Vingertoppen

 De vingertop is in de Westerse literatuur een veronachtzaamde zeldzaamheid. Het samenspel van extreme gevoeligheid en het zetten van grote kracht. Je maakt er muziek mee, maar zelfs als ze vereelten blijven ze gevoelig.

 Sinds de Geisha's-tentoonstelling in het Leidse Volkenkunde herlees ik Sneeuwland van Nobelprijswinnaar Yasunari Kawabata (1899-1972) uit 1947. Een oude intellectueel reist de bergen in, door de sneeuw om een geisha de bezoeken die hij al lang kent. De omgang met geisha's is in al zijn verfijning - in conversatie, musiceren, kleding - tegelijk afstandelijk. Totdat. Shimamura kijkt in de openingspagina's naar het beslagen raam van de nachttrein:

 'Uit verveling staarde Shimamura naar zijn linker wijsvinger die hij op allerlei manieren liet bewegen. Alleen de vinger had een levendige heinnering aan de vrouw naar wie hij op weg was. Hoe meer hij zich inspande om zich haar beeld helder voor de geest te halen, hoe meer het vervaagde en hoe minder tastbaar het werd. Alleen die vinger wist ook nu nog hoe hij haar aanraakte en alleen die vinger scheen Shimamura naar haar verre aanwezigheid toe te trekken. Terwijl hij nog nadacht over het vreemde van dit alles, bracht hij zijn hand naar zijn neus. Hij rook eraan en trok toen zomaar een streep over het glas van het raam. Het oog van een vrouw doemde eruit op.'

Tags: 

Broeken en kousen

 Als straks alle mailwisselingen tussen onze politici en schrijvers voorgoed verdwenen zijn - mail wordt niet bewaard, crasht, vergaat - zal een enkele historicus nog zuchten.

 Of zich buigen over de brieven van Jane Austen, omdat ze vol zitten met verwijzingen naar de mode van haar tijd, rond 1800. Mode die op zijn beurt verwijst naar oorlog en revolutie in Engeland en Frankrijk. Ook de industriële.

 Van Frankrijk wist ze doordat haar nicht Eliza getrouwd was met een graaf De Feuillide, die 1794 onder de guillotine terecht kwam.

 Mode in roerige tijden. In haar brieven, maar ook in haar romans worden aankopen van jurken en accessoires eindeloos overwogen. En ze kreeg toen al kritiek omdat ze nauwelijks over politiek schreef. Toch zou mousseline, de flinterdunne stof vernoemd naar Mosul (!) de grondstof van een moderevolutie worden. Het afwerpen van korsetten en doorschijnendheid gingen samen met algehele vermagering. Edelstenen verdwenen, soberheid kwam samen met wat grensde aan naaktheid, met veel wit, zo wit als Griekse beelden naar men dacht.

 Dit heb ik van Sarah Jane Downing, haar heldere 'Fashion in the time of Jane Austen ligt in het Haags Gemeentemuseum. Ook over mannenmode leert ze je veel. In de 18de eeuw droegen man en vrouw zijde en pruiken, dat was voorbij. De man werd een buitenman. In het voetspoor van Beau Brummell. Een soort Engelse landheer werd het model voor de man van de komende decaden. In Engeland en Frankrijk. Lange broek, laarzen met omslagen en van voren openslaande jas. Overhemden wit, met zwierige witte sjaal.

 Schilders wisten soms geen raad met de lichtgekleurde, strakke geitenleren pantalons en hoe het geslacht daarin te plaatsen. Over het ondergoed las ik niks.

 De industrie rukte op, en de burgerij. Weldra waren zijden kousen voorbij en dankzij de machines van Arkwright droeg heel Europa goedkope, maar nauwsluitende Engelse kousen, in alle pastelkleuren. 

Wetlook?

 Het aardige van mode is dat hij altijd over iets anders gaat. 'Partnerkeuze' vanzelf, zoals Ileen Montijn het keurig uitlegt in het Haags Gemeen­temuseum bij het mode-overzicht van de 19de eeuw 'Roma­ntische mode'.

