Man en stoel

 Zelden zie je een fauteuil in de beeldhouwkunst. Terwijl toch veel mannen vergroeid zijn met hun stoel. Zo dat ze er werkelijk een eenheid mee zijn gaan vormen, zoals eens mannen met hun paarden. Maar zo gangbaar als het ruiterstandbeeld werd zo uitzonderlijk is het fauteuil standbeeld.

 Terwijl er toch al meer dan honderd jaar fauteuils bestaan. Waarvan vele 'vaders stoel' werden. Waarom? 'Hij verdient het geld.'

 Vanmiddag in Diepenheim zag ik behalve gouaches en kleurhoutsneden van Wendelien Schönfeld ook nieuwe beeldjes, gesneden uit lindenhout en beschilderd. Een terugkerend model daarbij is een oudere heer die wel haar vader moet zijn, zittend in een fauteuil. Er is gelijkenis. Ze heeft eens gezegd dat de oudere generatie nog stil kan zitten, wat bij jongere modellen lastig is.

 Het beeldje uit 2012 - er is een eerdere versie uit 2011 waarin hij slaapt - brengt me naar mijn eigen vader, die ook één was met zijn stoel. Ondenkbaar dat een ander het zou wagen daarin te gaan zitten. Zittend in die stoel rookte hij Peter Stuyvesant en las de ‘Nieuwe Rotterdammer’.

 Er bestaat een eertijds beroemde New Yorker-cartoon van een rokende man - Wendeliens vader rookt niet - die met fauteuil en al in een reusachtige asbak is getekend, zodat hij zonder bezwaar van de vrouw des huizes zijn as kan aftippen.

 

Robots op drift

 Onder de kop 'Kunstwerk op drift in de Atlantische oceaan' werd op 9 september jl. bericht over een robot die in de Golf van Mexico werd losgelaten in de Golfstroom. Meteen wist ik: de Nederlandse kunstenaar Lotte Geeven aan het werk.

 Een tweede robot wordt aan de andere kant van de Atlan­tische Oceaan - aan de zuidpunt van Por­tugal - losgelaten in de sterke Canarische Stroom. Ze zijn een meter in doorsnee uitgerust met sensoren onder zeeni­veau. Ze zullen aan hun lot worden overgelaten zonder menselijke interventie. De bedoeling is dat ze mekaar halverwege zullen ontmoeten, puur door de stromingen, de krachten van de natuur.

 Het lijkt onmogelijk. Maar om haar robots een kans te geven heeft Lotte Geeven met vier maritieme instituten gewerkt aan voorspellingen van zeestromen. De oceanografen berekenden de kansen, mogelijke tijden en plaatsen voor een ontmoeting halverwege binnen een jaar van nu.

 Vanwaar deze - al te menselijke - hoop op ontmoeting? Ik sprak Lotte meermalen over de gehoopte ontmoeting die achter het project schuilt. Hoe groot is de kans dat robots elkaar tegenkomen? Ze zijn passief, kunnen niets dan drijven. Ze heeft kunst en wetenschap vaker gecombineerd, bijvoorbeeld in haar samenwerking met Duitse geologen die boorden op grote diepte in de aardkorst. Wetenschap en kinderdroom.

 Dit oceanografisch project is getiteld '127109 & 127110', omdat de beide robots zo heten. Er is een boek, een website waarop hun bewegingen gevolgd kunnen worden in real time, en een publicatie met een reusachtige, handgemaakte zeekaart. Later meer.

Tags: 

De randen van Mark Rothko

 Vanmiddag in Den Haag was het al te druk om te laten gebeuren wat Mark Rothko (1903-1970) voor ogen had: communiceren met een enkele toes­chouwer die voor een enkel - op ooghoogte, je wandelt er in ‑ doek staat. Een doek waarvan een zuigende werking uitgaat.

 Hoe die aantrekkingskracht in de loop van jaren ontstond is in Den Haag goed te zien. Geleidelijk komt Rothko tot zijn begrensde kleurvlakken met diffuse omrandingen, vaak zo gegroepeerd dat er tussen een groter en een kleiner veld een soort horizon ontstaat. De diffuse begrenzingen die hij schildert veroorzaken een zuigkracht, zuigen de kijker zijn wereld binnen. Rothko's werk berust op de manier waarop mensen waarnemen en daarbij horende gewaarwordingen.

