Baudelaire en de duivel

 Hij stierf op zijn 46ste. Van wat hij nog wilde schrijven hebben we alleen aantekeningen. Maar er valt veel te raden voor wie 'mijn hart blootgelegd' leest:

 'Ieder mens belichaamt op elk moment twee gelijktijdige smeekbeden, de ene gericht tot God, de andere tot Satan. Het aanroepen van God, of spiritualiteit, is een verlangen om op te klimmen in rang; het aanroepen van Satan, of dierlijkheid, is een lust af te dalen, in verband te brengen met deze laatste drijfveer zijn liefdes voor vrouwen en vertrouwelijke gesprekken met dieren, honden, katten enz.'

 Zo kom je bij zijn afkeer van de weldenkende, ‘sociale’ schrijfster George Sand, die het geloof in de Hel wil afschaffen, waar Baudelaire – net als zijn vriend Félicien Rops - juist zo aan verknocht is.

 'We moeten niet denken dat de Duivel alleen geniale mensen in verzoeking brengt. Weliswaar minacht hij imbecielen, maar hij versmaadt hun medewerking niet. Integendeel, hij verwacht heel veel van hen. Neem George Sand. ze is vooral, en meer dan wat ook, een onnozel schaap; maar ze is bezeten. De Duivel heeft haar wijsgemaakt dat ze moest vertrouwen op haar goede hart en haar gezonde verstand, zodat ze alle andere onnozele schapen kan wijsmaken dat ze op hun goede hart en hun gezonde verstand moeten vertrouwen. Aan dat stompzinnige schepsel kan ik niet denken zonder een zekere rilling van afgrijzen. Moest ik haar tegenkomen, dan zou ik haar vast een wijwatervat naar haar kop slingeren.'

Tags: 

Baudelaire's flitsen

 'Mijn hart blootgelegd' heet de bundel aantekeningen van Charles Baudelaire (1821-1867) - net vertaald door Rokus Hofstede - waarin de dichter van de Fleurs du mal en Het spleen van Parijs zich laat kennen. Soms in korte ‘flitsen’ als deze:

 'Zoeven nog vroeg hij haar toestemming om haar been te kussen, en hij maakte van de gelegenheid gebruik om dat mooie been te kussen in een dusdanige positie dat de omtrek ervan zich scherp aftekende tegen de ondergaande zon.'

 En dan: 'Snoezepoes, poesje, poetje, m'n puppy, m'n rekel, m'n apie, ouwe aap, ouwe slang, mijn weemoedig ezeltje. Zulke al te vaak herhaalde taalgrillen, zulke al te frequent dierlijke troetelnamen getuigen van een satanische kant in de liefde; nemen satans niet de gedaante van dieren aan? De kameel van Cazotte - kameel, duivel, vrouw. Een man gaat naar de schietkraam, vergezeld door zijn vrouw. - Hij legt aan op de pop en zegt tegen zijn vrouw: 'Ik stel me voor dat jij dat bent.' - Hij doet zijn ogen dicht en schiet de pop neer. - Dan zeg hij: 'Lieve engel, wat ben ik je dankbaar voor mijn behendigheid!'

 'Wanneer ik alom weerzin en afgrijzen heb gewekt, zal ik de eenzaamheid hebben veroverd. Dit boek is niet gemaakt voor mijn vrouwen, mijn dochters en mijn zusters. - Van die dingen heb ik niet veel. Sommige huiden zijn zo pantserachtig dik dat er aan verachting geen plezier meer te beleven valt. Veel vrienden, veel handschoenen, - uit angst voor schurft. Zij die van mij hebben gehouden waren verachte mensen, ik zou ze zelfs verachtelijke mensen noemen, als ik de nette mensen per se naar de mond wilde praten.' 

Tags: 

Ruud Kuijer aan Zee

 In Beelden aan Zee wezen kijken naar wat geweldenaar Ruud Kuijer - de man van de kolossale 'industriele' Waterwerken langs het Amsterdam-Rijnkanaal - nu weer heeft uitgehaald. Ik leerde hem daar kennen. Wat hij maakt komt voort uit de omgeving. Altijd buiten. Nu aan zee.