 Of revolutie. De geschiedenis van de Franse Revolutie weerspiegeld in broeken en jurken. De vraag wat te dragen als je ontsnapt bent aan het schavot. Je haar laten knippen 'à vic­time', kort in de nek. Lastig toch, met alleen boerenkielen kwam je er niet. Gelukkig redde Napoleon de mode met de empire-stijl. Frutsels en strik­jes waren verdwenen, de hoge taille heerste in flin­terdunne mousseline uit het Oosten.  Vergeefs zocht ik naar de 'wetlook' die daar mee geassocieerd wordt, apocrief misschi­en. Je steeds laten natgooien door een lakei in livrei, maar misschien verzin ik dat. Rond 1820 was het afgelopen met de empirestijl en begon het aankleden weer. 

 Precies in de tijd dat zij schreef aan boeken als Pride and prejudice en Sense and sensibility (1795-1798) zag Jane Austen het gebeuren.

 De mode was na de Franse revolutie naar Londen verhuisd, leerde ik, en daar, werd de plattelandsadel tot zijn verbazing het model. De kuitbroek verdween. De lange broek - met laarzen - kwam, en zou het volhouden tot vandaag. Maar voor het zover kwam waren er nog de lichte suede broeken van geitenleer uit de Beau Brummell-tijd (ca 1820), die soms ook nat werden gemaakt om krapper te sluiten.

 Hoe de mannenmode rond 1900 eindigde in zwart en de vrouwenmode gedurende de eeuw almaar meer terugzakte in vertrutting is goed te zien. Er was een nieuwe oorlog, die van !914-1918 voor nodig voor vrouwen het korte koppie terugkregen en hun korsetten konden afleggen.

Gustaaf Peek

 Een boek dat van voren naar achter geschreven is, begint bij hoofdstuk 50 en eindigt met hoofdstuk 0. Voor mij heel aantrekkelijk. Vaak lees ik al zo. Per alinea. Per zin.

 Zo begon het ook nu, in de boek­winkel. 'Het was moeilijk voor een bejaarde vrouw om iets te verbranden. Het kon niet binnen, zeker niet in de ambiance van haar laatste luxe slaapplaats. Ze had te lang gewacht en nu moest ze het risico dragen.' Om te weten hoe dit verder gaat, moet ik verder of terug? Ik koop het boek.

 Verder: 'Ze liep naar het park met het manuscript in haar schoudertas en een aansteker zo oud dat hij illegaal was geworden.'

 Verder of terug. Maar als verder nu het zelfde is geworden als terug? Verder dan, met Peek mee, tegen de dwang van het lineair tijdsverloop in. Losgezongen woorden en regels. Die hun eigen weg  wel vinden. Willem Brakman zou het er zeer mee eens zijn. Ik denk aan wat hij me eens zei: 'Als je niet weet hoe je verder moet, moet je terug.'

 Een oude dame wil een manuscript verbranden. De zelfde die aan het begin, dat ik nu gelezen heb, begraven moet worden. Hoe schrijf je een begin dat een einde is? Verklap ik een afloop?

 Het begin is een slothoofdstuk, met veel open einden. Een begrafenis. Er wordt een brief aan een dode voorgelezen door een jonge begrafenisbediende. De briefschrijver, haar geliefde, is er niet. Dan gebeuren er vreemde dingen. Men wordt dronken, aanhalig. Met de kist rijdt het vrolijke gezelschap de stad in. 'Het werd later, maar niets doofde, de oplichtende stad was steeds dichterbij gekomen. Ze liepen langs de weg, langs de laatste velden en de vaart en de eerste huizen toen ze door voorbijgangers en een toevallige agent werden tegengehouden. Maar hun dode had de maan nog eenmaal gezien, de mensen op straat gehoord.'

 Dan begint het boek Godin, held. Peeks vierde roman. Een liefdesgeschiedenis. 

I.M. Marnix Rueb (1955-2014)

 Je komt uit Den Haag of niet. En als je er vandaan komt weet je, Den Haag is een stad met een streep erdoor. Een Berlijnse muur, in de geest, in de taal. Je zit erbo­ven of je zit eronder. Die van boven de streep zie je dage­lijks op televisie, van de Vogelwijk tot Wassenaar, topambtenaren, zakenlui en politici. Beneden de streep woont sinds jaar en dag het 'tuìg'. Marnix Rueb belichaamde die streep.

