Les Revenants

 Wat maakt de serie Les Revenants zo aangrijpend? Omdat - kan het anders? - de serie laat gebeuren waarvan velen, zoniet ieder­een stiekem denkt 'ja, zo is het'. Meteen gevolgd door 'maar het kan natuurlijk niet'. 

 Niet dat de terugkeerders er zelf zo op uit zijn. Als ze terug zijn onder de levenden blijken ze minstens zo onthand als wie ze bij leven nog gekend heeft. 

 De vragen die je je als kijker meteen - zonder het goed en wel te merken - stelt zijn: hoe zou ik zelf reageren als mijn dode geliefde weer aanraakbaar, ongeschonden voor mijn neus stond. En dan, hoe sta ik nu eigenlijk echt tegenover de dood. Of beter, is wat ik erover tegen anderen zeg het zelfde als wat ik gewaarword? Neem ik genoegen met de dooddoener 'je kunt het niet bevatten en dus fantaseer je de dode maar terug in het leven.

 Dat fantaseren is waar Les Revenants op drijft. In zo'n piekfijn opgeknapt dorp in de Haute Savoie is het leven al zo onwerkelijk. Wie kent er wie nu echt? Er lopen al mensen rond die zo op het oog net zo goed levend als dood zouden kunnen zijn. Onmiddellijk als blijkt dat er teruggekeerden opduiken scheiden zich de geesten in ontkenners en aarzelende gelovers. Die mekaar treffen in het plaatselijke hulpverleningscentrum waar ook opgestane doden worden opgevangen.

 De doden als asielzoekers.

 Maar wat doet televisie anders dan - heel bijbels - doden laten opstaan, alle dagen? Dan wordt de stap uit het hiernamaals naar aanraakbaarheid in de huiskamer wel heel waars­chi­jnl­ijk. Een 'je weet nooit' dat in ieders leven - zeker het mijne - heerst. Een opluchting dus dat geen van de teruggekeerden zich iets weet te herinneren van wat ik tijdens hun slaap heb uitgespookt. Hoe ik ze heb verraden. 

 

 

 

Stray dogs

 De zwerfhonden van de filmer Tsai Ming-liang zijn de Taiwanese verworpenen der aarde. Maar deze rebelleren niet. De film gaat over de ijzeren berusting in hun levenslot.

 In deze film is hun beroep het op straathoeken staan met het bord van een makelaar in je handen waarop onroerend goed te koop of te huur wordt aangeboden. Niemand die kijkt, het verkeer raast voorbij. Het regent en regent, zoals in Taiwanese films zo vaak, en er staan veel van die mensen met borden in gekleurde regenjassen, eindeloos dagenlang.

 Hoofdrol Wang - de enige die het niet volhoudt,  van wie je emoties ziet - onderdr­ukt zijn woede met het prevelen en daarna zingen van een Chinees lied uit de keizertijd, over een verloren strijd, waarin de verslagenen zich niet gewonnen geven. Die eindeloosheid is het eigenlijke onderwerp van de film. Zoals het heel langdu­rig staan pissen in het riet of het tot op het allerlaatste botje afkluiven van een kip.

 Het eindigt met een minutenlange slotscène, die alleen kan eindigen omdat de acteurs het decor hebben verlaten. Zodat je overblijft met het 'achterdoek' - een wandschildering van de keienbedding van een rivier. Alles in een nooit afgebouwd huis, aangetast door vocht. Moeder legt de kinderen uit dat een huis een mens is en dat dit huis rimpels heeft omdat het ziek is. 

 Wachten is nog te veel gezegd. Er zou een bus kunnen komen. Hier komt niks en niemand. Een heel mooi niks. Het ontstaat door er heel lang naar te kijken. Je blik gaat het beeld een paar maal rond.. blijft steken.. je versuft. Daarna keer je terug naar de gezichten van de personages... en opnieuw. En weer.

Tags: 

Dank

 De rommelige bijlage die de Volkskrant heeft vernoemd naar een vergeten bergbeklimmer had afgelopen zaterdag een omslag met grauwe fotootjes van wat heette 'Vergeten schrijvers', met op hun kop gezette namen. Vergeten? Door wie? Waarom?