 Het was de schilder Ben Akkerman die me wees op het doorslag­gevende van begrenzingen in de schilderkunst: een vlak houdt altijd ergens op, zei hij, moet wel ergens ophouden. En daar gebeurt het.

 Wat Rothko ontdekte is dat je een vlak niet hoeft te laten ophouden bij de rand van het canvas, hij bracht de randen van zijn - levende ‑ vlakken binnen het schilderij. Rothko maakte de rand tot onderwerp. Het verdwijnen in het niets zit bij hem niet meer aan de periferie, maar is het onderwerp geworden. Rothko schildert verdwijnranden. Die herinneren aan de ontdekking van het diffuse kleurverloop in middeleeuwse landschapskunst, waar bruin verloopt naar groen, naar blauw, steeds schimmiger en zo diepte suggereert.

 De psychoanalyse, het onderbewuste van Freud haalde hij er ook wel bij, maar verklaren doet die het Rothko‑effect niet.

 Wanneer Rothko zelf tegen zijn ene toeschouwer zegt dat het hem gaat om een vorm van communicatie, die wat hem betreft religieuze trekjes mag hebben, die ervaart hij bij het maken zelf ook ‑ maar het hoeft niet ‑ dan raakt hij aan de eigenaardigheden van ons waarnemingsapparaat.

 Hij werkt op intuïtie. En spreekt intuïtief aan. Ik denk dat hij zelf niet goed kon bevatten wat hij aanrichtte. Zoals wij ook de herkomst van religieuze gevoelens niet kennen, al vordert op dat punt de genetica.  

 Vanmiddag zag ik mensen het Rothko-effect ondergaan. Maar wat het was dat ze meemaakten? 

 ps. Ik aarzel nog de tombe-achtige, achthoekige kapel die Rothko in 1964 maakte met louter oefeningen in duisternis - waaronder drieluiken - in verband te brengen met de zelfmoord van de 'verdwijnkunstenaar'.  In Den Haag draait een film, waarin de camera er 180 graden rondrijdt. De sterkte van het bovenlicht varieert daarbij langzaam, waardoor de kleuren steeds veranderen. Ik bleef staren.

 

Schrijvers op Kijkduin

 'Maar na een hoeveelheid jenever verstarde hij zozeer, dat hij niet meer te benaderen was en alleen nog maar vriendelijke geluidjes maakte. Op den duur hinderde dit mij nog het meest, geloof ik. Ineens kon ik het niet meer aan. Op een avond ben ik naar hem toegegaan met het jongetje op mijn arm en heb gezegd dat ik weg zou gaan en het kind meenemen als hij niet ophield met drinken.'

 Zo staat het in Leven met J.C.Bloem (1976) van Clara Eggink. Dit speelt in 1931. Zij was toen 25 en hij 44. Er werd gescheiden. Het kind werd toegewezen aan de dichter en een huishoudster. Ze gingen wonen op Kijkdu­in. 'Het huis in Kijkduin was wel Jacques' beste vondst op huizengebied.' 

 Maar Clara moest wel regelmatig bijspringen. De bungalows buiten de stad in het duingebied waren goedkoop te huur. 'Het gevolg was dat er wat uitzonderlijke mensen terecht kwamen Onvolledige gezinnen, zoals men dat tegenwoordig uitdr­ukt, kunstenaars en andere lieden die het met de maatschap­pelijke ernst niet zo nauw namen.'

 Bloem dus, met zoontje Wim. Maar hoe ging het verder met Clara? 'Nu was het noodlot wel een wezen - als je het zo noemen kan - dat altijd een grote belangstelling voor me had. Ik begon me net een beetje te schikken toen het Jan Campert voor mijn neus zette. Nee ik ga niet klagen over mijn tweede huwelijk. Maar de waanzin was het wel. Het heeft ook maar kort geduurd, anderhalf jaar of zoiets.'

