Gips

Andersom leven. De linker en de rechter muisknop verwarren. Broek aantrekken met een hand, links. Tandenpoetsen. Linkshandig autorijden.

 De verwarring begon in het ziekenhuis, waar beneden - eerste hulp - soms niet weet wat boven, röntgen, cardiologie doet. Ik zei nog 'er zijn foto's gemaakt en toen heeft een collega van je in een blauw truitje me hierheen gebracht.' De kleur van truitjes doet ertoe daar, dat weet ik. 'Oh..'.

 Een mooie meneer in bordeauxrood wilde weten welke medicijnen ik gewoonlijk gebruik. Ik zei 'die krijg ik hierboven, zit dat niet in het systeem?' Ik denk dat hij nog systeem-bijles moest.

 De verwarring was natuurlijk begonnen in mijn hoofd, de av­ond tevoren, op de tramhalte. Ik verstapte me en viel. Niet erg. Toch volgende ochtend naar de huis­dokter, die rekte en trok zoals ze later in ziekenhuis ook zouden doen.

 Ik hou van het theater daar, de kostuums, de raadselachtige rolverdelingen. Dokters herken je aan het rijtje ballpoints in de borstzak en de stethoscoop. De witte jas wordt open gedragen zodat de jaspanden kunnen wapperen als ze met gezwinde tred door de gangen benen.

 Maar toen ik tussendoor een halfuurtje lag te wachten op een ziekenhuisbed met de handen achter mijn hoofd kwam er opeens een kleine zwarte man met een massa grijze krulletjes op me af. Hij droeg een witte doktersjas maar daar bij wel tien bontgekleurde kralenkettin­gen. En hij verstelde vaardig het bed zodat ik nu een hoofdsteun had. Later dwaalden er druk redenerende politiemannen door de gangen zodat ik toch ging fantaseren dat de medicijnman een indringer was, die een witte jas had gepikt en nu fijn doktertje speelde.

Orwells moestuin

 Details uit Animal farm (1945) komen direct uit Orwells eigen tuinierservaring. Hij woonde graag buiten, op het laatst op het eilandje Jura, op de buiten Hebriden. Vooral uit geldnood. Daar kon hij dieren houden en groenten kweken.

 Anders dan Maarten 't Hart puur om het voedsel, want hij was arm. en een uitmuntend tuinier, zoals blijkt uit zijn nu vertaalde dagboeken (1931-1949) waarin hij zijn oogsten en opbrengsten nauwkeurig bijhield. (juli 1948): '...eerste erwtenoogst bijna klaar om te plukken. slakroppen goed, koolraap ook, snijbonen niet. Wat het hier nooit lijkt te doen is alles van de uienfamilie. Twee groepen kuikens, 5 van 10 weken & 10 van 6 weken, goede kuikens en heel gelijk van grootte. Varken geboren in maart, een heel goed exemplaar. is bijna helemaal met aardappels & melk grootgebracht, de kuikens met havermout & melk.'

 En nooit schrijft ie over zijn tbc. Behalve: 'zal de komende tijd niet veel in de tuin kunnen doen, behalve wat lichte klussen als snoeien.'

Op het laatst van z' leven werd hij in het sanatorium nog bezocht door oude kennissen uit Londen. 'Nette mensen' die hij in jaren niet had gezien. Vreselijk. Op 17 april 1949 schreef hij: 'Een soort overvoedheid, een stompzinnig zelfvertrouwen, een voortdurend gerol van lachen om niets. En vooral een soort zwaarte & rijkheid gecombineerd met een fundamentele kwaadwilligheid - mensen van wie je instinctief weet, zelfs zonder ze te zien, dat ze de vijanden zijn van alles wat intelligent, gevoelig of mooi is.'

 Op 21 januari 1950 stierf hij op Jura.

Tags: 

Liefde

 Magic in the moonlight, de laatste Woody Allen, is een essay van een 78-jarige over man en vrouw, vernuft en emotie, de strijd der seksen, over lief­de. 

 En heus niet gevoel tegenover verstand, eerder wat ten langen leste blijkt.. hoe de vrouw altijd nog een dea ex machina bewaart, die van buiten het spel komt.

 De vrouw wint genadeloos. Ze overtroeft de cynische illusionist die haar spiritistische gaven doorziet. Haar troef is geen trucage meer, maar dat waar geen man van terug heeft, ernst, liefde, overgave.