 Niet door mij, ik kende ze allemaal. Vergeten door de markt, leek me. Zoals eens schrijvers als Franz Kafka en John Williams werden vergeten. Ik dank de Volkskrant voor dit signalement van de werking van de markt in de letteren. Dank dus.

 Dit in navolging van de dichter Maarten van der Graaff die voor tijdschrift Tirade een 'Dankwoord' schreef: 'Sommige dichters hebben mij geleerd hoe misselijkmakend poëzie kan zijn. Hoe log en doods.' En hij bedankt de 'zeer geleerde handelsreiziger' Cees Nooteboom voor zijn 'comfortabele gedichten'. En schrijft verder zinnen als: 'Hester Knibbe, ik had uw werk, dat geprevel met die flinterdunne duurzaamheid, niet willen missen. Uw kleurloze algemeenheid die als menselijkheid poseert is adembenemend. Ik heb veel geleerd van de ongemeen brave verwijzingen die uw getrut moeten opleuken: Griekse goden (overeenkomst met vakantie-orakel Cees: het gymnasium heeft de poëzie veel aangedaan), Duino, Het Paradijs.' En komt dan op de gesel van het light verse. Waarna 'Een diepe buiging' voor 'de grootmoefti van de kitsch en ongeëvenaard Europees monumentenzorger Benno Barnard.

 Dan richt hij zich tot 'de bleke harpisten en zachtaardige vogelaars.' In het bijzonder de 'godfather van de wielewaalzoekers' Chris van Geel. En hij besluit met dank aan de winnaar van de Buddingh-prijs Henk Ester voor diens bekroonde bundel 'Bijgeluiden': 'beetje rondhangen, beetje loeren, bij het water, bij een boom, beetje nadenken - hé is dat niet een wielewaal?’

 Van der Graaff is bezig met een roman. Een dankroman?

Omgekeerde tempels

 Onder de kop 'Een oog van water' schrijft Miek Zwamborn in het juist verschenen nieuwe nummer van het Tijdschrift Terras onder meer over de waterputten in de Indiase provincie Gujarat.

 Dit na lezing van Inverse, het fotoboek van Jeroen van Westen waarin ze zijn afgebeeld. Stadsgaten vallen overal. Meest ontstaan door onderaardse waterstromen. Solide lijkt het aardoppervlak, de grond waarop wij staan.

 Miek schrijft: 'In 2010 verdween er 'nachts een naaimachinefabriek in Guatemala City. Een kapotte leiding had de grond onder de fabriek, zonder dat iemand het merkte, maanden, misschien zelfs jaren lang beetje bij beetje weggespoeld waardoor er een holle ruimte onder de fabriek ontstond die het gebouw opslokte.' En ze eindigt haar bericht met 'Misschien is het gat nog steeds een gat, met een hek eromheen midden in de stad.'

 In India zijn gaten tot onderaardse tempels gemaakt. Van Westen fotografeerde de 'stepwells' in Gujarat, waaruit van de zesde tot de twintigste eeuw water werd geput. Je bereikte de bronnen door af te dalen in schitterende bouwsels met vele treden in letterlijk vele verdiepingen. De putten staan nu droog, sinds mechanisch pompen het grondwaterpeil deden zakken.

 Maar nog steeds kun je van de bodem van elke put de hemel zien. En het bijbehorend ritueel is niet weg. Soms sprenkelt men nog melk op de putranden voor de watergoden. Omgekeerde tempels zijn het. Sommige stepwells, schrijft Miek Zwamborn 'lijken gebouwen die op hun kop zijn geland en zich in de grond vastbeten.'

 Ze verzwijgt wijselijk hoezeer deze gezegende plaatsen een seksuele lading dragen. 

Tags: 

Rivalen

 Het is een vrouwenverhaal. Je had Elizabeth en je had Amalia, die eerst haar hofdame was. Wat deden de mannen intussen? Oorlog voeren en als er geen oorlog was jagen. Vanmiddag in het Haags Historisch keek ik uit het raam, en zag de Hofvijver zoals de dames hem in 1621 ook zagen.