 Ruud Kuijer (1959) heeft in het duin aan de zeekant van het museum drie manshoge beelden neergezet die een soort estafette doen: Van staffetta (ijlbode in het Itali­aans) is dat woord afgeleid.

 Zoals altijd bij hem zitten er openingen in zijn sculpturen, maar nu is er een logica in de rij van drie, want wat in de ene een gat is wordt in de volgende volume. Het stokje wordt doorgegeven, inderdaad. Ga kijken. Verder heeft hij de golvende vormen van water, duin en zand gebruikt. Zoals hij in Utrecht de materialen van het industrieterrein gebruikte.

 Op de binnenplaats meer typisch Ruud Kuijer: betonnen afgietsels van een halve badkuip en een schelpvormige zandbak. Maar je komt ook kleiner spul tegen in het beton:  wegwerpverpakkingen, hamburgerbakjes, shampooflessen. Aaneengekit en gegoten in mallen.

 Als verrassing is er ook iets zonder titel in schroot (uit 1996) dat me hevig doet denken aan Ijzeren Dichter Theo Niermeijer, die me ooit zo'n werk cadeau deed, dat ik koester.

 Als iemand kunst en omgeving zinnig bijeen weet te brengen is het Ruud Kuijer. 

Tags: 

Byron en de olifant

 De dichter Lord Byron was de begaafdste briefschrijver van zijn tijd. Er stak een moderne verslaggever in hem - net als in Kafka, diens Vliegtuigen in Brescia indachtig. Op 6 april 1819 deed Byron aan z'n vriend Hobhouse verslag van dit voorval in Venetië, waar Oostenrijkse troepen de baas waren en waar hij toen woonde. Het was in die jaren mode om wilde dieren te houden op de binnenplaats van je palazzo. Zelf hield hij apen.

 'We hadden veertien dagen terug een duivelse rel met een losgebroken olifant - hij vrat een fruitstal leeg - doodde zijn oppasser - brak een kerk binnen - en werd tenslotte gedood door een kanon dat gebracht was uit het Arsenaal. - Ik zag hem de dag dat hij losbrak uit zijn hok - hij stond aan de Riva (degli Schiavoni) en oppassers probeerden hem met groenvoer over te halen aan boord te gaan van een soort ark die ze hadden. - Ik kwam vlak bij hem in mijn gondel en zag hoe hij zich amuseerde met het in het water gooien van allerlei balken. - hij was toen niet bijzonder boos - maar tegen middernacht werd hij razend en gooide alles om wat op zijn weg kwam - Alle musketiers stonden machteloos  - & toen hij de Oostenrij­kers aanviel lieten ze hun musketten vallen en renden weg. - Tenslotte kwamen ze met een kanon, het eerste schot miste hem, de tweede kogel drong hem van achteren binnen - & kwam naar buiten met alles behalve de huid van zijn schouder, - de volgende dag zag ik hem dood, deze ontzagwekkende kerel. - Hij was gek geworden van verlangen naar een vrouwtje, dit is de bronsttijd.' 

Tags: 

Stoof

 Stel je voor, je zit met een gezelschap kameraden en hoeren in een warm reuzenbad, eten en drinken is er in overvloed. Geen fabeltje, het heeft bestaan en heette 'stoof'.

 Ik kwam erop door een afbeelding in het Brusselse Stadsmuseum het Broodhuis, op de Grote Markt. Wat opvalt is de gezelligheid, het laten varen van de privacy. Zoals ook in hotels tot in de 19de eeuw de gasten gezamenlijk aten aan de table d' hôte en vaak bedden deelden.

 Natuurlijk stamde het idee uit het Midden-Oosten en werd het door Grieken en Romeinen overgenomen. En vanzelf verwerden badhuizen vaak van hygiënische ondernemingen tot bordelen. Maar denk je in, wassen was in Middeleeuwse steden ook hard nodig, fris water schaars. Riolen bestonden nauwelijks, waterleidingen amper. Kippen en varken scharrelden overal rond, insecten, muizen, ratten. Baden was geen luxe. 

