Het naakt na het naakt

 Hoe ging het verder? Michael Kirkham liet me vanmiddag in het Haags Gemeentemuseum bij 'Ontbloot' de kracht van het naakt zien. Naakt voorbij naakt.

 Zo zit ze er bij. Ik noem haar Catatonia. Zie wat ze al heeft uitgetrokken voor ze op de kist plaatsnam. In haast, een spoor van kleren achterlatend. Op de kist ligt haar broekje, in het gras haar riem.

 Schaamhaar scheren, daar is ze voorbij. Naakt van lijf en ziel zit ze op het kerkhof. Naast het graf van wat een dode Duitse dichter moet zijn uit de romantische tijd: Kleinstueber (1778-1843). De naam staat twee keer op de grafsteen. De initialen E.G. er boven. Een niet bestaande naam, zover ik kan nagaan. Letterlijk 'man van een kleine kamer', ja, een graf is een kleine kamer.

 Catatonia is bezig haar T-shirt uit te trekken. Op de kist van? Ja wie? De jongen die in wanhoop over dit meisje de hand aan zichzelf sloeg? Ze zit er als de hond van His Masters Voice, die immers ook op een doodskist zit, naast de grammofoon, en de stem van zijn dode baas hoort. Hoor hem janken. Maar Catatonia geeft geen kik. Wat is ze voor een zielloos naakt. Ga voor het doek staan dan zie je dat er klontjes verf op haar borsten zitten.

 Naakt werkt bij Kirkham anders dan ooit tevoren. Als demasqué. Als afstand doen van niet alleen het mas­ker, maar van het gezicht. Van alles. Overgave. Aan godweet. Aan wat komen zal. Seks? Geweld? Allebei. Je weet het niet. En dat uitlokken door een gespeelde onverschilligheid? Is het wel een houding? Daar blijft de toeschouwer steken.

 Michael Kirkham heeft hem bij z'n kladden.

 Verder is van Kirkham een tekeningenserie The story of Black Glove te zien. Minstens zo gothic. Waarin Catatonia zich laat betasten door een zwarte handschoen, en ons daarbij laatdunkend aankijkt.

Tags: 

Naakt

 Het voetje, de teen. Dat is wat ik op schilderijen van vroe­ger zoek en meestal vind. Net even. Als wenk, als gevallen zakdoekje. Ik lees The Nude van Kenneth Clark, als aanloop naar 'Ontbloot', vanaf morgen te zien in Den Haag.

 Clark onderscheidt bloot en naakt, naked en nude. Het ontklede tegenover, ja wat? Het ideale mensenlichaam, zoals we het sinds die Grieken kenden, totaan Picasso toe. Waar bleef dat?  Wat er van werd zie ik morgen in het Gemeentemuseum.

 Clark schetst satanisch de treurige, vormloze modellen die je te schilderen krijgt op kunstopleidingen. Hoe daar een Naakt van te maken? Net zo gaat het bij mode. Pas op het schilderij zie je hoe een jurk gedragen moet worden.

 En dan de eeuwige hang naar volmaaktheid. Moet de tweede teen echt langer zijn dan de grote teen? Zou het - in onze door hang naar symmetrie verziekte wereld - niet beter zijn een tache de beauté in te schilderen of een scheef tandje?

 Terug naar de teen. Is halfgekleed niet veel opwindender dan naakt? Want om seks gaat het toch? Ik zou weleens onderzocht willen zien wat toeschouwers aantrekt en afstoot, of iets daar tussenin bij Lucian Freud en Egon Schiele.

 Het naakt is niet universeel. De Japanners en Chinezen laten het meer zien als een fact of life, zegt Clark. Het naakt vind je vooral rond de Middellandse zee. Op Etruskische graftomben liggen vrouwen te dromen met hun hand in de schoot.

 Maar wat doet kunst in het gladde pornotijdperk met naakt? Morgen meer.

Tags: 

Hiervoormaals

 Heel precies te weten komen wat er aan je geboorte voorafging. In de hongerwinter, onder studenten aan de Rotterdamse kunstacademie. Dat overkwam schrijfster Monika Sauwer. Ze erfde de brieven, tekeningen en schilderijen die haar ouders maakten in 1944 en 1945, aan de Academie waar ze elkaar leerden kennen.

 Haar latere moeder werd zwanger, wat niet de bedoeling was. Ouders van beide kanten raakten in rep en roer. Hevige familietwisten volgden. Voorjaar 1945 werd er desondanks getrouwd en er kwam een kind. De latere schrijfster. Die kon putten uit een schat aan brieven van alle betrokkenen.

 En zo een nauwkeurig gedocumenteerde roman kon schrijven over wat voorafging aan haar geboorte. 