 Bloem nam het sportief op, hij mocht Jan Campert wel. Met als gevolg dat er op Kijkduin, Duinlaan 143 - het huis bestaat nog - een huishouden ontsto­nd bestaande uit Jan Campert en Clara Eggink, met twee kinderen: Wim Bloem en Remco, het zoontje van Jan en Joekie Broedelet. En het wordt nog ingewikkelder, tot in mei 1940 het nabije vliegveld Ockenburg werd gebombardeerd en de hele Kijkduinse kolonie z'n huis uit moest. 

 Clara schrijft: 'Ik heb eens gezegd dat er geen onmogelijker eigenschap voor een vrouw bestaat dan het hebben van sex-appeal. Hoe dat nu is weet ik niet precies, maar toen was dat zeker zo. Alle mannen wilden met je naar bed en verder bestond je niet.' 

 Waarom die veel oudere man? Clara Eggink: Bloem was ‘de eerste man die me niet verveelde.’

 En dat terwijl even verderop aan de Noordwijkselaan mijn grootouders - de invalide kapitein - woonden, met mjn latere moeder, mijn tante Be en oom Bob.

Le Grand Cahier

 Wat gebeurt er wanneer je een oorlogsfilm laat beleven door een tweeling? Een eeneiige, die zich door niets ter wereld laat scheiden? Vreemd, wat ze meemaken wordt surrealisme, de oorlog een gruwelsprookje. Was dat de bedoeling van de Hongaarse schrijfster Agota Kristof?

 Het begint met jezelf harden, eerst spelenderwijs. Dan steeds echter. Oorlog oefenen. Slaan, geslagen worden en zo door.

 Die oorlog wordt tegelijk een sprookje. Maar dan als de wrede oerversies van onze sprookjes, waarin geweld overheerst, de Boze Wolf Roodkapje voorgoed verzwelgt en Hans en Grietje worden verkracht.

 Je volgt de vorderingen van de tweeling in hun hardingsproces, aan de hand van hun notities en tekeningen in het Grand Cahier van de oorlog, het boek waarin ze alles vastleggen. De werkelijkheid als een jongetjesland, dat gruwelijk lijkt op wat je elke avond uit Syrië ziet, inclusief de begrijpelijkheid van rechtlijnige redeneringen. De tweelingfiguur blijft daarbij een onwerkelijkheid.

 Het meest absurd is niet een pedofiele Duitse officier maar de sentimenten van de moeder en de vader die hun zoons eindelijk terugvinden bij de grootmoeder waar ze al die tijd ondergedoken zaten. Nee, ze sluiten hun jongens niet in de armen. De logica van dit verhaal zegt dat de tweeling er de hand in heeft dat ze worden opgeblazen, eerst de moeder, later de vader. Het hardingsproces is voltooid. Ze blijven bij oma, 'de heks'.

Orwells dagboeken (2)

 In 1931 was hij 28 en zwierf rond Trafalgar Square in Londen ('het lijk van een stad'), waar hij noteerde wat later zou uitgroeien tot 'Down and Out in Paris and London'.

 Orwell die welopgevoed was en op Eton gezeten had wilde als schrijver weten hoe de mensen leefden. Mijnwerkers bijvoorbeeld of zwervers in Parijs en Londen. Hij deed 'participerend onderzoek'. Een koude nacht in augustus:

 'Er is altijd een aantal prostituees op het plein; dat zijn degenen die geen succes hebben gehad en niet voldoende kunnen verdienen voor onderdak. 's Nachts had een van die vrouwen huilend op de grond gelegen omdat een man hem gesmeerd was zonder haar prijs te betalen ‑ zes pence. Tegen de ochtend krijgen ze niet eens zes pence maar alleen een kop thee of een sigaret. Omstreeks vier uur wist iemand een aantal pakken kranten te bemachtigen, en we gingen met zes of acht op een bank zitten en verpakten onszelf tot enorme pakketten papier en dat hield ons betrekkelijk warm tot Stewart's Café op St. Martin's Lane openging. Bij Stewart's kun je van vijf tot negen op een kop thee zitten (soms delen drie of vier zelfs een kop) en je mag met je hoofd op tafel slapen tot zeven uur; daarna maakt de eigenaar je wakker.'