 Vandaar de Stoofstegen of Stoofstraten die je in Vlaamse en Nederlandse steden nog terugvindt. In Aalst, Antwerpen, Gent en Mechelen vind je ze, net als in Amsterdam. In Brugge dateert de oudste van 1303. In grotere steden had je er tientallen. Meest dicht bij een fontein of het waterhuis. Sommige alleen voor mannen, andere voor vrouwen, maar de gemengde stoven trokken het meest. Criminaliteit hoorde er bij. Eind vierde eeuw verbood de Kerk al het gemengd baden. Uit de Gentse stadsarchieven blijkt dat er in 1479 maandelijks zo'n 140 misdaden in stoven plaatsvonden.

 En nu? Zou er ergens nog zo'n combinatie van een bad, een restaurant en een bordeel bestaan. Ik gok op Rusland. Pieter Waterdrinker?

Tomas en Alice

 In zijn meesterlijke gedicht 'De kindertijd van Alice', net verschenen in de Revisor, brengt Tomas Lieske zijn omgang met de spiegel onder woorden. Hij probeert Alice te bereiken, te worden, daar aan gene zijde. Maar wat hij ook verzint, niets lukt. Tenslotte steekt hij zijn tong uit. En proeft glas: 

 Nog nooit in Wonderland geweest en dagelijks 

kniel ik voor de spiegel op de schouw 

om te zien of ik niet lelijk word, 

geen hoedjesharen krijg, geen hijskraanneus, 

of er een gummidopje groeit, rijpe bulten 

en melkplopje, een bloedvulkaan, 

hoe ik kikkerbekken trek en met mijn ogen 

ernstig naar een betoverd leven kijk. 

Tegenover mij zit dat onzeker kind, 

een eenzame gelijke die nooit 

vanzelf spreekt, altijd overgehaald moet 

worden. Is zij plat vlak ondanks alles wat 

afstand en diepte heeft zoals ik duidelijk zie? 

Of kijkt zij naar mij en ben ik plat? 

Ik heb getracht het meisje in de spiegel 

te versieren, een roos boven haar hoofd 

maar zij gaf alles terug, tot de haring 

die ik naar haar smeet, tussen ons in 

met bolle ogen naar beneden gleed, 

de tong die ik uitstak tot ik haar tong 

koud raakte, naar glazen tanden smaakte.

Tomas Lieske komt uit Den Haag (1943). Zijn laatste roman heet Door de waterspiegel (2014), zijn laatste dichtbu­ndel Haar nijlpaard optillen (2012). 

Tags: 

Heelalmeisje

 Je hebt heelalkinderen en kinderen - en volwassenen - die 's nachts nooit omhoog kijken. Het Iraanse schoolmeisje Sepideh is er zoéén. Ze schrijft brieven aan Einstein. Die in Iran wel toegelaten zal zijn, zoals ook kernfysica. Brieven aan Darwin zouden denk ik moeilijker liggen. 

 Voor Sepideh is het uitspansel een bron van hoop. Daar komt ze tot rust, verlost van de stress van een wereld waarin vrouwen totaal afhankelijk zijn. Ster­renkunde is in Iran iets heel anders dan hier, in het bij­zonder voor zwart gehoofddoe­kte meisjes. De Deense Berit Madsen maakte een documentaire over haar.

 In de Iraanse film heeft onderwijs altijd een streepje voor. Toch is het een wonder dat de ayatollahs niet zien dat sterrenkunde een concurrent is van het Islamitisch daarboven. Gali­leo en Copernicus worden voortdurend aangehaald. Maar de dorpsster­renwacht van meneer Kabiri, die de jeugd enthousiasmeert voor sterrenkij­ken zal nooit afkomen. 

 Sepideh wordt gebeld door Anousheh Ansari, de enige Iraanse astronau­te en barst in tranen uit. Dat is wat ze wil. Daarheen, weg van hier. 'Reaching for the stars' is subversiever dan het lijkt. 

Militair

 Het Oorlogszakboekje van mijn vader - lichting 1935 - vond ik terug. Met erin het zinken plaatje dat hij, als elke militair, om z'n nek moest dragen voor als ie sneuvelde.