 Zijn Haagse Harry was volbloed van onder de streep. In de om­schrijving achterop het eerste album (1994, zoveelste druk) 'een protypische Hagenaar, met camping-smoking (=trainingspak) en tapijtnek (=matje)'.

 De streep gaat ongeveer langs de Laan van Meer­dervoort, al zijn er aan beide zijden encla­ves. Het is ook de oergrens tussen zand en veen. Van oudsher zit het geld op het zand en de armoe op het veen. Het veen zucht al eeuwen onder het zand. 'Zoekie mot of zoekie dèni­ng?' werd mij, pas aangekomen pro­vinciaal gevraagd door het buurjongetje. Het kostte me een jaar om hem te leren verstaan.

 De uitspraak van dit Haags hangt op de huig. Hees, tegen de kopstem aan. Aanblazen met veel valse lucht. Onderkaak laten hangen, lippen minimaal gebruiken. 'Komp Gès tuìs, kachel uìt wèf uìt...'. Iedere Hagenaar, in de moederstad of in de dia­spora, kan dit stijlvoorbeeld in variaties afmaken. 'Klène mèd op 't zèl te zèke in de uìtbau...'.

 In het groen-geile boekie, de offici­ële Haagse Spraakkunst (en spelling) van Harry-bedenker Marnix Rueb, samen met Sjaak Bral en zijn broer R.J.Rueb staat de Haagse basishou­ding omschreven als 'geïr­riteerde onverschilligheid'. Vergeet de snijdende zelfs­pot daarbij niet. Een teken van beschaving dat Amsterdammers zo vreemd is.

 Doet Harry aan politiek? Hij ontmoet af en toe de burgemeester, en hij zal Willem Alexander en Maxima nooit vergeven dat ze in Amsterdam trouwden. Algemene reactie: 'PLEUGHT OP, GRAFLUL' 

 Eens interviewde ik hem thuis, in zijn woonwinkel waar ie alle bestellingen zelf verstuurde, want hij vertrouwde geen uitgever. En ontmoette de keurige jongen uit het Benoordenhout - de duurste, netste buurt van Den Haag - achter Harry. En dacht onwillekeurig aan The Hulk.

 Haagser dan Marnix Rueb is moeilijk voorstelbaar.

Netvlies

 Er zijn zegswijzen die de gebruiker meteen diskwalificeren. Zoals 'op het netvlies gebrand'. Wie dat – na zoveel jaren cliché gebruik – nog in ernst over een film schrijft zoals Dana Linssen vandaag in het NRC over het Turkse drama Araf, zal ik niet meer lezen.

 'Tussenwereld' betekent het. Je treedt met regisseuse Yesim Ustaoglu binnen in een klas­sieke verzwijgcultuur waar vrouwen niks mogen. Er raakt een meisje ongewenst zwanger. Haar hysterische moeder mag het niet weten, de verwekker – een vrachtrijder - neemt de benen en het vriendje dat haar zegt te willen trouwen steekt bij het nieuws het huis in brand. Ze krijgt een miskraam die in extenso in beeld komt. Waarna een tv-ploeg vastlegt hoe ze toch nog feestelijk met het vriendje trouwt, in de gevan­genis. onwaarschijnlijk happy end.

 Het netvlies van Dana Linssen geeft vier sterren.

 Verandert er iets? Nee, iedereen berust en het verzw­egen kind is weg. Als niemand protesteert zal deze geschiedenis zich nog ein­deloos her­halen. Zou het niet mooi zijn een wereldwijde zwangerschaps-verzwijg sta­tistiek op te stel­len.

 Buiten ligt in Araf sneeuw genoeg om alles nog eeuwen te bedekken. Misschien bedoelde Ustaoglu dat ook wel te zeggen. In dat geval zei ze het erg bedekt.

Maja

 We zijn in de wereld van de insecten. Een jonge bij, genaamd Maja zegt: 'U heeft een been teveel, u heeft zeven benen.' waarop het antwoord van Hannibal, de hooiwagen, luidt: 'Een te weinig.'

 Nu pas begrijp ik waarom Die Biene Maja (1912) de satirische insecten-fantasie van Waldemar Bonsels zo populair werd onder de Duitse soldaten in WOI. Er kwam zelfs een 'Feldausgabe' van. Benen teveel of te weinig. Frontsoldaten wisten ervan. En de o zo lieftallige insecten vermoorden elkaar, vraten een halve rups zonder zich te bekommeren om de andere helft die wegkronkelde. En praatten als de Duitse burgers aan het thuisfront in Im Westen nichts Neues van Remarque.