 Het boek is te bestellen door een e-mail te sturen aan uitgeverij Avanti, yolnus@xs4all.nl

Tags: 

Wachtbereik

 Er bestaan veel misverstanden over ziekenhuizen. In het dagboek van Wolfgang Herrndorf (1965-2013) kun je lezen hoe het er werkelijk toegaat. Hier is hij op weg naar een PET-scan, op 10 oktober 2011 om 7:30, in Berlijn:

 'Opname in Virchow, naar FET-PET. Bureaucratie, nog meer bureaucratie eindeloos ronddwalen. Gebouw 3, Gebouw 2, dan in de lift, op de tweede verdieping de lift uit rechts, daar is een zitje, daar aanmelden. Naam, pasje, geboortedatum, lengte, gewicht, eerdere resultaten, water kunt u nemen. En dan gaat u nu naar de radioloog aan de andere kant van de straat. Daar langs. Nee, daar langs. De hele dag. Voor iemand die zich moeilijk oriënteert een tamelijk probleem. Vijf keer achter mekaar krijg ik uitgelegd aan welke kant van de lift ik moet uitstappen, van waaruit gezien het daar rechts is, tenslotte drukt men voor mij al een keer op de knop met de dubbele 0 en draait me aan de schouders in de goede richting. Goedendag dokter J., goedendag. En daar wacht u.

 Wachtbereik PET-CT

 Radiologisch Centrum

 Brandweer!

 Gevarengroep I

 Opslag radioactief afval met koelcel

 01.01.25

 31,41 m2

 Ontroking Installatie 9.

 Lijkenkoelruimte K-138

 Ruitje inslaan

 Knop diep indrukken

  Terwijl de radioactieve oplossing in me binnenloopt zeg de vrouwelijke arts allerlei hoopvolle dingen. Ik sla imaginaire insecten van me af, niks hoopgevends alsjeblieft, anders verlies ik mijn evenwicht. Ik heb me in de ellende geschikt en weet wat het is. Dat ziet toch iedere leek.'

 Er zal een tweede operatie komen. Herrnhof moet nu terug naar de aanmeldingsbalie, dan naar cardiologie. 'Op nog ongeveer vijf verdere plaatsen naam, leeftijd, lengte, gewicht en eerdere resultaten. Twee uur wachttijd voor de anesthesie, we staken juist.'

 En dat is nog maar het begin. Het dolen wordt een lied, een gedicht. En dan, na zo'n dag als patiënt, maar zien dat je de uitgang vindt: 'Men moet zich door de lelijke rode prentjes niet in de war laten brengen, de goede zijn de lelijke oranje.' Kort daarna volgt de tweede operatie aan zijn hersentumor. Intussen, de uithoeken van de geest.

 Er is, hoor ik van Eddy Bettens, een Nederlandse vertaling: Leven met het pistool op tafel, van Pauline de Bok, uitgegeven bij Cossee. 

Party girl

 Van jongsaf kun je het zijn. Een blingbling meisje. Het wordt je leven. Nachtclubdanseres, animeermeisje. Geen andere ambities. En op een dag, zegt men, ben je er dan te oud voor. Je verliest je looks. Je wordt tragisch.

 Maar wat als je de vijftig ver voorbij nu niet ophoudt 'Party girl' te zijn? Angelique probeert in de film die zo heet serieus te ontkomen aan het lot, ze trouwt in grootse blikkerstijl met ex-mijnwerker Michel. Maar het wil niet. Er schuilt geen huismus in haar.

 In zijn klassieker Last exit to Brooklyn laat Hubert Selby het gruwelijk aflopen. Maar in de Franse film Party girl is het meisje al moeder van vier volwassen kinderen, waarvan er een, Samuel Theis, deze film heeft gemaakt in het Frans-Duitse grensgebied van Lotharingen, niet ver van Saarbrücken.

 Iedereen speelt daarin zichzelf. Wat flauwekul en valse sentimenten buiten houdt. Want de wereld van blingbling is ook keihard. En wat Angelique doet is leven zoals zij het wil. Aan het eind zie je haar in het kortste rokje, buik en al, het avondlijk asfalt afstruinen. Op weg naar haar laatste party.

 Tragisch? Misschien, omdat ze de keus voor een o zo verstandige huwelijk meteen naar de bliksem hielp en kiest voor wat niet kan.

 Maar haar filmende zoon geeft zijn moeder gelijk. Ze kan niet anders, dit is ze. 

Acedia (1)

 'Er loopt een trap de zee in

een golf slaat over een trede'

 De regels van Erik Lindner komen vaak met z'n tweeën. Ook in z'n nieuwe bundel Acedia, genoemd naar de zevende hoofdzonde, die van wat heet de gemakzucht ‑ traagheid ‑ luiheid ‑ vadsigheid.

