De terugkeer van Raskolnikov

 Waarom vermoordt een student de willekeurige, onaangename winkelier bij wie hij dagelijks brood koopt. Hij woont in Kazakstan, in Almaty. Waar huizen, deuren, bedden en autobussen je eigenlijk al het hele verhaal vertellen.

 De student is zowat een omgekeerde Raskolnikov. Een autist die met zijn armen langs zijn lichaam loopt, ze niet meebeweegt met zijn passen, wat hem een robotachtig voorkomen geeft. Waaraan ook zijn bril mee meewerkt. Dat is waar de film werkelijk over gaat. Een jongeman die geen contact krijgt met de wereld om hem heen.

 Wie is hij? In gesprekken met zijn enige vriend gaat het over de slechtheid van de wereld. Zou dat het zijn? Regisseur Omirbayev laat er genoeg van zien. Een ezel die de slee van een rijke niet uit de prut kan trekken wordt door die rijke met een golfclub doodgeslagen. Het recht van de sterkste heerst alom. In de dierenwereld op tv verscheuren leeuwen een giraffe.

 Wat kan een arme student? Het minste is een wapen kopen. Een daad stellen. Iemand zijn. 

 Tussenbeide schieten je Amerikaanse college-moordenaars te binnen.

 Zijn moord blijkt een manier om terug te keren in de wereld. En dat lukt. Het meisje komt hem opzoeken in de gevangenis.

 Een misschien cynisch, maar heel logisch happy end. Nog omlijst met - werkelijk goede, lyrische - gedichten over de komst van de lente in een besneeuwd Almaty. 

Tags: 

De dood van Nederland

 ‘Dood werk’ heet de tweede bundel van Maarten van der Graaff. Zijn inzet komt snel: 'Het is een feit dat ik op het platteland dood / werd geboren en daarna nogmaals, stedelijk, / dood geboren ben.'

 Niettemin zijn er gedichten. Eerst in de vorm van lijsten. Na een Lijst van feiten is er een Lijst van mensen op de koude steen - bekend van Christus' lijdensweg, die er op weg naar zijn kruisiging even op mag uitrusten. Vanaf de koude steen praten Maarten van der Graaf en zijn vrienden tegen ons.

 Dan volgt al vlug een Lijst van dingen waar ik van hou. Hij houdt ervan aan de hongerkunstenaar te denken. De artiest bij Kafka die zijn vak zo goed verstaat dat hij in het achterste hok van het reizend circus belandt. Immers, wie kijkt er om naar een hongerkunstenaar, al is hij de beste ooit?

 Zo schrijft Maarten van der Graaff zijn niet-gedichten: Mijn vrijheid leg ik weg en de foto's / die ik van mijn vrijheid nam

 En dan, in een Lijst met bedekkingen, volgt: Nederland, ik schrijf dit niet zomaar, / ik zoek naar je dood en gemeenschap. / Ik zoek naar je waarheid en haat

 Ik kan hem geen ongelijk geven, Nederland is morsdood. Bekijk de televisie, sla een krant op, geen speld tussen te krijgen. Wat doet een dichter daar nog? Het tweede deel van de bundel heeft een unieke vorm: 'Geklokte gedichten'. Regels per tijdstip. En bewoners. Zo treffen we om 13:09

 een verzameling tijdridders rond een tafel / die nooit echt rond kan zijn.

En dan is het:

 13:13 mensen die seks hebben bereiden zich erop voor. / Mensen die een rijexamen afleggen, / bereiden zich hierop voor. / Mensen die een taartrecept uitproberen, / of een congres organiseren, / bereiden zich terdege voor. / Dat is de schoonheid van dit land.

Zomerdag

Op de laatste dag van de zomer sprak een Belgische psychiater en filosoof langdurig op de televisie. Vooral over vrijheid en angst. Natuurlijk zijn er psychiatrische dwangstoornissen. Tegelijk is vrijheid sinds de Franse revolutie het meest misbruikte woord, in naam waarvan veel kwaad is gedaan. Van Robespierre tot Geert Wilders. Wiens vrijheid? Waartoe? Wat angst kan zijn weet ik een beetje. Maar de Belg vertoonde geen fragmenten van Maarten Biesheuvel of Jan Arends, de man van:

 Ik

schrijf gedichten

als dunne bomen

 

Toen de psychiater me te veel werd las ik verder in Jan Arends’ Lunchpauzegedichten, uit 1974:

 De zomer

kan ik

zijn gezicht

afrukken.

 

Ik

kan het stomme

praten

van de bladeren

tot zwijgen brengen.

