Ina van Zyl weerom

 Wat gebeurt er toch op de doeken van Ina van Zyl? Haar manier van schilderen heeft soms de likbaarheid van een ijsje. Ze wekt bergen en bloemen tot lichamelijkheid.

 Bij de Amsterdamse Galerie Onrust zag ik vanmiddag de nieuwste stappen van de Zuid-Afrikaanse op het doek. Zoals zij schildert niem­and. Haar eigen gezicht meermalen er tussen. Het kijkt je vol reserve aan. Veel duisternis ditmaal, nachtlandschappen, maan­licht. Weg is even de knalharde Zuid-Afrikaanse zon.

 Zoniet de seksuele geladenheid, weer, steeds. Ver van de krampachtig overwon­nen gene die Hol­land nog steeds teistert. In Van Zyls 'schaamstukken' van een paar jaar terug was die alom aanwezig. In tenen, het binnenste van een walnoot, vagina's, een eeltige hiel, een eikel in erectie, bleken broer en zus van fruit en bloemen.

 Het is maar hoe je ze schildert. De kijker tegemoet glanzend, verlokkend, tot en met de bergbeek die zich tussen vleselijke rotsen omlaagstort. Wat zich bij Ina van Zyl verheft doet dat om aanraking te zoeken. In een altoos vleselijk landsch­ap. De anjer, de paddestoel, alles wordt vlees. Van mug tot gebergte. A Landsc­ape roept droomgewijs de landschappen van Zuid-Afri­ka op.

Tags: 

Isa

 Vanaf een vuilnishoop ziet de wereld er andersom uit. De stad beneden wordt een broeinest, waar alles vandaan komt dat hier ligt opgestapeld. Weggegooid, overtollig, of misschien toch bruik- of eetbaar. Zo ziet Isa het.

 Het zwerfmeisje In 'Bilder deiner grossen Liebe' van Wolfgang Herrndorf, die leeft van wat ze oppikt, krijgt of steelt in supermarkten, bij mensen thuis, van vuilnis. Ze is getraind, erop gespitst als een aasetende vogel. Zo blijft ze in leven. Aantrekkelijk als ze is gebruikt ze haar kont als die van pas komt.

 Je kunt het huisvuil noemen, maar een goed woord voor het overschot van onze leefstijl is er niet. De uitvinding van de houdbaarheidsdatum heeft het benoemd. Allen zijn we vroeg of laat eerst overschot, en dan vuil. Herrndorf zelf is patiënt en zal sterven. Wat van hem overblijft zal worden opgeruimd. Vandaar - vermoed ik - dat de vuilnisroos Isa de heldin van zijn laatste boek werd. Afval is waar de wereld om draait:

 'Ik klim over bergen huisvuil. Een paar zakken ruk ik open en vind verschimmeld fruit en een bruine banaan. Ik vind ook nog een behaard brood, scheur de korsten eraf en eet het middenstuk. Ik vind een zak vol sla en een klont spaghetti met uitgedroogde rode saus. Als rubber is het. Ik bijt op een steen. Ik vind ook twee fotoalbums. In het ene zit een gezin, alleen maar opnamen van vader, moeder, zoon en hond en op iedere foto stralen ze, allemaal, zelfs de hond. Ik blader het album door, maar tenslotte gooi ik het toch weer weg, omdat het me deprimeert.'

 Het is nacht. Beneden, in de donkere verte ligt een verlicht benzinestation, waar niemand is, als een ruimteschip. 

l'Amore in città

 Een onsterfelijke collage van de mooiste meiden van Rome in 1953, gefilmd in beweging op drukke trottoirs, in hun mooiste kleren, in blakere­nde zon. Niets dan zwenkende mannenhoofden achter zich latend.

 Alberto Lattuada maakte dit unieke - met verborgen camera (maar niet heus!) gedraaide - document voor een dwaas project van een stel filmgekken. Losse verhalen, samen een wel heel bizarre Cineac-voorstel­ling. Ook Fellini, Antonioni en Risi deden mee.