 En hij heeft nog wel een tante die als een godin over hem waakt. Dit alles in een gedroomd jaren '20-Europa van kuuroorden, villa's en casino's, waar liefde ongrijpbaar blijkt. Tot ze je onverhoeds - hem zo goed als haar - overmees­tert. En dan blijkt 'het bestaat'.

 Magic betekent in het Engels zowel goochelen als magie. Het was Daniel Kehlmann die in zijn gewaagde roman Beerholm's Vorstellung over een meestermagiër al langs deze grenzen liep. Wie heeft bij momenten niet gedacht 'dat er meer is dan er is'? Woody Allen komt uit bij liefde, als een kwaal die je onder de leden kri­jgt, en die het ongelijk van alle cynici bewijst, alle rationalisten. Allen zegt: heb je geluk geef je dan maar gewon­nen, er is geen kruid tegen gewassen en het zijn de vrouwen die aan de touwtjes trekken. 

 De ontvangst van Magic in the moonlight was fiftyfifty. Een jongere recensente vond het een niemendalletje.

Het raadsel van de kleurenfoto

 Vertel je een droom, dan volgt soms de vraag 'Was het in kleur?' Niet vreemd. Ik herinner me mijn jeugd vooral in zwartwit. Komt dat voort uit het zwartwit van vaak bekeken foto's? Zou het bij in kleur opgegroeide generaties anders zijn?

 Zwartwit werd die tijd. Als er nu kleurenmateriaal van Goebbels opduikt is dat opeens griezelig echt. Wat doen foto’s met ons? De grove korrel gooide er later nog een schep bovenop.

 Kleur was ooit zo bijzonder dat middeleeuwers van heinde en ver naar Chartres togen om op 21 juni om twaalf uur 's middags de zon door het roos­venster van de kathedraal te zien schijnen: 'A­hhhh....' . Pigmenten waren duur, de blauwe lapis lazuli het duurst. En dan kleuren met een lampje erachter. En wat is televisie anders?

 Het blad Kunstschrift heeft nu een heel nummer over kleurenfotografie, 'Modern times' waarin de democratisering van het gekleurde beeld precies beschreven staat.

 Het begon aarzelend in 1907, maar het heeft - ook omdat kleur lang niet op papier afdrukbaar was en niet manipuleerbaar - tot ver na de Tweede Wereldoorlog geduurd voor kleur ingeburgerd was. De tegenwerpingen van kunstenaars en filmers, die nog steeds in zwartwit werkten, zijn achteraf bizar: 'glad', 'schr­eeuwerig­', 'vulgair', iets voor amateurs en de commercie. En dat terwijl schilders juist rond 1900 kleurexplosies veroorzaakten.

 Heilig of ordinair? Raadselachtig waarom het zo lang duurde voor kunstfotografen iets met kleur ondernamen. Dat begon met grote nadruk, kleur als onderwerp, kijk dat rood van Saul Leiter! En het eindigt nu zowat bij mijn kleurloze jeugd. Bij Hans Aarsman, die in dit nummer vertelt hoe hij de kleur overmeesterde, de baas werd, moet je soms opletten anders mis je nuances. Kleur als stadsgedruis dat je niet meer hoort.

 In 1958 gingen kennissen naar de Keukenhof en schoten drie filmpjes vol met wat zij dachten Kodachrome 8mm. Maar eenmaal ontwikkeld kwamen er wel eindeloze bollenvelden terug, zorgvuldig panoramisch en met close-ups, maar helaas in zwartwit. Tja de meneer in de fotowinkel had zich vergist.

 De film werd niettemin aandachtig bekeken en van uitleg voorzien: 'Kijk, dat waren die gele.' Verdwenen, unieke avonden 'Lost and never found' tussen de gordijnen. 

Voordeur

 Een vriendin op huizenjacht bezocht een te koop staand huis. Maar wees het tenslotte af. Nadat ze toch na een eerste bezichtiging positief gestemd was. Waarom, vroeg ik? 'De voordeur beviel me niet. Beetje griezelige voordeur.'

 Ik heb die voordeur gezien en kan niet anders dan haar gelijk geven. Het was een enge voordeur, met zwaar gotisch houtwerk en smeedijzer. Voordeuren wegen zwaar. Als ik voor een voordeur sta, sta ik voor alle voordeuren waar ik ooit voor heb gestaan. Voor een voordeur sta je niet rustig, de eerste keer al helemaal niet. Aanbellen bij vreemden betekent eerst vergewissen.