 (…)

 

En het altijddurende:

  Mijn dag verstrijkt

in regelmaat van schande.

Ik ben een arme man

en alle leven doet mij zeer.

Tags: 

Breitner en Geesje Kwak

 In het Haags Gemeentemuseum is een kleine tentoonstelling van schilderijen gemaakt naar foto's. Vast vanwege de aanstoot die genomen werd aan hoe Marlene Dumas openlijk zei ze te gebruiken. Nog steeds 'not done'.

 Terwijl er maar één vraag is: 'Hoe?' George Hendrik Breitner moet behalve schilder en fotograaf ook een begaafd casting director en regisseur geweest zijn. Zo iemand die de camera en het palet de kamer uit kan praten door zich volledig te concentreren op een actrice. In zijn geval Geesje Kwak. Ze werkten maar twee jaar samen. Ik zou wat geven voor een filmpje waarop je de twee in de weer zag. Zijn aanwijzingen, haar manier van daarmee om te gaan. 

 Geesje Kwak kon wat bijna niemand kan als er een camera in de buurt komt en de fotograaf zegt 'kijk eens gewoon'.

 Bij Breitner en hoedenverkoopster Geesje (1877-1899, gestorven in Zuid-Afrika) lijkt het of er geen camera is. Ook als er later een schilderij van komt blijft haar naturel bewaard. Ik weet niet of hij haar dan weer liet komen. Er bestaat een boekje met de sessies en wat hij haar betaalde.

 Foto en schilderij raakten elkaar eerder in de 19de eeuw al in het 'afsnijden' van figuren of interieurs, inplaats van alles binnen het klassieke vlak af te beelden. Breitner schaamde zich misschien dat ie niet als z'n vriend Isaac Israëls zo op het oog kon schetsen en schilderen. En verborg dat.

 Maar zijn methode maakte van hem allereerst een regisseur - en decorontwerper ‑ van een actrice. Wel zie je dan de verschillen tussen foto en schilderij - hij maakte haar jonger, languissanter - de Vuillard en Vallotton-achtige tapijten, het behang en de kimono's.

 Wat Marlene Dumas doet is veel simpeler. Een kranten‑ of nieuwsfoto dramatiseren. Gebruikt ze zelf een camera? Ik dacht van niet, ze kiest een foto uit haar archief. Waarmee ze het halve werk aan anderen overlaat.  

Tags: 

Uitmarkt: kunst en snoep

 Snoep of kunst? Als je het aan de mannelijke bezoekers van de Uitmarkt overlaat is de keus niet moeilijk. Vooral mannen, zag ik, wenden eerst belangstelling voor, voor het mooie kunsttijdschrift – nu over Munch en Van Gogh - maar doen dan een besmuikte greep in de bak met Engelse drop, jujubes en tumtum naast de stapels Kunstschrift.

 De meeste mannen zonderen zich af en wachten kauwend tot hun vrouw een nummer heeft aangeschaft. Temminste zo ging het vorig jaar. Vanmiddag mag ik weer helpen in het kraampje, ditmaal in de Hobbemastraat.

 Winkeltje spelen is het. Zoals kinderen bekertjes limonade verkopen op Koningsdag. Met een geldkistje, groen van buiten, rood van binnen.

 En, als je regelmatig wat schrijft voor Kunstschrift, een unieke kans oog in oog te staan met je lezers. Want die komen ook langs. En praten graag over hun blad, waar ze al jarenlang ‘lid’ van zijn. Ongesubsidieerd mevrouw, nooit een cent aan de overheid gevraagd.

 Ik dacht aan wat Remco Campert eens vertelde over het autoritje dat Rudy Kousbroek – net uit Parijs naar het vaderland teruggekeerd – en hij op een zondag maakten door Noord-Holland. ’Kijk Rudy,’ zei de oude vriend pesterig, wijzend op een rijtje nieuwbouw, ’daar wonen nu je lezers.’

 Kousbroek zweeg bedremmeld.

 Franse filosofen, die altijd binnen zitten, beweren wel dat de moderne mens geen verschil meer ziet tussen media en de ’echte’ werkelijkheid. Franse filosofen lusten geen Engelse drop.

Brakmans ridder

 'k Herlees Willem Brakman, onderzoek zijn unieke wendingen, en ben aangeland in het jaar 1995, in Een voortreffelijke ridder, waarin hij als Don Quichote door Den Haag en Duindorp rondgaat. Af en toe moet hij zijn paard aan een lantaarnpaal vastbinden en zijn lans in een hoek zetten. Hier zit hij in een café aan de Ieplaan. En praat:

 'In wezen ben ik een zwijger,' zei de Don, 'mijn praten is een vermomming. Luisteren zou mij liever zijn, maar ik moet altijd hard werken voor de woorden komen die ik zo graag wil horen. Mijn groot verlangen is, dat men zo tot mij zou spreken dat ik zou kunnen zwijgen.'