 De vorm van een soort gefilmd tijdschrift gaf ieder een in 1953 ongekende vrijheid. Nu de film gerestaureerd te zien is (op 11 november weer in Rialto Amsterdam, ook te koop) kijk je je ogen uit naar het losse acteren, halverwege script en improvisatie, de kleren, de koppen, de straten, de auto's en scooters.

 Werd de vrouwenmode ooit nog zo goed? Die van nu ontleent er veel aan. Ik zag prachtige, o zo goedkope, stoffen. De brede, vaak glimmende, insnoerceintuurs.

 KLeine luxe, die z'n werking krijgt door de onverbiddelijke armoede waarin iedereen leeft. Wat moeten meisjes als het onder de ook na de oorlog ijzeren katholieke hypocrisie fout loopt. Hoerderij - ze worden geïnterviewd-, zelfmoord, je kind achterlaten in een park? En dan is er weer een prachtig kale danspartij 'Drie uur Paradijs van Dino Risi, vol hoop op, ja wat?

 Fellini schetst een huwelijksbureau dat een boerenmeisje dat een gezin moet onderhouden wil onderbrengen bij een steenrijke 'weerwolf'.

 Als je dat gezien hebt wordt de zelfverzekerde meidenshow van Lattuada niks minder dan een daad van verzet.  

Tags: 

Gedenk Louis Lehmann!

 Ben je eenmaal dood, dan aan de heidenen overgeleverd. Nog zie ik Louis in het ziekenhuis rondgaan met behulp van een zelfgemaakte wandelstok, die de steel van een spade, een tuinschop was geweest. Dit stukje dus met postuum excuus.

 Ik dacht aan zijn enige zitmeubel voor bezoekers, de kruiwa­gen - 'daar heeft Roland Holst nog in gezeten'.

 Mijn stuk in het juist verschenen nummer van De Parelduiker, gewijd aan Louis Lehmann, dat op woensdagavond 12 novem­ber wordt gepresen­teerd op een Louis-dag in de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord, heet 'Lof der nieuwsgierigheid' maar vindingrijkheid had er nog wel bij gekund.

 In deze Parelduiker komt ook naar boven wat Louis noemde zijn 'baanloosheid'. Het zat hem hoog dat hij als afgestudeerd jurist en archeoloog nooit werk kon vinden. Hardnekkig dacht hij dat dat 'aan de literatuur lag'. Omdat bij het afwijzen van sollicit­aties wel gezegd werd 'maar u bent toch dichter'. Hij nam het hoog op. In 1966 hield hij op met gedichten publiceren en werd scheepsarcheoloog. Schreef over triremen en galeien.

 Wat niemand tegen hem heeft gezegd - ik ook niet, hoewel ik zijn enige werkgever ben geweest, zij het als free-lance discjockey - is dat hij voor het vervul­len van een vaste functie in een bedrijf echt niet geschikt was. Waarom niet?

 Bij de keuringen van het NASA voor astronauten is een doorslaggevende reden voor afwijzing: fantasie. Een astronaut moet zich niets in zijn hoofd gaan halen. En voor een doorsnee werknemer geldt het zelfde. Een maandagochtendvergadering over budgettering en personeelsbeleid zou met Louis Lehmann erbij iets heel anders worden dan bedoeld. Omdat voor hem maar weinig vanzelf sprak en andere dingen belangrijk waren dan voor anderen. Dat laatste bleef hem onbegrij­pelijk.

 Uit een brief aan uitgever Geert van Oorschot (omstreeks 1970) over zijn medewerking aan Tirade: 'Je argumenten tegen mijn essais, die je laatst uitte zijn voor mij het tegendeel van overtuigend. Als je het een bezwaar vindt dat ik schrijvers bespreek en aanhaal waar 'niemand' (in dit geval dus jij niet) ooit van gehoord heeft, is dit een argument van een commercieel uitgever die zijn lezers tegen alles wil beschermen, waar ze nog nooit van gehoord hebben. Als ik niet over dingen schreef, waar anderen niet over schrijven, zou ik mezelf misplaatst en overbodig vinden als criticus.' 