 Cherchez les femmes. Er bestond in het Den Haag van die jaren nog een tweede, concurrerend hof - met meer dan 220 man personeel - naast dat van de Oranjes. Dat van Elizab­eth Stuart, de 'winterkoningin', die maar een winter had geheerst over Bohemen en hierheen was uitgeweken. Het petekind van Elizabeth de eerste, getrouwd met de verdreven Frederik van de Palts.

 Maar, Frederik Hendrik liet zich tegen alle regels versieren door een van haar hof­dames, die het hoog in haar bol had. Haar naam, Amalia van Solms. Ze trouwden en het hek was van de dam. Amalia liet zich vorstelijk aankl­eden en schilderen in hermelijn als de vorstin die ze niet kon zijn in de Republiek der Nederlanden. Ambitie, berekening, hysterie.

 Het Haags Historisch brengt deze vrouwenstrijd in de vorm van portretten, in volle glor­ie. Wat droegen ze? Onwaarschijnlijke fan­tasie­kos­tuums. Het hof ging mee, de Haagse decolletés werden almaar dieper. Hoe werd hun haar gedaan. Hoe verfraaiden ze hun behuizingen? Je ziet ze concurreren in kunstwerken, banketten, maskerades en salons. Waarbij ook Elizabeth en oogje op Frederik Hendrik (‘mooi Heintje’) gehad moet hebben. Er zijn prenten met dubbelzinnige grappen waarin de drie biljart spelen. Toen hij op een donderdag was gestorven dineerde ze nooit meer op donderdagen. Na de dood van Frederik Hendrik in 1647 vormde Amalia met Elizabeth - al sinds 1647 weduwe - een ware weduwencult.

 Amalia won, ze was de mooiste en jongs­te, zij het van lagere komaf. Elizabeth bleef wel haar voorbeeld. Amalia poseerde een keer voor Rembrandt maar vond zichzelf te onknap afgebeeld, en Rembrandt kon gaan. Van Honthorst werd – naast Van Mierevelt - haar man, de schilder die vrouwenogen stelselmatig groter maakte en ook voor Elizabeth werkte. Elizabeth, die haarlokken verspreidde onder haar vorstelijke aanbidders. Elizabeth, de intelligentste van de twee, getuige haar brieven en haar geheime, ‘hoofse’ handgebaren op schilderijen. Amalia wist er ook van. In Huis ten Bosch werd pas nog een geheime doorgang ontdekt van haar kabinet naar de Oranjezaal.

 Dit uit de mooie catalogus van Nadine Akkerman.

Johnny's soep

 Oudjaarsavond nadert en daarmee herinneringen aan de jaarlijkse rituele viering bij Johnny en Yvonne van Doorn op Het Laagt 145 in Amsterdam-Noord. Johnny kookte, op het van zijn moeder geërfde Etna-fornuis. Een meesterkok.

 Eerst zijn fameuze soep, daarna wellicht een 'romige piree' of zelf gedraaide croquetten. Het soeprecept was ‘Een oer-mediterrane soep. De Romeinen waren er verzot op. En ´t was ook goed voor de lever.. Je hele fysieke toestand wordt er door beïnvloed. Een soep waar je hooggestemd van raakt!´ Het recept staat in zijn dagboek ´Door de weken heen´ dat hij voor de radio voordroeg, waarna het in druk verscheen. Als volgt:

 ‘2,5 liter water aan de kook brengen, met daarin (schrik niet!) 30 a 40 teentjes knoflook, van de schilletjes ontdaan, plus 4 middelgrote aardappelen in blokjes. Als ´t kookt 2 bouillonblokjes toevoegen; laten oplossen. ‘Echte bouillon’, getrokken van runderpoulet, kan natuurlijk ook, maar bedenk wel dat de knoflook van zichzelf al een zeer sterk aroma heeft.  Het vuur laag zetten, en vervolgens in de pan: ´n miniem scheutje olijfolie, Italiaanse kruiden, 2 kruidnagels, ´n takje peterselie, ´n laurierblaadje, een paar gekneusde peperkorrels, ´n pietsje salie.