 Huisluchtjes komen door de brievenbus. Ik kijk naar naamplaatjes. Voornamen stellen niet gerust, evenmin als onbescheiden lettertypes. Wat heeft een voorbijganger er mee te maken hoe je van je voornaam heet? Hoe lang woont hij er al? Hoe verroest zijn de schroefjes. Een voordeur is een visitekaart van hout. De bewoner stelt zich voor met naam, adres, smaak en graad van welstand.

 Er zit een eenvoudige drukbel naast. Goddank geen microfoontje waarin je je naam moet zeggen na 'wie daar'. Mij is geleerd dat te lang op de bel drukken niet hoort. Wanneer iemand dat bij ons thuis deed was het 'jaja, ik kom al, we zijn niet doof'. Het was zaak de knop niet te lang, maar zeker ook niet te kort in te drukken, een krachtig, beschaafd signaal af te geven, een geluid als een geoefende handdruk. Vaste bezoekers waren herkenbaar aan hun karakteristieke belletje.

 Maar ik ben hier voor het eerst. Te kort is zeker ook niet goed. Dan krijg je: 'O, ik dacht dat er gebeld werd, even kijken...'. Maar het ergste is meer dan een keer bellen. Dat mag alleen als er brand is. Zo ben ik vaak, na een mislukt, te kort, eerste belletje waarop geen reactie volgde, bij vreemde huizen weggelopen. Ik herinner me de man die vertelde hoe hij bij kennissen werd opengedaan met de tekst 'O, ben jij het'. Wij werden het er over eens dat dat wel de ergste begroeting was. 'O ben jij het.'

 En dan. Hoe laat is het eigenlijk? Wij spraken af op woensdag. Maar is het woensdag? Was het deze woensdag? Voor een voordeur twijfel je aan alles. Half negen? Half tien? Ik? 

Hoe voelt dat nou?

 Vanmiddag in het Frans Halsmuseum de geschilderde emoties gezien die de Gouden Eeuw ons naliet. Ook toen al moest je aan afgebeelde personages - net als aan die nu op televisie - kunnen zien wat er in ze omging.

 Maar of wat je aan ze afzag in gezichten en houdingen weerspiegelde wat werkelijk er in ze omging? Welnee.

 De sprong naar deze tijd en de obligate vraag 'hoe voelt dat nou?' wordt door samensteller Gary Schwarz spijtig genoeg niet gemaakt. Hij rangschikt keurig onder kopjes als Lijden en Wanhoop, Wellust, Verliefdheid, Liefde, Blijheid en Genot wat er hangt.  

 Rembrandt maakte theater en was populair, over de meester van de introversie Johannes Vermeer had niemand het. Waar haalden de schilders die expressie vandaan? Foto's waren er niet, maar Rembrandt kon zo goed onthouden hoe mensen bij momenten gekeken hadden, zei men. En, er waren boeken met voorbeelden.

 Hoe werkte het toen en hoe werkt het nu? Of je politicus bent of in de sport zit, emotie moet je laten zien. Een avondje voetbal kijken leert je dat er standaardreacties bestaan, op bijvoorbeeld het missen van een kans. Een mengsel van mekaar nadoen en aangeleerd acteren als de armen ten hemel heffen of de handen voor het gezicht slaan. Ik zou beelden willen zien van de gelaatsuitdrukkingen vlak na het fatale moment en het - sociaal gewenste - toneelspel dat daar op volgt.

 De Gouden Eeuw, lang voor Freud, wist nog niet van bewust en onbewust. De ogen waren toen de spiegel van de ziel. De tentoonstelling is een staalkaart van emotionele conventies, die - dat zie je elke dag - voor een groot deel nog bestaan. Je kunt mooi zien hoezeer er ook in emotie modes zijn. Zulke rollende ogen en wijdopen monden zie je niet meer. Zelden zoveel slechte 17de-eeuwse gebitten gezien, meestal vermeed men die. Maar schreeuwen met dichte mond gaat nu eenmaal niet. Het antwoord op de vraag 'hoe voelt dat nou', als je hem zou stellen aan Maria Magdalena, Jacob of Adonis, zou waarschijnlijk zijn: dat vindt u in de handboeken.  