 Louis zou niet meer uitgeven bij Van Oorschot.

Tags: 

Vette hap

 Mijn laatste spin heeft zich teruggetrokken in een hoek. Giste­ren nog had ze een grote vangst, en deed me denken aan de spin uit Die Biene Maja van Waldemar Bonsels (1912), de bij die in haar web vliegt. Dat begint zo. Maja vliegt onder een braamstruik door:

 'Toen ze weer omhoog wilde vliegen legde zich plotseling iets vreemds over haar voorhoofd en haar schouders, en net zo vlug bedekte het haar vleugels, zo dat ze als verlamd werden.'

 En dan gebeurt het. Verzet blijkt zinloos, elke beweging maakt het erger. 'Dwars over haar borst liep een oneindig dunne, rekbare zilverdraad, en toen ze er snel, in verhitte schrik naar greep bleef hij aan haar hand hangen, kleefde vast en liet zich niet meer losmaken. Overal over haar lichaam heen liepen deze helde­re, kleverige draden.'

 Er vliegt nog een vlinder voorbij die haar ziet spartelen en zegt: 'Vergeet de zon niet, in je diepe doodsslaap.'

 Dan komt de spin, die ze smeekt haar meteen te doden.

 'Sterven doe je sowieso als ik je maar lang genoeg laat han­gen, en ik kan je bloed ook nog uitzuigen.'

 De spin spint haar in.

 'Je komt in de schaduw te hangen, schat,' zei ze, 'zodat de zon je niet uitdroogt.' En dan stelt ze zich voor 'Mijn naam is Thekla, van de familie der kruisspinnen. Hoe jij heet hoef ik niet te weten, een vette hap ben je hoe dan ook.'

Voorgevoel?

 'Het afstotelijke beeld van de wilde horden die triomferend de afgehakte hoofden op stokken hebben gespiest zorgt er voor dat men zich niet meer op straat laat zien.' Schreef de uit Zweden afkomstige schilder Alexander Roslin in Parijs, in 1789, het jaar van de Franse Revolu­tie. Het zou ook gisteren in het Midden-Oosten geschreven kunnen zijn.

 In het Twents Museum hangen Roslins hofschilderijen onder de kop 'decadentie'. Zou het? Wat zit er in die gezichten? Waakzaamheid eerder, beduchtheid, stand ophouden, zeker. Maar ijdele pronkzucht? Toch niet. Het voorgevoel van de guillotine dan? Nu ja, wij weten hoe dit afloopt, maar zij? Nattigheid kun je ook schilderen.

 De 18de eeuw vind ik de raadselachtigste. Waarbij vergeleken onze Gouden Eeuw bewoond werd door o zo herkenbare buren en vrienden. Vanwaar toch die verkleedpartijen, die pruiken? Ver van het volk? Het lijken vermommingen. Trucs om je te verstoppen. Voor wie? Je raadt het.

 Frankrijk droeg pruiken sinds Lodewijk XIII zijn haar verloor en weldra volgde heel Europa. En in Frankrijk hebben de Zonnekoning en Versailles nooit op­gehouden te bestaan. Nog worden overal heggen geschoren en platanen in model getrimd.

 Napoleon overtrof de Lodewijken als keizer, zijn neef hervatte de vorstelijke zaken. Kortom de revolutie, de republiek, vergeet ze. Tot De Gaulle, Chirac, Mitterand, Sarkozy en Hollande heersen daar zonnekoningen. Omdat de Fransen dat graag zien. De Zweed Roslin begreep ze. Die revolutie? Wat een dwaasheid.

Tags: 

Harry Mulisch en het decorum

 Dit weekend is de werkkamer van Harry Mulisch te bezichtigen. Ik hoef niet, ik was er al eens. Een andere keer - een erg warme dag - zaten we bened­en bij de openslaande deuren boven de Leidsekade.