 Maja moet aanzien wat haar vriend en redder de mestkever overkomt. 'Ach,' zegt de libelle lieftallig, 'wat een lief kereltje' en bijt hem zijn kop af.

 Vanmiddag verzonk ik erin. 'Het moet heel onaangenaam zijn een been te verliezen, ‘zei Maja meelevend. Hannibal steunde zijn kin in zijn hand en zette zijn benen zo neer dat het moeilijk was hun aantal te overzien. 'Ik zal u meedelen,' zei hij, 'hoe het gekomen is. Natuurlijk is de mens daarbij in het spel, zoals gewoonlijk als er iets gebeurt.'

 En dan vertelt hij over de mens, die in een tuinhuisje woont met een kapotte ruit, waardoor hij binnenkwam. De mens komt daar met een lamp en twee flessen, een grote en een kleine, met drank en inkt. Die zet hij op tafel en begint na te denken. Daarbij zijn beide flessen nodig. In de ene doopt hij een stokje, uit de andere drinkt hij. Van het zielenleven van insecten weet de mens niets, hun angsten interesseren hem niet.

 Hannibal beklimt op een avond onverhoeds de tafel, aangelokt door de grote hoeveelheid vliegjes om de lamp, die hij graag eet. En die zich doodvliegen in het licht. Hij komt achter de fles vandaan en de reusachtige mens pakt hem bij een been op: 'Ei, kijk daar eens.'

 'Daar hang je dan voor de ogen van de mens. Elk van zijn tanden is twee keer zo groot als jij!'

 Hannibal ontkomt, maar wel met achterlating van een been. Later meer.

Illustratie

 Het is 1910, mijn grootvader las als jongen gebonden boeken als 'De twee neven' van C.Joh. Kievit, Ik las het hem vijftig jaar later na. Een boek bevatte toen behalve het omslag sierlijke schutbladen en daarna begon het pas, met een illustratie op glanspapier, een titelblad en dan hoofdstuk 1.

 In De twee neven, geïllustreerd door Joh. Braakensiek (1910) is de eerste subtitel 'Een heerlijke middag en een treurige avond.' Hoofdfiguur Arnold gaat 's ochtends met zijn vrienden zwemmen in de plas, maar bij thuiskomst blijkt zijn ouderlijk huis afgebrand, en zijn beide ouders dood.

 Hoe kom ik bij de neven?

 Het nieuwe, monumentale naslagwerk De verbeelders van Saskia de Bodt cs. over meer dan 100 jaar il­lustraties in (kinder)boeken joeg me naar zolder, waar nog een paar kinderboeken van mijn grootvader liggen.

 Die boeken bevatten maar een paar illustratiebladen op glanspapier. Aan elke tekening - vaak litho's - was een onderschrift toegevoegd dat verwees naar een paginanummer en een - vaak dramatische of komische - passage in de tekst. Zodat ik als lezer meteen ging bladeren naar de regel 'Met trillende hand naar den heer Burding wijzende, riep hij met heesche stem "Laat hem vrij. Hij- - is onschuldig. Ik ben de dief.' (bladz. 227)

 En ja, op die pagina krijgt de slechte van de twee neven berouw. En held Arnold gaat vrijuit.

 Een verloren gegane vondst toch, om uit een roman vijf sleutelpassages te lichten en die in beeld te brengen. Meteen begon ik in gedachten dit procedé toe te passen op boeken van nu. Roxy van Esther Gerritsen (bladz. 128): "'Sorry, hoor.' zegt Feike, 'het is echt een griezel.' 'Hij ziet er alleen maar griezelig uit.' 'Hij ziet er alleen maar griezelig uit, hij praat griezelig, hij doet griezelig en hij neukt griezelig. Wat is er dan precies niet griezelig aan hem?'" (bladz. 128)

 Nu zie ik de niet-griezelige griezel.

Breitners Amsterdam (2)

 Rondwandelen door Amsterdam met George Hendrik Breitner. De catalogus van Freek Heijbroek is een goudmijn, geen adres blijft ongenoemd. Breitners cafés? Die Port van Cleve is er nog, net als sociëteit Arti waar ie op eerste verdieping zat te tekenen om de weidsheid van het Rokin te vangen, maar het liefst liep ie schetsend over straat.