 Daarna probeert Orwell met een groepje van vier wat te verdienen met hop plukken in Kent. Daar komt veel bedelen bij. En zwerversverhalen:

 'Op zondagen wasten we onze hemden en sokken in de beek en sliepen de rest van de dag. Voor zover ik me herinner, heb ik me in al die tijd dat we daar waren nooit helemaal uitgekleed, ook mijn tanden niet gepoetst en ik schoor me maar twee keer per week. Al die tijd heb ik maar een boek gelezen en dat was Buffalo Bill.'

 ps. Scheren deed ertoe bij het krijgen van werk, 's ochtends schoren zwervers zich aan de fontein op Trafalgar Square. 

Tags: 

Orwells dagboeken (1)

 In 1968 was ik in Bush House, het schipvormig BBC-gebouw aan Portland Place, de plek waar George Orwell in 1941-1943 werkte bij de 'Overzeese Dienst', met als opdracht met radio-uitzendingen de bevolking van India en heel Zuidoost Azië te winnen voor de oorlog.

 Op 10 oktober noteert hij: 'Vandaag werd ter ere van de Chinese revolutie de Chinese vlag op Broadcasting House gehesen. Helaas hing hij ondersteboven.'

 Het gebouw zal me heugen. Alle portiers en assistenten waren oorlogsgewonden, niemand van het lagere personeel liep zonder krukken. De technische installaties waren een wonder van eenvoud: er werd maar met een soort microfoons gewerkt. Ging er eentje stuk dan was er vlug een andere bij de hand.

 In zijn dagboeken, nu verschenen in de mooie selectie en vertaling van - juist gestorven - Nelleke van Maaren, doet Orwell verslag van zijn ervaringen met de Engelse en Buitenlandse propagandamachines. Veel daarvan is terug te vinden in zijn roman 1984 (Big Brother!). Zijn studie van het Stalin-regime leidde tot Animal Farm, zodat kamer 200, waar hij zat, de 'Zoo' werd genoemd.

 Orwell, die eigenlijk Eric Blair heette, was geboren in India, had in Birma gediend en was geknipt voor die baan. Lastig, dat wel, de Indiërs wilden juist zelfstandig worden en van de Engelse koloniale overheersing af.

 En dan de omroep. Op 21 juni 1942 staat er: 'Wat je opvalt bij de BBC - en dat geldt duidelijk ook voor verschillende andere afdelingen- is niet zozeer de morele vervuiling en de oneindige zinloosheid van wat we doen als wel het gevoel van frustratie, de onmogelijkheid om wat dan ook gedaan te krijgen, zelfs geen geslaagde schoftenstreek. Ons beleid is zo slecht omschreven, de ontwrichting zo groot, er zijn zoveel veranderingen van plannen en de angst en haat voor intelligentie zo allesoverheersend dat het onmogelijk is wat voor radiocampagne dan ook te plannen.'

 Toch lukte het hem schrijvers als T.S.Eliot en E.M.Forster bij zijn dienst te betrekken. Tot in 1943 bleek dat de dienst te weinig luisteraars trok.

Tags: 

De ontdekking van het detail

 'Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld' heet wat het Rijksmuseum Twenthe laat zien uit haar eigen vijftiende en zestiende-eeuwse bezit maar vooral dat van het KMSK Antwerpen - waar al jaren verbouwd wordt. Aangevuld met Vlaamse barok uit Antwerpen.

 Vanmiddag negeerde ik het al te bekende overzicht van de contra-reformatie en de aantocht van de moderne tijd en de ronkende annonces van curator Katharina van Cauteren. Van god naar mens, zeker, graag. En koos voor het detail.

 Om precies te zijn de scenes met Maria Magdalena, die geknield het kruis omvat waar haar geliefde aan hangt. Het meest dramatische moment uit het verhaal. Maar ook het eerstvolgende tafereel, de kruisafname.

 In de loop van de eeuwen zie je niet alleen haar rol groeien - van afwezigheid naar een bescheiden terzijde tot stralend middelpunt - ook zie je haar intimiteit met de gekruisigde, de dode, almaar groeien. Waar ze hem eerst nog maar nauwelijks durft aanraken.