 Alles net zolang laten koken (40 minuten) tot de teentjes en de aardappelblokjes zeer gaar zijn geworden. De bouillon door een zeef in een andere pan gieten. De massa die overblijft in de zeef met een vork of lepel fijnstampen, en volhardend dóór de zeef wrijven, waarbij de onderkant van zeef steeds goed moet worden schoongemaakt.

 Tenslotte de soep op temperatuur brengen, wellicht naar smaak zout en peter uit de molen toevoegen en dan bestrooien met pikante gemalen kaas (beslist geen Parmezaanse-uit-een-pakje). Enfin, met stokbrood en een glas wijn erbij, weet je niet wat je proeft.´

 Wij aten. Werd Johnny gevraagd of hij niet ook een kommetje wilde, dan luidde zijn vaste antwoord: 'De kok eet niet'. En schonk hij zich nog een glaasje in.

 Gisteren bij Kunststof op de radio kreeg ik van Yvonne 'Hou contact' de verzamelde verhalen van Johnny van Doorn. Maar daarin ontbreekt dit recept. Vandaar. 

Wachten

 Wolfgang Herrndorf is 46 en zal in 2013 sterven. Ik had hem graag nog een paar dingen gevraagd. Hij noteert in zijn dagboek, op 5 juli 2011 in Berlijn:

 'Wachten. Als je sterft, sterft het bewustzijn. Wat is het bewustzijn? Je merkt het niet. Om het te merken mis je het orgaan. Een paar gedachten, die vergeefs zichzelf onderzoeken, een paar ideeën misschien, grotendeels een ramsjwinkel, het meeste tweedehands.'

 'Ergens een boekhouder, die inventarislijsten schrijft, de steeds weer begonnen en nooit voltooide veiligheidskopie van de hele onderneming, aan vluchtige media, dagboeken, vrienden, floppy discs en stapels papier toevertr­ouwd, in de hoop dat ze op een dag op een gelijksoortig, betwij­felbaar systeem als het mijne onder geruis en geknetter kunnen worden afgespeeld.'

 'De poging jezelf uit te besteden je voort te schrijven, de strijd tegen de tijd, de strijd tegen de dood, de zinloze strijd tegen de zinloosheid van een idiote, bewusteloze kosmos, en met een moker in de geheven hand sta je daar op de bergtop, om de vallende asteroïden nog een keer goed je mening te zeggen.’

 

Geen beer

 Omdat een Verzameld Werk van mijn oude vriend Johnny van Doorn (1944-1991) is verschenen - de chroniqueur bij uitstek van de koude oorlog - zijn vrouw Yvonne en ik uitgenodigd bij Kunststof, morgen op Radio 1

 Zijn verhalen en gedichten zijn er, maar veel kwam ook niet - geen tijd van leven - op papier. Zoals het verhaal over de beer.

 Dat begint met het relaas van een vakantiebaantje in Ouwehands Dierenpark, bij een fotograaf. Waarvoor hij tijdens een hittegolf moest optreden in een berenpak. En zo dag in dag uit op foto moest met de talloze kinderen die de dierentuin bezochten. Een uitputtend baantje, ook al omdat de kinderen er plezier in kregen de beer te pesten en te voeren. Ze kochten bananen en duwden die - voor de foto - naar binnen in de berenmuil.

 Johnny bestierf het daarbinnen van de hitte en moest zich weldra ook voortbewegen in een klotsende hoeveelheid tot moes getrapte bananen. Na een dag werd het hem teveel. Hij kreeg het werkelijk benauwd en vroeg even respijt aan de fotograaf. Dat mocht - even dan - en hij ontweek de drukte naar een stil achteraflaantje in het dierenpark. Daar trof hij een bank waarop hij uitgeput neerzeeg.

 Naast hem zat weliswaar een oud vrouwtje, maar die leek ingedut in de zomerse hitte. Tot ze wakker schrok en naast zich opeens een beer zag zitten. Wat te doen? Johny probeerde haar te kalmeren door voorzichtig, gedempt te zeggen:

 'Ik ben geen beer'.

 Waarmee hij het tegendeel bereikte. Het vrouwtje schrok vreselijk, sprong op en rende in paniek het laantje uit, op de vlucht voor de sprekende beer.