 En dan beschrijft hij een echtpaar aan de afwas, zoals die zich voltrekt in de nabijgelegen Cederstraat. Aan de vaat staan de aanbedene van Don Quichote, mevrouw Haase en haar echtgenoot een robuuste slager.

 'Maar weinigen weten van de geheime krachten van de afwas, het is iets in het schuim, het draaien en aaien van de kwast en de antifoon van de hulp bij het afdrogen. Hier helpt geen moederlief, en ik ben gedwongen om te zien alsof het me werd gedicteerd. Ik ken deze slager, zijn voorliefde voor vaseline op oogleden, mascara, eyeliner, en ken ook zijn deuntjes, gefloten over gouden ondertanden tussen bungelende halve beesten. Het zijn de jongens van de fijne vleeswaren.'

 'Zo is het wel goed' zegt de toehoorster van de Don in het café. En kijkt 'met een smal mondje' in de richting van het Valkenboschplein 'waar het wemelt van de passanten, van vrije, onbezorgde mensen.'

 Don Quichote in Duindorp of langs het Verversingskanaal. Het blijkt heel goed te kunnen, al wordt hij af en toe door een overijverige politieagent bekeurd. 

Tags: 

Den Haag en het verdwijnen

 Vandaag Miek Zwamborn rondgeleid door de stad waar zij een halfjaar verbleef in het Gemeentemuseum, een tentoonstelling maakte en het boek Getemde hemel. Maar waar ze niet veel wist. Het miezerde, de hele dag.

 Kijken naar wat weg is en altijd blijft. Zoals het huisje bij het eindpunt van lijn 2, hoek Muurbloemweg, waar de tramconducteurs hun boterham aten. Straks doen ze hun uniformjasjes en gorden hun geldwisselapparaten weer om, waaruit zo makkelijk stuivers, kwartjes en dubbeltjes rollen. En dan op naar de Riviervismarkt.

 Vandaag kijk ik naar Metropole Tuschinsky, het Houtrustpaviljoen, het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen en de MILVA-kazerne aan de Duinlaan, waar nooit meer een mevrouw-generaal naar buiten zal komen fietsen met bruine kousen en schoenen.

 Vreemder wordt dan wat er nog is. De Sportlaan, het Markenseplein, de Bevelandsestraat, de Frankenslag. Wat kan Den Haag stil zijn.

 Bij het huis van mijn grootouders is het oude zwartwitte huisnummer vervangen door een nieuw in blauw met witte cijfers. Als ik na zesenvijftig jaar door de brievenbus kijk is de vestibuledeur met het klikklak scharnier er nog. Voorgoed verdwenen: gangkastje met de twee zwarte hondjes die kleerborstels in de bek houden, weg ook de paraplubak. En alles zo wit geschilderd! Waar bleef het halfduister..

 Beter echt weg dan onherkenbaar.

 We besloten onze rondrit op de renbaan Duindigt, waar niemand was. Behalve twee paarden, maar die wisten het ook niet. Geruststellend, het regende of miezerde de hele dag. De ruitenwissers bleven wissen. 

Tags: 

Hinke Schreuders

 Vanmiddag op bezoek bij Hinke Schreuders, die haar tentoonstelling 'Struisveren' bij de Haagse galerie Heden voorbereidt. Hinke vertelt verhalen met naald en draad, waarmee ze letters zet, en foto's bewerkt, maar nu zie ik ook sieraden komen. En veren! Kwast en palet blijven uit zicht. De zwarte stoel is vilt.

 Meteen keerde ik in gedachten terug naar de 'verenkamer' van de potente keurvorst August der Starke op slot Moritzburg, waar hij bezoekers en -sters ontving in een geheel uit veren bestaand interieur en bed.

 En daarna naar Karel de Stoute, die zijn wandtapijten in kokers meenam naar het slagveld, waar ze in zijn tent hingen. Rubens maakte nog schilderijen als ontwerp voor het eindproduct tapijt. Zoals eerder dat van Bayeux of de hoer van Babylon in Angers, werk van legioenen borduursters. En Bisschoppen droegen Maria Magdalena op hun buik, zoals ik pas nog in het Catharijne Convent zag. Kazuifels, tapijten. Het ging om de vingertoppen.