 Ik had mijn loodzware NAGRA-recorder bij me, het was bij 35 graden. Ik zweette en stonk, merkte ik toen ik de trap beklom. Harry daarentegen bleek gekleed in een smetteloze witte pantal­on en dito overhemd. Nadat hij mij een stoel had gewezen nam hij plaats op het lage tafeltje voor het raam en sloeg zijn benen ontspannen over elkaar. We spraken over het project waar ik voor kwam - een programma van Netty Rosenfeld waarin door de stad Amsterdam een rechte lijn werd getrokken, waarlangs gefilmd zou worden, maar hij had nog niks.

 Alsof je een rode kool doorsnijdt, zei ik nog steeds zwetend. 'Prima beeld,' zei Harry. 'Dat gebruik ik.' Al pratende werd hij een toonbeeld van ontspanning. Hij begon een pijp te stoppen, stak de brand erin en trok.

 Op dat moment ging er iets mis. Een teveel aan relaxed vertoon maakte dat de brandende pijp uit zijn pratende mond viel, recht in het kruis van zijn witte pantalon. Hij vloekte gesmoord. Zelden zag ik in zo'n korte tijd zoveel verlies van decorum. Hij mepte het vuur opzij, riep zijn vrouw, die tot dan toe onzic­htbaar was geweest en nu uit de keuken kwam toegesneld met een nat lapje waarmee ze Harry's kruis afbette. Dat maakte het alleen maar erger.

 Het einde kwam voor mij in 1984 met zijn Huizinga-lezing 'Het ene', waarin hij voor het eerst zijn wereldvisie ontvouwde. zijn 'unifying theory', in de Leidse Pieterskerk. Wij, de VPRO-radio, zonden het uit. En een week later ook een discussie waarin Harry zijn theorie verdedigde tegenover een groepje wetenschappers. Het werd een verbluffende uitzending. Enigszins meewarig bespraken ze Harry's stellin­gen. 'Ja vroeger werd er in de wetenschap wel zo gedacht,' hoor ik er één nog zeggen. 'Maar dat is wel erg lang geleden hoor.' Aan het slot was Mulisch de deemoedigheid zelf. 'Een schrijver mag toch wel bellen blazen?' vroeg hij. 'Natuurlijk,' zeiden de geleerden.

 Radio Archivaris Nienke Feis spoorde de lezing en de - nogal ontluisterende, vaak ongewild komische - discussie op. Beluister het op VPRO's radioarchief.

 

Tags: 

Engel

 De doodzieke schrijver kiest ervoor te sterven als een zwerfmeisje dat eet van wat vuilnishopen bieden en verkeert tussen al wat afvalt en overschiet. Tot ze een engel - niet dat hij dat woord gebruikt, ik zie hem - ontmoet in de gestalte van een binnenschipper, met wie ze mag meevaren.

 'In oneindige verte overspant een dunne brug het kanaal, waarachter ergens de sluis moet liggen. Wat denk je, hoe ver is dat? Hoe lang doen we er over tot die brug?' Ik bekijk het onooglijke gedachtestreepje boven de horizon. 'Als je het mij vraagt een uur. Half uur.'  Hij lacht en heft een onder de harenwol nauwelijks herkenbare arm. Een gouden horlogeband deelt de wol in twee helften. 'Kijk op het horloge,' zegt hij. Hij schenkt zich uit een thermoskan thee in. Hij kijkt mij aan. Ik schud mijn hoofd. De thee vibreert in de kop. Hij leunt op het stuurrad en praat over het verschil tussen koffie- en theedrinkers. Hij drinkt alleen thee, zegt hij, koffie verafschuwt hij, hij heeft de koffiemensen nooit begrepen, en dan stelt hij een vraag die ik niet versta, terwijl hij met beide handen het stuurrad vasthoudt en de hendel draait en ik op het zelfde moment in de weerspiegeling van het horloge, die van de zon komt, het zelfde glanzen en schitteren herkend heb als op de schakelhefbomen en sierlijsten als in de theekop en op het kanaal, en hij herhaalt de vraag, die ik weer niet versta, omdat ik met verscherpte helderheid nu zie hoe het glimmen en glanzen overal in de stuurhut op een onzichtbare manier alles met alles verbonden heeft, de vibrerende thee, de verchroomde hendel, de horlogeband, het schitteren van de golven en het door licht omstraalde haar van de schipper en ik weet, ook ik ben omstraald (..) en ik zeg 'Merkt u dat ook?'