 Natuurlijk is de aanloop met de voetwassing van Christus en de zalfpot al welsprekend, maar de omhelzing van kruis en gekruisigde, in allerlei varianten, laat zien hoe schilders en publiek Gods zoon wilden zien: naakt, stervend of dood en omhelsd door het mooie meisje in de duurst denkbare kleren, een prinses in goudbrokaat. De aanraking keert terug in de slotscène met het 'noli me tangere' als hij weer is opgestaan. Ik vertaal maar met 'raak me niet meer aan'. 

 Het is alles menselijk lichaam. Zo kom je zonder veel omhaal van de Middeleeuwen naar de Renaissance.

 Er is in Twenthe een heel mooie Antwerpse van Rubens en Jan Brueghel  waar Magdalena in het vrije veld naast haar dode geliefde ligt. Ze heeft haar lange haren losgemaakt, met beide handen gaat ze er doorheen. En bedekt de dode met haar haren als een doodssluier.

 

Tags: 

Kim Habers

 Wat als een landkaart tot leven komt. Zich verheft uit het vlak en wegen, spoorlijnen, bruggen en viaducten zich in elkaar verstrengelen tot een onontwarbaar, onbegaanbaar land­schap.  

 Zo werken de grote tekeningen en knipsels van Kim Habers, die ik zag op Amsterdam Drawing. Want ze knipt haar kaarten ook gedeeltelijk uit, zodat ze zich letterlijk verhef­fen. Daar is de derde dimensie die je in oude kaarten zo vaak ziet als de Eiffeltoren en de Arc de Triomfe in de str­aten van Parijs getekend rechtop staan.

 Ik zag mezelf - zacht zoemend - op een betegeld trottoir bezig met kleurkrijtjes verkeersknooppunten tekenend voor mijn Dinky Toys. Zoals - sorry - eens de miniatuurspoorbaan van mijn Oom Bob zijn huis overal doorkruiste, door muren heen, zelfs buitenom over het dak. 

 Maar Kim Habers ontstijgt die wereld. Op Internet vind ik foto's van haar instal­laties waarin de netten hele gebouwen overwoekeren. Ook letters en woorden groeien eruit. Daarin lijkt ze op Paul Noble. Aan de stadschappen van Jantien Jongsma doet ze ook denken.

 Maar Kim bouwt niet zozeer steden als wel 'systemen' die op steden lijken. In hun groei overwoekeren ze almaar diepere lagen. Het eind is nooit in zicht. Op Amsterdam Drawing is maar een flard te zien. 

Amsterdam drawing (1)

 Tekenen brengt vaak een lichtheid met zich mee die schilderijen en installaties missen. Alsof olieverf of concept een groter soor­telijk gewicht hebben dat ze omlaag duwt. Losse lijntjes luchten op.

 Geven de kijker de ruimte. Bij Amsterdam Drawing op het NDSM-terrein in Amsterdam-Noord was het ook nogeens onwezenlijk heet, wat gek genoeg hielp. Er komt ook een mooie bak licht van boven. En buiten kabbelt het IJ.

 Tekenaars dus, werkers met krijt en pen of waterverf als Emo Verkerk, Peter Morrens en Marcel van Eeden, Jantien Jongsma en Renie Spoelstra varen daar wel bij. Het idee van losheid, alsof het zo weer uitgegumd kan en weer anders gedaan. 

 Dat brengt, zo lijkt het wel vanzelf grapjes met zich mee. Grapjes met het medium. Zoals bij de onderbroek van Keetje Mans die van de lijn in de taken woei, of de dolende Jan Arends van Verkerk, ernstige grapjes zoals de eilanden van de Japanse Fumito Urabe, waar je geen Robinson Crusoe vindt maar een autowrak.

 Een enkele keer overheerst ernst als die van Ronald Noorman of de jonge Enkhuizenaar Thijs Zweers die in zijn Zero One no. 10 de wereld omkeert. Wat beschadigingen van de voorstelling lijken zijn juist zorgvuldig uitgespaarde plekken wit papier, net niet overgroeid door een enorm, broeierig bosschage.

 Later meer.

Pagina's