 's Winters was het koud in de zalen van kastelen, maar ze werden behangen met tapijten waarop nimfen in het gras in de zon lagen. Zo werd winter zomer en buiten binnen. Een omgekeerde wereld waarin kunst van met parels en edelstenen bezette stoffen en sieraden duurder en belangrijker was dan schilderijen.

 Maar de tapijten versleten, en de parels en edelstenen werden er af geroofd zodat de toen 'goedkope' schilderijen overbleven.

 Daarom is het zo bijzonder om terug te keren naar naald en draad en daarmee verhalen te vertellen. Inclusief de vele 'losse eindjes'. Ik mag Hinke's tentoonstelling openen op zaterdag 5 september. Dan meer. 

Geld

 De echt moeilijke dingen daar heb ik iemand voor. Voor de computers zijn dat Marcel en Herman. Voor het geld is er Paul.

 Computerstoringen tasten me lijflijk aan. Ik ben maar een half mens meer. Toen mijn back-up weigerde deed ik nogeens en noge­ens wat ze altijd zeggen: alles eraf en alles er weer aan. En opeens had ik weer een geheugen. Immense opluchting. En kon de vraag niet voor me houden: 'Hoe kon dat nou Marcel.' Het klassieke antwoord in PC‑land kwam: 'Dat zullen we nooit weten.'

 In de autotijd konden Roel en Karel me nog haarfijn vertellen waarom hij niet startte. Nu komen we niet verder dan 'twee programma's die niet met elkaar willen prate­n.' En van Marcel de uitleg van Internet als een van oorsprong Amerikaans militair systeem waar in de loop der tijd almaar meer 'aan gehangen' is. Een monster van Frankenstein. 'Dat gaat een keer goed mis.' 

 Nu de ochtendkrant. En de vraag hoe vaak je kunt zeggen dat je iets niet begrijpt. Meer aandelen adviseerde de bank nog maar kort geleden in een rondschrijven, wijzend op de winsten. Ik bleef bij mijn 'behoudend profiel'. En China vroeg ik? 'Zou kunnen,' zei Paul. 'Of niet natuurlijk.' 

 Gisteren zag ik de - vaak met geleend geld - beleggende Chinese mevrouwtjes weer, die nog moeten leren: 'In het verleden behaalde resultaten geven geen garantie voor de toekomst.' 

 Mijn vader ging naar de borstelwenkbrauwen van de Twentse Bank op de Laan van Meerdervoort, naast de sigarenwinkel. Uit school gekomen trof ik hem aan, de beurspagina op schoot, diep in de put: 'Je vader is vandaag dertigduizend gulden armer geworden.' 

Eet

 De eetziekte woedt. Niets gaat meer zonder eten. Arnon Grunberg vertelde dat bij alle literaire congressen die hij wereldwijd bijwoont de deelnemers gelaten de lezingen en workshops uitzitten in afwachting van de maaltijd. Want daar gaat het eigenlijk om. Zelf schrijft hij ook aanhoudend over lunchen en dineren met deze of gene van belang.

 Eten, een vieze gewoonte, zoals Gerard Reve meende. Die vond dat het achter een jute gordijn moest gebeuren, zodat anderen het niet hoefden zien. Maar onder mijn raam gaat nu niemand meer voorbij zonder in de ene hand het telefoontje, en in de andere iets afhapbaars.

 In de bladen en op tv rukt het ook almaar op. Je hebt net gegeten en gerechten vliegen alweer over het scherm. Kookrubrieken, koks overal. Geen interview zonder afdruk van de rekening. 

 Heel de stad ruikt naar ‘warm eten’.  Zoals vroeger hooguit tegen zessen. Hebben de mensen meer honger? Ja, dikker zijn ze. Zou het eten in de plaats van iets gekomen zijn? 

 Zelf eet ik weinig, vergroeid met een eetverleden van aardappels, groente en jus. Mijn moeder kon niet koken. Eens at ik bij een vriendje wiens moeder de lof in ham rolde en er kaassaus bij maakte. Ongehoord. Ik durfde het thuis niet te vertellen. De mijne wist niet anders dan het traditionele paneermeel over de lof.

 Mijn vader keerde terug uit Indië met een kist vol specerijen verpakt in ronde sigarettenblikjes. Nog tien jaar later staarde mijn moeder in wanhoop naar de foelie. Nootmuskaat raakte maar niet op. En de rijst klonterde. Eten, een dagelijks weerkerende bezoeking. En zo bezie ik het nog. 

Tags: 

Pagina's