Geisha

 Meer aangekleed dan een geisha kun je niet zijn. Toch, vanmiddag in Leiden in het Museum voor Volkenkunde vergeleek ik ze in gedachten met meisjes in Zeeuwse klederdracht, zoals die vroeger werden opgetuigd, of dames uit de pruikentijd die met hulp van kleedsters in hun hoepelrokken stap­ten.

 Hoeveel kleren kan een vrouw dragen? Majesteiten bezweken onder hun kronen en juwelen. Maar de geisha's torsten ook nog een last aan vaardigheden, ze moesten kunnen dansen, musiceren en converseren, ze waren artiesten. Want, zo wordt je tot vervelens toe verzekerd, hoeren waren ze niet, nee, ze waren gezelschapsdames van de allerbeste soort. Hoeren waren er ook in Japan, maar die woonden strikt gecontroleerd in aparte buurtjes.

 Nu blijft gezelschap toch een rekbaar begrip. In het oude Frankrijk had je cocottes, demi-mondaines, maintenées en wat niet al voor je aan de goot kwam. De sociale lagen schoven dat het een aard had. Ook geisha’s hadden vaak een meneer die ze onderhield.

 Mij boeit hun aangekleedheid. Zo saai als bloot geworden is, zo veel valt er te beleven aan make-up en aankleding.

 De Japanse vormelijkheid wekt daarbij opwinding in de hand. De onberispelijke kimono's, voor alle gelegenheden en tijdstippen, de wit gepleisterde gezichten (uit de kaarslichttijd), de rode mondjes de nuffige smoeltjes. Het ritueel getuigt van een hang naar ‘zuiverheid’, zoals zo mooi beschreven door Patricia de Martelaere in haar naschrift bij Kawabata's 'Sneeuwland'. Een roman waarin de rolverdeling opdrachtgever-gezelschapsdame geleidelijk verandert in een onverhulde liefdesgeschiedenis. 

Erri de Luca

 'Zo laten de bladeren, de haren, de bladzijden, de druppels los.' Schrijft Erri de Luca over weggaan uit zijn geboortestad. Weg uit Napels.

 Hij ging van huis weg op zijn achttiende, per trein. Lees in Tijdschrift Terras zijn 'Napolide'. Een smar­telijk afscheid: 'Ik nam plaats bij het raam en bleef on­beweeglijk kijken naar de processie van mijn afscheid die buiten voorbijtrok. Terwijl ik de stad losliet, kwam ze onder mijn huid terecht, als een vishaak die via een wond binnendringt en door het lichaam reist, om er niet meer uit te kunnen.'

 Ik kan niet lezen zonder me te vergelijken met, te meten aan het beschrevene. Al lezend neem ik dus op mijn beurt afscheid van Den Haag. En door De Luca te lezen word ik de vis die een haak heeft ingeslikt.

 Maar onze wegen scheiden zich. Net als onze metaforen. Ik hield Den Haag altijd onder de leden als een ziekte. Heb er dertig jaar niet durven terugkomen, bang dat om de eerste straathoek een bekend gezicht zou verschijnen, ouder, maar onmiskenbaar. Bang dat ik onder de portiekwoningen weer zou veranderen in wie ik was. Niets om naar terug te gaan.

 Na de huisachterkanten van de Haarlemmerhouttuinen kwam ik tot stilstand onder de stationskap waarop stond Blom en van der Aa. Daarna volgde ik grachten tot ik leerde dat grachten niet de vlugste weg zijn. Piet Koopt Hoge Schoenen hielp me verder. Ik logeer nu een mensenleven in Amsterdam maar thuis heb ik me er nooit gevoeld. Het belangrijkste van mijn Amsterdam is dat het niet Den Haag is.

 En de Luca schrijft - in de vertaling van Annemart Pilon: 'Nooit meer kon ik elders aarden. Wie Napels loslaat laat namelijk alles los: hij heeft zelfs geen spuug meer om zich aan iets of iemand te hechten. het knippen van mijn treinkaartje was als de hevige klap van een deur die achter je wordt dichtgesmeten. Er zat een gat in mij, niet in mijn kaartje.'  

 ps. 'Slachtoffer van een gelukkige jeugd', is een wellicht toepasselijke zin van Willem Brakman.

Tags: 

Wilma

 Carel Willink schreef, in zijn Berlijnse avant-garde jaren (1921-1924). Tijdens zijn dertigjarig huwelijk met Wilma - die in 1960 stierf - nauwelijks meer, zij praatten voortdurend met elkaar. 

