Markus Schinwald

Hier in Leuven, in het museum M overrompeld door het werk van de Oostenrijker Markus Schinwald 1973. Alles beweegt, zij het traag. Zelfs wanden waar zijn schilderijen aan hangen draaien tergend langzaam op de bovenste verdieping, hoog boven de stad..

 Van een groepje poppen van kinderen met pijngezichten heeft elk een zenuwtrek. 

 Wat heeft een man die zijn te grote broek probeert op te hijsen te maken met een aan een touw opgehesen vrouw op pumps? Met aquariumvissen? Het een op film, het ander in water. Ongrijpbare multi-media grappen.

 Nu, schrijvend kan ik mijn ingehouden giechels van vanmiddag niet uitleggen. En dat is de verdienste van Schinwald. Noem het surrealisme, absurdisme, haal Beckett en David Lynch erbij en je bent nog nergens. Grapjes uitleggen, dat is wat ik hier probeer. En dan is grapje het verkeerde woord.

 Een groot plezier was het vanmiddag ook de toeschouwers gade te slaan, hun peinzende kinderen, de erg mooie, ingekeerde museummeisjes die in M ronddoolden. Schinwald betovert ze. Paaldanseressen van brons hangen boven klassieke schilderijfragmenten. En werpen hun schaduwen.. Ga kijken.

Werkdroger

 Gisteren kwam het zover. Niet dat ik 'een wit houten bord op een paal' heb waargenomen met het opschrift 'WERKDROGER 11, of een tekst van gelijke strekking', maar toch.

 Dit zijn geschikte dagen om de Brief uit Amsterdam van Gerard Reve te herlezen, uit Op weg naar het einde (1963). De brief is gedateerd 2 december 1962, middenin de ijswinter die ik me goed herinner. Gerard keerde, vertelt hij, eerder eens op een ochtend met zijn HMW-brommer terug van het huis van mevrouw Oofi in Blaricum en trof het bord nabij de rijksweg.

 Werkdroger is de eigenaardige naam van een laantje met villa's in de gemeente Laren. Een wit houten bord vond ik dus niet. Het huisnummer 11 evenmin. Na een onder bomen ver­scholen landhuis met het nummer 9 houdt Werkdroger op. Gerard heeft daar een haas of konijn gevonden, met een ingedeukte schedel, kennelijk geraakt door een auto:

 'Ik bind het pluimveelijkje op mijn bagager­ek, en zwenk tevreden de rijksweg op, dankbaar overwegend hoeveel Fraaie Voorwerpen ik in mijn leven al gevonden heb, vooral op vuilnisbakken, en nog steeds, op zijn minst wekelijks, vind: paraplu's; vingerplanten; eetkamerporselein; een drietal ingelijste litho's voorstellende respectievelijk Het net wordt uitgeworpen, Volle manden, en Een Gebed van Dank; een Engelse sleutel; en doos met 288 plastic dameshakjes; vogelkooien van velerlei soort en grootte; een werkbroek van oersterke, stellig buitenlandse stof, waarin slechts de gulpritssluiting behoeft te worden vervangen; een tijdloze - want uit plastic hulst en bessen vervaardigde - kerstkrans; antieke spiegellijsten; glazen, geslepen inktpotten olielampen; Keulse Potten; een achter bol glas ingelijste, gekruisigde Verlosser; diverse mandflessen; een gemakkelijk te repareren stoommachine; zes irrigators; een citer; stroken wit marmer; broekriemen; speelgoedpakhuizen; een onbeschadigde caleidoscoop; een prachtige weekendtas met geen ander gebrek dan een losgeraakte hengsel; een koperen carbidlantaarn. Maar na de vondst van deze morgen mag ik vandaag niets meer verwachten, zeker niet op de grafzerk van Bussum naar Amsterdam.'   

Tags: 

Anton Valens schildert

 De schrijver van Het boek ont, Vis en Meester van de hygiene schildert weer. Op reis door Latijns-Amerika verdiepte hij zich in de pre-Colombiaanse, Peruviaanse en Mexicaanse beeldtaal.

 In het Rosa Spierhuis in Laren zag ik vanmiddag wat er van kwam. plaatselijke Indiaanse en katholieke elementen mengen zich met zijn Hollandse verbazing en gevoel voor humor.

 Hij schilderde onder meer op bladen van oude atlassen. Ook de vele blinde muren waarop daarginds politieke leuzen en reclame gekalkt worden zie je terug, de doorschemerende lagen, en kleuren. En het tropisch regenwoud, de vegetatie, de noten zaden en vruchten. 