 Erik Lindner is uitzonderlijk oplettend, opmerkzaam. Wat hij noteert heeft een eigenaardige eigenschap die alleen hem kenmerkt. Het is het haarscherp onderscheiden van momenten waarop niets overgaat in iets. Of omgekeerd. Aan de rand van de luiheid, daar gebeurt het. Tussen de gebeurtenissen en dan tussen zijn dichtregels:

 'Een plastic zak schuift van een boomtak

 

en daalt op de markt waar een meisje

hurkend het haar borstelt

de sleutelhanger in de mond houdt

de baard van de sleutel prikt haar kin

 

op het podium boeketten in een emmer

 

twee benen naast elkaar, de een

meer opgetrokken dan de ander

 

de zwarte vogel op het grasveld

naast een pol lange donkere sprieten

 

een herder leunt met zijn kin op zijn stok

terwijl de kudde om hem heen dromt.'

 

 Drempels, daar verkeert Erik Lindner. Je zou Acedia een studie in halverwege kunnen noemen. Waar een onbenoembare spanning heerst. Die hij in beelden, in scenes vangt. Caleidoscopische reeksen daarvan, alle verwant. Zo bezien is de stad Charleroi, waarover hij een cyclus maakte een groot halverwege. Wat zou daaraan zondig kunnen zijn? De broeierigheid van de eeuwige aarzeling denk ik. De niet ophoudende verwachting, het verlangen naar het andere. Zonder er toe te komen. Evenwichtskunst.

 Een regel zegt het onverbloemd: 'Getuigen op de drempel we zijn/ de kaars die brandt bij klaarlichte dag'

Tags: 

Atelier als kunstwerk

 Behalve naar uitblinkers ben ik op de jaarlijkse Open Rijksacademie op zoek naar windrichtingen. Die zijn er altijd wel. Sommigen hebben zich ergens in vastgebeten, maar de meesten zijn nog zoekende. Steeds vaker is is dat ook hun onderwerp. 

 Aan media valt ook nu weer niet te ontkomen, ook niet aan apparatuur. Nog minder aan filosofie. Daar komen mediaspelletjes van als bij Shigeo Arikawa, een Japanner die het greep krijgen op de wereld letterlijk laat zien als een circus van handen die het oog van de ander tussen duim en wijsvinger nemen. Het meest trof me Em'kal Eyongakpa, een sjamanenzoon uit Kamer­oen. Zijn 'Brieven uit Europa' zijn geestig en triest. Dat kan er gebeuren als een onbevan­gen Afrikaan in de eigentijdse Westerse kunst verdwaalt. Kunst? In lijsten? Installaties? Ooit zoiets dwaas gezien.

 Zoekende? In de kunst 'onderzoekt' iedereen tegenwoordig wel. Deftig hoor. Maar dit jaar zag ik toch vooral zoekers. Ze lieten ook vaak gewoon hun ateliers zien, als stapelingen van probeersels. Ruw materiaal, gereedschap. Techniek, die ook weer onderwerp werd. Projectoren, snorrende lo‑fi apparatuur.

 De overschatte Duitser Felix Burger dreef dit tot het uiterste. Hij had zichzelf gefilmd in een oerwoud van draadjes en techniek, waarvan de functie zoek was. Het atelier als kunstwerk, dat was de trend. Beetje armoeiig.

 Een kleine minderheid schildert. Zoals Jisan Ahn uit Zuid‑Korea, die een puntgave voet á la Ina van Zyl neerzet naast een konijn van klei. Of de zeilschepen van de Fin Jouni Toni, niets dan zeilen.

 Maar de verwarring triomfeerde. Ik ging naar huis met een passend antwoord: de rozen-installatie van de Amerikaan Nathan Azderian, een schitterende pastiche van rozen en spiegels. Ver voorbij welke smaak dan ook.

Fremdhaus

 Als een bed een koets kan worden. Als de berijdster vanaf het voeteneind haar zweep legt over de paarden. Als deuren en vloeren misleidende verten openen. Als interieurs kortom verhalen aandragen. Dan ben ik thuis.

 Binnenhuisjes van de eigenaardigste soort zijn uit het samen­wonen van de schilders Andrea Freckmann (Dortmund, 1970) en Theun Govers (1976) ontstaan. Vloer‑ en wandbedekking - van Govers ‑ zijn er even buitenissig als wat de personages uithalen. Er is in de galerie ook letterlijk een afgetrapte kamer ingericht, met een schemerlamp en schilderijtjes aan de wand. Op het lage tafeltje met drie schuine pootjes ligt - o wonder - zelfs een authentieke viewmaster, geladen met tableaux vivants, door de schilders opgevoerd in een ernstige verkleedpartij met kleren uit de collectie van het Haags Gemeentemuseum. Een voorstelling in de voorstelling!