 In 1947 is hij voor het eerst in jaren alleen, in Parijs. Bezocht musea, maakte foto's in Versailles om te gebruiken in z'n werk. Hij schrijft nu weer, brieven: 'Je ziet hoe braaf ik je van alles op de hoogte hou. Het is na 9 jaar praten een beetje wonderlijk zo alleen te zijn. Ik heb het eigenlijk te druk om veel te piekeren.'

 Hij bekijkt de 'modeparade op de Champs Elysees'. En verzucht: 'Goddank geen dikke wijven hier.' En: 'Ik heb uiteraard nog maar weinig winkels bekeken, maar alles is inderdaad duur. Je step-innetje zag ik bij Roussel, Rue Rivoli, liggen, het kost f 82,50.' Later koopt hij een grote pot 'Harmonie' voor haar (265 francs, f 6,-). Harmonie, wat zou dat zijn? En nu is het: 'De step-ins heb ik ook iets eenvoudiger gezien, maar een behoorlijk exemplaar kost f 45,-. Ik ben dan ook spaarzaam.'

 Wilma komt uit de verf in zijn beschrijving van een ruzie na bezoek aan sociëteit De Kring waar Carel had geflirt met 'een ondernemende dame'. Dat pikt ze niet: 'De maan werpt zijn volle licht en opeens is daar met kracht de klap van haar paraplu op mijn hoofd.  Het is zomer, ik draag geen hoed, beng. Ze sloeg het regenscherm stuk op mijn schedel. Ze had gelijk. Vrouwen voelen wel wat voor me en dan krijg je dergelijke situaties.' Waarna hij noteert: '...de paraplu was kapot, zo'n opvouwbare, met een leren hoesje eromheen, het was door de veren gegaan. Het had nog twaalf gulden gekost, dat was duur toentertijd.'

 Wilma was modebewust; ze droeg als een van de eerste vrouwen in de stad een lange broek. Haar dood kwam op 25 april 1960: '...we waren naar de damesafdeling van modemagazijn Nieuw Engeland gegaan om nog een nieuwe broek te passen. Ze werd onwel, zoals ze dat daarvoor vaak was geworden.' Eenmaal thuis aan de Ruysdaelkade stierf ze. 'Ze was heel mooi als dode.'

Tags: 

At Tiffany's

 In een uitverkocht zaaltje aanbidsters zag ik gisteren Audrey Hepburn uit haar yellow cab stappen en Breakfast at Tiffany's binnen­gaan. We waren weer in 1961, het omkeerbare jaar waarin de tijd bleef stilstaan.

 Het jaar van – haar na haar - onberispelijk gekapte filmsterren, het jaar ook van Resnais' Marienbad.

 En dan zo’n keurig meisje als Hepburn dat een nukkige, grillige losbol moet verbeelden - een 'wild thing' - met mafiaconnecties, dat niets doet dan rijke vriendjes hengelen. Maar niet heus. Blake Edwards regisseerde een stortvloed leukigheidjes rond een onuitstaanbaar tutje. Zogenaamd uit de provincie. Dat met alles wegkomt dankzij haar hertenoogjes. Ze kan zelfs ongestraft haar poes zomaar ergens uit de auto gooien. Omdat ze een slecht humeur heeft. 

 Kenmerk van Breakfast at Tiffany's is de dwangmatige originaliteit, met elke paar seconden een gees­tigheid of een snedig bedoelde oneliner. Een hoed vliegt in brand op een feestje waar iedereen uitzinnig dronken wordt en alles uit de hand loopt. Maar niet heus. Toppunt van droeve ongeestigheid is Mickey Rooney als Japanner met een voorzetgebitje. En dan moet zich ook nog een romance ontrollen, tot het bittere eind.

 De filmwereld van Blake Edwards bestaat uit verbeten volgehouden onechtheid. Niets is er geloofwaardig, dat is ook de bedoeling. We zijn immers in 1961. Je had 'de film' en die lag mijlenver van de droeve alledag. Het publiek vergaapte zich, zwijmelde. En ging weer de regen in.

 Het wonder van gisteren was dat dat zwijmelen in 2014, nog steeds bleek te bestaan. De film is puntgaaf gerestaureerd. En het leek wel of dat met het publiek ook gebeurd was. Alleen, gelachen werd er niet. Dit was ernst.  

Pagina's