 Hierbij twee prenten. Zijn 'Mexicaanse atlas', geschilderd op oude kaarten van Groningen (waar Anton woonde), Friesland en Overijssel, waarop een smartelijke gevangenis scene. Ik raad de smekende vriendin van een gedetineerde die de veelarmige godheid van het gevangeniswezen om genade smeekt. Je ziet de vele gevangenen achter hun tralies. De torens op de achtergrond ken ik niet. 

 Wat de prent 'Legende' van de verliefde vrouw die opgesloten lijkt in een dierenkop behelst, weet ik niet. Er vliegt veelbetekenend een vogel boven haar hoofd. Een ontsnapte ziel? 

 Dieren eten op verscheidene prenten mens, zoals fabeldieren dat doen. Zoals ook goden in mensen huizen, of omgekeerd.  Ik vermoed dat Anton Valens in deze omgeving eigen mythen en legenden verzon.   

 

 

 

 

 

Tags: 

Het dagboek van Wolfgang Herrndorf

 Het zou beledigend zijn te zeggen dat dit mijn boek van het jaar 2014 is. Lijstjes doen boeken te kort, dit helemaal. 'Leven met het pistool op tafel', het Berlijns dagboek van Wolf­gang Herrndorf (vertaald bij Cossee) ontstijgt lijstjes.

 Een boek dat boeken te boven gaat. Ik heb een half jaar geleefd met de ten dode opgeschreven schrijver. Dat kon ook omdat ik wat ervaring heb met de ziekte waar hij aan stierf, 48 jaar oud. K.Mic­hel bekende me dat hij het af en toe had moeten wegle­ggen. Van­daag heb ik de kroniek van zijn aangekondigde dood ten einde kunnen lezen.

 Op 26 augustus 2013 gebruikt hij dat pistool ook. Aan het Hohenzollern-kanaal. Dit is een boek vol kanalen. Het verscheen eerst als weblog. Een mirakel. Levender, levendiger, geestrijker kun je niet schrijven. Zo schrijf je als alles op het spel staat. Ik vertaal zelf maar, mijn vader was leraar Duits, net als mijn grootvader.

 Hoe leg je je als 'nihilist' neer bij je eigen dood? Het dagboek eindigt met nog wat teruggevonden losse aantekeningen, waaruit:

 'Toch is mijn zekerheid, al niet bestaand of dood te zijn, niet volledig. Af en toe, meestal in de natuur, overvalt me tot mijn verbazing op veel momenten het verwarrende gevoel er nog te zijn. Deze bomen, deze boom, de weg, de brug: Dit is er toch allemaal nog, op deze momenten wankelt mijn nihilisme ook, een lichte duizeling, een zweefmolen op de kermis, nooit lang, een zenuwslopende duizeling op onvaste bodem, waar een doorgaan me alleen door het bezit van het wapen wordt toegestaan, als eenvoudigste mogelijkheid je elk moment en zonder moeite uit een niets in niets binnen te katapulteren, uitstappen alstublieft, iedereen uitstappen dames en heren.' 

Gezichten van Nederland

 In zijn essay 'Verloren' schrijft Rudy Kousbroek over gezichten van vroeger. Hoe ontstaan gezichten?

 'Het staat voor mij vast dat de mensen toen nog een ander soort gezichten hadden - die zijn nu niet meer in zwang, in onbruik geraakt, phased out. Je herkent ze op foto's van voor 1950, 1955 (...) maar ook op anonieme oude prentbriefkaarten en albumfoto's.'

 Als ik zelf zo'n foto zie voel ik het in mijn kaken. Zoals wanneer je uit een film komt.

 'Het is,' schrijft Kousbroek, 'of de mensen hun gezichten toen nog in een andere plooi trokken - en of ze die plooi vanaf omstreeks 1950 hebben laten varen.' Ook andere dingen veranderden natuurlijk, houding, brillen, het dragen van hoeden, en wat Rudy noemt 'de sculptuur van het haar, de architectuur van de bh's'. Nog voel ik de Brylcreem van mijn 'vetkuif'. Je legde je hand erop. Even.

 'Het is niet onmogelijk dat er ook werkelijke fysieke verschillen waren, misschien als gevolg van verschillende voeding, maar ook van een verschillende ontwikkeling van het spierweefsel, vooral rond de mond. Die stond anders, als het ware om er anders mee te prat­en, andere dingen mee te zeggen.'

 Bij modepoppen - een paar jaar geleden in Rotterdam te zien - uit verschillende tijden is duidelijk hoe het vrouwenlichaam veranderde. Tenslotte Kousbroek: 'Het gaat eigenlijk om twee complementaire gezichtsuitdrukkingen; er was die van het gezag en het gevulde vlees, en de keerzijde daarvan: die van de onderwerping en de schrale voeding. Beide zijn nu verdwenen.'

 Aan de ene kant de 'voldane, burgerlijke zelfingenomenheid' en aan de andere de 'nederige of zelfs schuwe oogopslag' van de 'paardachtige afgesloofdheid'. Verdwenen. Wat er voor in de plaats kwam was de 'verongelijktheid'.

