viaduct.

'Het Frankfurter Kreuz' riep mijn vader. Ik keek op de kaart en zei: 'Ik denk dat dit het Wiesbadener Kreuz is'. Maar hij leek in hoger sferen. 'Het Frankfurter Kreuz! Het Frankurter Kreuz!'

 'We sloegen rechtsaf. En kwamen in Wiesbaden. Moesten keren en de Autobahn weer terugvinden. Daar volgde inderdaad het Frankfurter Kreuz. We sloegen recht­saf richting Basel langs gloednieuwe waarschuwingsborden: 'Falsch gefahren?'

 En nu waren we voorbij Thun. De nurkse Heimann coachte mijn vader. In tergend langzaam Zwitsers dicteerde hij de onwetende Hollander: 'Zurückschalten..'

 'Nochmal zurück schalten im Zweiten. Auf dem Motor bremsen..'

 's Avonds zong hij Zwitserse liederen met banjo begeleiding. Niet mooi. Daarna verdween hij naar Bern. Een week leefden we in angst dat het chalet in brand zou vliegen, omdat mijn vader rookte, wat Heimann verboden had. Vanuit de hooischuur schilderde ik met mijn eerste olieverfdoos het Berner Oberland. Erg lelijk.

 De laatste drie dagen werden door mijn moeder besteed aan schoonmaken. Zwitsers zijn pijnlijk netjes. De terugweg was wonderlijk kort. 'Ha, het Frankfurter Kreuz.'

Kermis poëzie

 Rozen zo rood, rozen bij rozijnen

 De kermis van mijn leven, in Eerbeek op de Veluwe. Op de wei waar gewoonlijk de stier stond, die maar zelden op een koe gehes­en werd. Er stonden palen waaraan in de hoogte luidsprekers hingen, die de hele dag schlagers schalden. Niet dat ik deze woorden toen kende. Eentje keerde steeds terug, onweerstaanbaar, zodat ik hem nu nog weet:

 Rozen zo rood, rozen bij rozijnen..

 Veel later ontdekte ik dat het 'rozen bij dozijnen' was geweest. En pas nu vond ik de volledige tekst van Max van Praag. Een dwaze collage van zinnetjes uit de lief­desliedjes van die tijd, waarmee hij elke dag in ernst optrad. Het werd Dada-poëzie. Zou iemand dat ooit gemerkt hebben?

 Rozen zo rood, rozen bij dozijnen

Talken van liefde, la flibe l'amour

Always en eeuwig, altijd

En toujour

 

 Er was eens een meisje van negentien jaar

Ze hield van de liefde en deed nogal

Aardig wanneer ze een man zag op straat

En voegde bij woorden direct maar

Gedachten, in perken van eer en fatsoen

Ze bloosde bedeesd bij een zalige

Ruiker van rozen, uit eeuwige trouw

Na het zeer tijd'lijke: ik hou van

 

 Rozen zo rood, rozen bij dozijnen

Talken van liefde, la flibe l'amour

Always en eeuwig, altijd

En toujour

 

 Ons meisje ging toen met een heer naar een bal

Ze dronk veel champagne en liep in de

Regen naar huis in een wilde galop

En kwam van de regen alras in de

Kerk, waar zij huwde met veel pracht en praal

Maar zie, na een wijle ging hij aan de

Slag en met drank zocht hij elders z'n troost

Triest bleef zij achter, alleen met haar

 

 Rozen zo rood, rozen bij dozijnen (etc.)

Pagina's