 Of zat voor het open raam bij z'n vriend Balbian Verster in de Warmoesstraat 56, wiens kamer aan de achterkant uitzag op de roerige binnenhaven die het Damrak toen nog was. Als het hard woei of regende was ie in 'n element. 'maar kerel zie je dan niet hoe mooi het is?'

 Je moet wel van oorsprong een Rotterdammer zijn die in Den Haag op de academie ging om zo vol verbazing naar Amsterdam te blijven kijken. Ik herken dat. Mijn eerste ochtend als student haalde ik een fles melk. En zag verbluft dat de melkboer een baard droeg. In heel mijn Haagse jeugd was dat nooit voorgekomen.

 Breitner bleef een rare snuiter, net als z'n vriend - tot ze ruzie kregen om een model - Isaac Israëls, die ook uit Den Haag kwam. Hij was verlegen, zwijgzaam. Maar zocht de drukte. Tekende steeds de smoelen, de figuren om zich heen.

 Liefst bij regen of sneeuw. Op een winterse dag toen Balbian Verster naar zijn werk was zat Breitner te werken voor diens geopende raam. Hij had, zo schreef zijn vriend 'de kraag van zijn jas opgezet, want het regende en sneeuwde tegelijk, maar daar stoorde hij zich niet aan. Mijn hospita kwam binnen en begon te klagen over dat hondenweer. Toen werd Breitner werkelijk kwaad. 'Wat hondenweer! Maar het is prachtig, prachtig!'

 Later klaagde ze dat hij geweigerd had de ramen te sluiten en het had laten inregenen.

 Breitner laat de stad zien in z'n smerigheid, zet in z'n composities rustig een 19de eeuws winkelpand vol reclameteksten - allemaal haarfijn genoteerd in z'n schetsboekjes - neer naast de gotische Nieuwe Kerk. En bouwputten, graag, hoe meer hoe beter. Zo doe je het onschilderbaar pittoreske Amsterdam.

de Hoogstraat.. rechts het latere café De Pool.

Breitners Amsterdam (1)

 Je komt buiten uit het stadsarchief en staat in de zelfde stad als die je net zag. Maar er is iets. Of er een vuiltje in je oog zat. Even knipperen. O ja de Noordzuidlijn. Maar deze stad heeft al zoveel Noordzuidlijnen meegemaakt. Breitner hield van sloop en bouw.

 De stad is niet veranderd, George Hendrik Breitner zag hem anders dan de erfgoedfetisjisten. Alles beweegt bij hem, raast en klettert, maakt geluid. De bedrijvigheid van haven en industrie strekte tot diep in de oude binnenstad... laden en lossen, flirten en paraderen.

 Breitner tekende het, fotografeerde en schilderde zonder ophouden, in een roes. Hij maakt de stad in 1900 voelbaar als een levend ding, eigende zich Amsterdam toe. Het tumult van karren met ijzer beslagen, de stank van paardenmest die overal lag - hij kende trampaarden bij naam - eentje heette 'Kist'- en had groot verdriet toen ze weg moesten.

 Rond 1900 is de stad meer op de schop gegaan dan later ooit. Opeens openden zich vergezichten waar de Raadhuisstraat zou komen, of het enorme Wilhelmina Gasthuis.

 Amsterdam is een organisme, waarin generaties elkaar afwisselen. Zo ook die van Breitner en vrienden als Witsen en Isaac Israels. Breitner, de meest Amsterdamse van alle schilders heeft de stad in de ruimte gezet, vanaf eerste etages of liefst hoger bezien. En in het tumult. Als je in het stadsarchief rondloopt hoor je het.

 Wat in het archief het meest raakt zijn z'n schetsboekjes. De trefzekerheid van zijn potlood over dubbele pagina's. Steeds denk je, zou ie dat in olieverf halen? Maar de composities zijn dan weer anders.

 Zou deze expositie ooit in het Stedelijk terecht kunnen? Of het Rijks. En waarom niet? Met die vraag reed ik - in de paardentram - over de Vijzelgracht, langs de bouwputten van de Noordzuidlijn.

Tags: 

Pagina's