 Op deze schoolfoto, Zutphen, 1950 - ik zit op de tweede rij derde van links - zie je de nieuwe tijd aankomen. Een enkel kind lacht.

Tags: 

De nooit geschreven geschiedenis van Nederland

 Rudy Kousbroek was de eerste die - in het essay 'Verloren' (2010) uit zijn Anathema's 9 het scherpe onde­rscheid maakte tussen de Oude en de Nieuwe Tijd. Tussen het Nederland dat eeuwen onveranderd bleef tot 1950 en dat van daarna. De wereld op z'n kop. Weg waren de standsverschillen, de armoede, de religie en de ongelijkheid tussen man en vrouw.

 In Kousbroeks woorden: 'de knecht regeert de heer, de vrouw beveelt de man, de kinderen gehoorzamen niet langer de ouders'. Rudy's tweedeling is ook de leidraad voor de makers van de tentoonstelling in de Rotter­damse Kunsthal over 'Tweehonderd jaar Koninkrijk', aan de hand van de platen uit het archief van Atlas van Stolk.

 Foto's en prenten vertellen van verloren tijden. Wat legden ze vast? Gezichtsuitdrukkingen van koninginnen en ministers. Aanprijzingen van wat eens nieuw was en modern. Zorgen van toen. Eens vertrouwde affiches, platen, plaatjes van aanplakzuilen, uit de krant. Propaganda.

 'Caballero, anders dan anderen' was de reclame voor de gewoonste sigaret, met z'n houtnerf dessin. Bij mijn sigarenman kwam dagelijks een vrouw die vroeg om 'een pakje sigaretten en de krant'. Zwijgend reikte hij haar een pakje Caballero zonder filter en de Telegraaf aan. Verloren gegane vanzelfsprekendheid. Wat in Rotterdam overheerst is het Verloren Gewoon.

 Henk Hofland zei eens tegen schrijvers: 'Schrijf het gewone op, niet het uitzonderlijke. Dat moet genoteerd worden anders is het weg.' Ik weet dat. Zocht je in de radio‑archieven het nieuws en weerbericht van een doorsneedag in 1947 dan vond je die niet. Wel alle nieuwjaarstoespraken van koninginnen. Foto's van trams van vroeger zie je alleen als ze ontspoord waren.

 En dat boek over de tweedeling in onze Vaderlandse Geschiedenis zal nog wel even ongeschreven blijven, maar het komt er.

Tags: 

Acedia (2)

 Geen betere tijd om nader te komen tot die staat van roerloosheid die Acedia genoemd wordt. De donkere dagen waarin het stil is op straat tot de straatlantaarns aangloeien.

 De dagen van binnenhuisjes zonder mensen, als in de schilderijen van Matthias Weischer, waarin het interieur zich loszingt. Het stilzitten dat vroeger schemeren heette. En nu zondige dadenloosheid is. Waarin niet de mensen maar de dingen van plaats veranderen als je even niet oplet. Naar buiten kijken.

Vanavond presenteert Erik Lindner in Perdu zijn dichtbundel die ernaar vernoemd is. Zo eindigt 'Tijdelijke halte':

 

Het is niet waar

je staat maar

stil voor een ruit

is de plaats haast af

als kwam het beeld door

dat je langskwam.

 

Je moet koud zijn

om iets te tonen

in taal verklaar je

het glas aan de straat

de man en zijn papieren

temperament.

Naar Pierre Kemp

 'Kun je lezen,' vraag ik soms. Omdat het me zelf vaak niet lukt bij een boekpagina te blijven, te verzinken in een bladspiegel, een letterbeeld. Maar vandaag schijnt er zon op mijn bladzijden.

 En zo begint een voorspoedige tijdreis naar het Maastricht van Pierre Kemp, 1959. De wereld van zijn bundel 'Garden 36.22.36 inches', genoemd naar de maten van taille, heup- en bovenwijdte zoals ze voorkwamen in de modebladen die hij zo graag inzag. Over Kemps leven weet ik uit de biografie van Wiel Kusters, die ik bij de verschijning drie jaar geleden opzocht. Hij toonde me het voorraam waarachter Kemp 's nachts zijn werelden schiep, van kousen en van monden. Vlakbij het station vanwaar hij dagelijks reisde in zijn muzentrein. Ik lees regels als die in 'Tour de nez':

 'Mijn neus rijdt uit de Singel van de Reuk

en gaat nu door de Laan der Duizend Weken.'

 

 Een zinnelijker dichter dan Kemp is er niet. Luister:

'Zij droeg geen bril, wel twee libellen

en keek hem er door aan.