  Het Verzameld Werk is er. En daarmee gaat een wens in vervulling die Johnny zijn schrijversleven lang had gekoesterd. Bij zijn ouders stonden in het boekenkastje achter de glas-in-lood deurtjes maar een paar boeken, waaronder een Omnibus met het werk van Jan Mens. Dat wilde hij eens, ook bereiken: een Johnny van Doorn Omnibus. Hij is er: Droom vrijuit (gedichten) en Hou contact (verhalen). ps. Excuus: de beer is - na de radioversie - wel op papier gekomen, namelijk in het Dagboek 'Door de weken heen'. 

 

Violet

 Een reeks tableaux vivants. Levende schilderijen. Te beginnen met een uitzoom naar wat een verlaten winkelgalerij blijkt, bekeken door bewakingscamera's. Jongeren met crossfietsjes botsen kort met elkaar. Eentje blijft liggen in bloed terwijl zijn vriend Jesse verstard toekijkt.

 Leven blijft tot een minimum beperkt in buitenwijkscènes waar asfalt de villa's scheidt. Je ziet het in de vroege ochtend of de late avond, bij natriumlicht en er gebeurt niets. Een vos vreet aan een afvalzak.

 De moord wordt voor kennisgeving aangenomen door de club terreinfietsers, die gewoon voortgaat met zijn cyclistische bokkesprongen op hun BMX-jes in het bos. Niets van de gangbare emotionele rouwverwerking. Integendeel. De pijnlijkste scene is die waarin twee vuilophalers de enorme stapel onuitgepakte bloembosjes en knuffels opscheppen en wegruimen uit de winkelgalerij waar ze kennelijk al iets te lang lagen.

 In een avondscène zien we de buitenkant van het huis van de vermoorde jongen. Het gezin komt thuis en de lichten gaan een voor een aan. Jesse staat buiten en kijkt vanuit het donker toe. Ik dacht aan de schilderijen van Michael Borremans. In de villabuurt, die ik schat nabij het Brusselse Ukkel, zijn dan al veel witte rolluiken neergelaten tussen de ordelijk met coniferen beplante tuinen.

 De Gentse regisseur Bas Devos wilde zijn verhaal vertellen in stillevens. Dat blijkt te kunnen. Het beklijft.

God

 Op een zonnige zondag zag ik in de Haagse Speenkruidstraat mijn eerste neger. Hij droeg een keurig pak en deed denken aan de Congolese minister-president Loemoemba, die niet alleen zwart was maar - o wonder - ook een bril droeg.

 Ik vertelde het thuis en kreeg te horen dat het 'iemand van de ambassade' geweest moest zijn. Zelden heb ik mijn vader zo verkrampt zien reager­en als op de eerste zwarte meneer die bij ons thuis kwam. Hij sprak Engels, mijn vader nauwelijks. Achteraf werd steeds maar vastgesteld dat hij een keurige man was. Wat er nu aan de hand was met zwarte mensen heb ik niet begrepen. Net zo min als ik begreep wat er grappig was aan de zich als een idioot aanstellende Zwarte Piet.

 Sinterklaas daarentegen was me ernst. Mijn Sinterklaas zag en hoorde alles. Hij ging als een geest door muren en deuren. Hij stond achter je met zijn ruisend gewaad, maar als je je omkeerde was hij er niet. Zijn onzichtbare hand wierp pepernoten, die over de vloer ratelden als stenen.

 Je voor hem verstoppen was onmogelijk, foutloos gedrag onhaalbaar. Zou hij mij straffen? Zijn hele aanwezigheid was al een vorm van straf, die hoorde bij winterse kou, vreemde huiskamers vol hysterische kinderen en kleumen bij optochten. 'Hoor de wind waait door de bomen, hier in huis zelfs waait de wind.' Nog haat ik kinderkoren. Ik had als 4‑jarige wel een Bond tegen het Vloeken willen oprichten. Tegen de blasfemie van oudere jongens, die krijsten: 'Sinterklaas is jarig, zet hem op de pot'.

 Alleen al het aanhoren maakte je medeschuldig. De Bijbelse God, die mij later werd voorgehouden heb ik nooit ernstig kunnen nemen. 

Pagina's