'Dat is de motor. Dat doet hij soms.'  

Wolfgang Herrndorf

 In het zicht van de dood kan er een grote helderheid over je komen. De laatste - onvoltooide - roman van Wolfgang Herrndorf (1965-2013) blikkert je tegemoet.

 In zijn laatste boek 'Beelden van je grote liefde' loop je met de veer­tien­jarige tomboy Isa mee, de wereld in, alsof je hem voor het eerst ziet. 's Nachts gaat ze op blote voeten verder en verder, steelt voedsel, overdag slaapt ze in schuilhoekjes. Ze is uit een jeugdin­richting o­ntsnapt.

 'Ik lig op mijn rug. Uit het dal klinken geluiden naar me op. Een motorzaag, een lachende vrouw, een merel, een auto, schoolkinderen. De deur van een autobus ademt uit. En weer de merel, nu dichter bij me. Ik zie de wolken erachter en onderzoek mijn voetzolen. De sneden zijn niet zo diep als ik gedacht had, maar ze doen nog pijn en hebben erg gebloed. Omdat ik het mineraalwater heb opgedronken was ik bloed en modder met Fanta van mijn voeten en besluit de dag hier te blijven liggen tot het nacht wordt. Ik heb nog meer Choco Leibniz en marmelade en Nutella en knäckebröd en Snickers en pindaflips. Ik word heel helder in mijn hoofd, ochtendlichthelder. Universum hier, Isa hier, alles waar het hoort. Ik denk niet na. Ik slaap.'

 Toen hij dit schreef was Herrndorf al een paar keer geopereerd en wist dat hij het niet zou kunnen voltooien. Toch moest dit zijn laatste zijn. Helder in de wereld.

 Hij had op de kunstacademie in Nürnberg gezeten, schreef vier romans en een weblog. 

 

 

Leviathan

 Je zult bij toeval op een toplocatie wonen. Het is me jaren terug eens gebeurd. Een huurhuisje aan een park waar je idyllisch in de boomkruinen keek. Het duurde niet lang of een projectontwikkelaar had er zijn oog op laten vallen.

 Precies dat gebeurt er in de film Leviathan van Andrej Zvagintsev. Een Russisch gezinnetje bewoont aan de poolcirkel zo'n droomplek. Tot de Leviathan, het veelkoppig monster zijn ogen erop laat vallen. Het was de verlichtingsfilosoof Thomas Hobbes die in 1651 het monster benoemde.

 Om de oorlog van allen tegen allen in onze samenleving te voorkomen werd al vroeg het geweldsmonopolie afgestaan. De vreeswekkende afschrikkingsmacht die we aanstelden vernoemde Hobbes naar het veelkoppige Bijbelse monster Leviathan, niks minder dan de duivel zelf.

 Waarvan drie koppen onmiskenbaar die van kerk, staat en rechterlijke macht zijn, die je in de film rucksichtslos eendrachtig aan het werk ziet.

 Zelf keerde ik in gedachten terug naar het Amsterdam van de jaren '70 en mijn huisje aan het park. De Dienst Bouw en Woningtoezicht speelde met de projectontwikkelaar onder een hoedje. En zo zaten er twee ambtenaren voor mijn raam. Eentje liet een knikker over de vloer rollen, die naar een kant ging.

 'Kijk, het staat scheef,' zei hij. Een ander liet een touwtje uit het raam zakken met een loodje eraan. 'Het buikt,' zei hij.

 Ik procedeerde tot aan de Raad van State. Vergeefs. Er staat nu al jaren een duur appartementencomplex daar. Zoals in Leviathan op de plek van het lieve houten huis de orthodoxe kerk verrijst die al jaren in de planning zat.

Pagina's