Haar ogen wilden hem niet vergezellen

en ook niet laten gaan.

Zij poogde hem er mee vast te houden,

zo dat hij staan bleef, waar hij stond

en tussen hen sprong van haar ogen goud en

rood om hem te nagelen op haar droge mond.'

 

 De poëzie van de vlinderbril. In ernst. En dit:

,Mensen met broeken aan van lucht

zoeken de zin van de zon.

De mannelijken ontwijken met een zucht.

De vrouwelijken menen dat het anders kon

en eisen broeken van licht.'

Ba'al in Carthago

 Nog is het me een raadsel hoe ik het gymnasium heb kunnen door­lopen zonder in godsdiensttwisten terecht te komen. Elke dag lezen over Zeus, Hera, Apollo en Pallas Athene, die het lot van mensenkinderen als Odysseus of Achilles, Penelope of Helena op ondoorgrondelijke wijze bestieren. Terwijl je in het volgende lesuur bij Bijbelse geschiedenis over een heel andere God leerde, die de ware moest zijn.

 Geen leraar die aan dit dilemma ooit een woord vuil maakte. Je werd geacht de goden van de Olympus niet serieus te nemen en die ene van de Tempelberg wel.

 Bij de expositie over Carthago in het Leidse Oudhedenmuseum kwam ik een oude bekende tegen. Zijn naam was Ba'al. En als er ooit een afgod bestaan heeft was hij het. Ik kende hem uit de Bijbel, waar hij aanbeden wordt door heide­nen als de Kanaänieten. Maar nu blijkt hij ook de oppergod van de Carthagers te zijn geweest en met de Feniciërs mee heel de Middellandse Zee te zijn rondgereisd en overal beelden en tempels te hebben gekregen.

 Waar zo'n tentoonstelling al niet goed voor is. Niet voor een superieure glimlach maar voor ernstige overwegingen betreffende de goden waar we in het hier en nu mee tobben: de Christelijke die heel de Verenigde Staten aan zijn voeten vindt, de Joodse, die Zijn Volk tot gruwelijks inspireert en Allah met zijn bloeddorstige profeet. Het monotheïsme kortom. En het grote gelijk dat het altijd meebrengt. Nee dan Ba'al, die heus niet over alles ging. Je had ook vrouwen, als Tanit en Astarte die van de 'vruchtbaarheid' waren. Plus veel lokale godheden – een goede gewoonte, hier en daar een Groningse of Roermondse god. En geloof die verhalen over kindoffers niet. Dat was Romeinse propaganda.

 't Is echt jammer dat de Olympische Goden geen site hebben op Internet. Ik neem ze ernstig en zou elke dag het laatste nieuws willen volgen over de grillen en wispelturigheden, inzichten en ondoorgrondelijkheden van Venus, Hefaistos, Persephone en bovenal Pallas Athene.

 Van zo'n kerk zou ik lid willen zijn. Maar helaas, daarvoor kan ik nu nergens anders terecht dan in musea. Of dezer dagen bij de resten van Carthago in Leiden. 

De onzin van het Groot Dictee

 Zou het correct kunnen spellen van de Nederlandse taal - of welke taal dan ook - iets met intel­ligentie te maken hebben? Want dat is toch de suggestie van het Groot – hoezo groot? - Dictee der Nederlandse Taal?

 Op school leerde ik lezen en schrijven. De spelling van de woorden werd opgeslagen in mijn hersens, zo goed dat ik nu nog op eerste aanblik kan zeggen goed of fout. Dat wil zeggen goed of fout in 1956. Dat heet het hebben van een woordbeeld. Toen kwamen de spellingshervormers. Zij veranderden de reg­els. Dat doen machtheb­bers, de regels veranderen terwijl het spel nog bezig is. 

 Het gevolg was dat wat eerst goed was nu fout is, zodat denneboom fout werd en dennenboom goed. Discussies over de apostrophe (fout) in de titel Homme's hoest van W.F.Hermans leidden tot razernij van de schrijver. Zijn apostrophe was onzinnig en verwarrend, maar wel fout.

 Spellingshervorming gaat onder het mom van het 'de gebruikers makkelijk maken', of omdat het 'logischer' zou zijn. Twee onzinnige argumenten. Spelling kent geen logica. Daarom is ie in de Angelsaksische landen al sinds mensen­heugenis ongewijzigd, onlogische en klantonvriendelijk.

 Maar het woordbeeld van generaties lezers en schrijvers blijft er wel geldig. Dat vindt men kennelijk belangrijker. Helaas, wij weten het beter dan de Engelsen, Amerikanen, Duitsers en Fransen.

 Vanavond dus het groot nationaal dictee. En de stuitende braafheid waarmee men zich eraan onderwerpt. O dennenboom, zingen we in koor en Hommes hoest voort.   

Pagina's