 Het zijn de Duitsers die sinds Matthias Weischer het interieur als onderwerp openden. Die sinds Daniel Richter de weg vrijmaakten voor dierfantasieën

 Andrea Freckmann schildert voorstellingen vol details die haar verhalen naar alle kanten uitbreiden. Kamerplanten woekeren. Hertenkoppen kunnen ornamenten aan de wand zijn terwijl beneden ze een verbaasd hert passeert. Vaak is er visite, maar dat kan ook zijn van overleden voorouders. Er wordt gegeten van overdreven Delfts blauw en Freckmanns vrouwen - nogal eens opgewonden - gaan sexy gekleed, met veel nadruk op kouspatronen.

 Je krijgt nogal eens de indruk dat ze scenes uit haar leven schildert. Die Theun Govers in zijn interieurstudies een dubbele bodem meegeeft. 

 Fremdhaus is een verzonnen woord, afgeleid van Fremdkörper. Een ideale omschrijving van de voorstelling die je in de Haagse Herdersstraat te zien krijgt bij de galerie van Maurits van de Laar.

Anneke Brassinga's ontsnappingen

 'Wat niemand weet, zei hij, is dat de taal,

abstract van aard, uitsluitend zich bekommert

om zichzelf, zoals miraculeus geopenbaard wordt

zodra iemand maar wat kletst omwille van

 

 de conversatie - dan knikkeren de woorden

in hun eigen ongehoorde glans

om bovenaardse buit en laten zich

daarbij door ons gepondereer niet storen.'

 

 Zo eindigt het gedicht Het ware leven in Anneke Brassinga's gisteren gedoopte bundel Het wederkerige.

Woorden gaan op de loop. Met wat?

Zichzelf. Ons achterlatend.

Toch, ze vangt er wat. Doet ze in een jampot.

Dat gaat niet zonder wellust.

Het gedicht begint met de strofe:

 

 'Hoe mensen erin slagen vast te houden aan

de nergens op gestoelde onderstelling dat zij spreken

om belangrijke, zinvolle zaken bij te dragen

vond Novalis al in 1797 bewonderenswaard.'

 

  Zo ontsnapt dit gedicht. Op sleeptouw genomen door het werkwoord 'pondereren'. Waarvan de betekenis zich raden laat. Het gaat om overwegingen van gewichtige aard. 

Malaparte in de Metro

 De schrijver Curzio Malaparte (1898-1957) – bekend van de oorlogsboeken Kaputt en De huid - kwam in 1947 naar Parijs en zag de ontreddering. Dit voorval noteerde hij in de Metro, bij Concorde. Er sterven nog steeds veel mensen op straat. Er valt een man. Niemand reageert.

 'Hij zijgt zacht ineen, zijn hoofd tegen de muur van glanzend majolica, hij kijkt me met weggedraaide ogen aan. Rood kwijl loopt naar buiten. Hij is ten prooi aan een gruwelijk trillen waar ik niet naar kan kijken. Ik kniel bij hem neer, leg zijn hoofd in mijn schoot, knoop het boordje van zijn overhemd open. Hij neemt opeens mijn hand tussen zijn tanden, begraaft zijn tanden in mijn vlees. Ik zeg tegen de mensen die zonder omkijken passeren: "Dames en heren, help mij."  Niet een blijft er staan, zonder omkijken trekt de menigte in de lange gang voorbij.'

 Malaparte schetst de Parijse menigte: 'Val nooit op straat, op het trottoir, om zes uur 's avonds'. Heb nooit hulp nodig op straat om zes uur 'avonds. Niemand zal u helpen. Iedereen zal u vertrappen, platdrukken, zal omkijken en zeggen: Wat doet u daar midden op het trottoir. Je valt niet midden op het trottoir. Schande." Als u een vreemdeling bent, zal de menigte u aankijken, u "die vuile vreemdeling!" noemen.

 Tenslotte doen twee matrozen wat hij beveelt. Ze trekken de man aan zijn benen.

 'Met een ruk haalt de man zijn tanden uit mijn vlees, hij laat zijn hoofd hangen. Ik zie dat zijn tong helemaal opgerold is zodat hij bijna stikt. "Geef me uw sigaret," zeg ik tegen een van de matrozen. Met de gloeiende kegel van de sigaret brand ik het onderste van de tong van de man. Ik ken de methode. Het is de enige methode om hem zijn tong te laten ontrollen.'

 Malaparte heeft in de oorlog in Polen, Oekraïne, Roemenië geleerd hoe je voorkomt dat iemand stikt in zijn tong.  Zijn Dagboek van een vreemdeling is nu in Privé-domein vertaald weer door Jan van der Haar.

Tags: 

Pagina's