 Dat kon. Zijn neef Willem Bierens- ook bij het regiment Wielrij­ders - werd bij Dordrecht neergeschoten. In het boekje staat ook wat te doen met krijgsgevangen. Mijn vaders wielrijderseenheid maakt er een, in mei 1940, bij Pijnacker, een Duitse parachutist. 'Een dure jongen'.

 Veel valt dezer dagen tezamen. Eergisteren zag ik in het Haags Gemeentemuseum de installatie '25 jaar later' van Vojta Dukat met ongemon­teerde films, gemaakt bij het vert­rek - per bus en trein - van de laatste Russische leger­een­heden in 1991 vanuit Tsjechoslowakije - bij de grens met Oekraïne. Een film die ik maar bleef bekijken, om de gezichten, de stomperige camaraderie, de onzekerheid. Naar huis. Maar dan? 

 Ontwik­keld nota bene met hulp van het Haagse Foto van Puffelen, dat ik zo goed ken van mijn gezins-vakan­tiefoto's. Hoek Laan van Meerdervoort-Appelstraat. Russische troepen staan nu bij de Oekraïense grens. Dezelfde jongens. Ze dragen vast ook van die plaatjes. 

Wunderkinder

 Hoe Duitsland zichzelf weer opbouwde, het Wirtschafstwunder en er trotse grapjes over maakte in de film Wir Wunderkinder. In het Haagse fotomuseum gaat het over 'de stad', thema waarmee je alle kanten op kunt. Maar het opent met de foto's van Karl Hugo Schmölz van het nieuwe, na-oorlogse Duitsland.

 Gek genoeg exposeert Marcel Van Eeden in het ernaast gelegen GEM zijn tekeningen, waarin juist deze esthetiek overheerst. Esthetiek van de dood, denk ik stiekem.

 Ik bezocht in 1969 het door Schmölz geportretteerde, nagelneue Funkhaus van de WDR - tussen het station en de Kölner Dom - en bezichtigde de montagekamer waar Herr Tonmeister geluidsband sneed, net als in Dr. Murkes Versammeltes Schweigen van Heinrich Boll. Betonbouw, met interieurs van schrootjeswanden en trappen­huizen - Schmölz is trappenhuizengek - met overlopen en talloze hekwerken van fantasiestaal en koperglanzende aluminium balustraden. Marmer en parketvloeren in de afwerking. Je ruikt de boenwas.

 Hier en daar torent een vroege reuzenpotplant in een fantasiebak.

 Het lijkt of architect en fotograaf de nieuwe tijd bezingen, maar dat is schijn. Schmölz' vader werkte als fotograaf voor de Nazi's en wat Nazi-Duitsland ook was, toch ook erg 'jong' en 'modern'.

 In Kassel logeerde ik vorig jaar nog in het Parkhotel (nu Daysinn) waar dit alles perfect gerestaureerd voortleeft. 

Vanitas?

 IJdelheid der ijdelheden. Gedenk te sterven. Vanitas, een onuitroeibaar thema in de kunst. En nooit heb ik er iets van begrepen. Over mij hoeft niemand zich zorgen te maken, er gaat geen dag voorbij of ik denk aan de dood. Wie niet?

 Sinds jaar en dag gooien kunstenaars je met doodskoppen om de oren. Vanmiddag in het Haags Gemeentemuseum weer. De gediamanteerde schedel van Damien Hirst - ja, hij is 'gefascineerd door de dood', dat onding heet zelfs 'For the love of god' en niet voor de grap - in grote tableaus afgewisseld met vlinders nota bene. Ja de vlinder dat is Psyche, de ziel. Verderop, bij tekenwerk uit WOI ontbraken schedels evenmin. Machteloosheid van kunst tegenover de dood.

 Waar komen nu toch altijd weer die doodskoppen vandaan. Waren er in de Gouden Eeuw dan zoveel rijken die zo'n doek bestelden om in hun salons te hangen? Om hun sterfelijkheid niet te vergeten? En konden Raoul Hynckes en Wim Schumacher in de jaren '30 echt niks anders verzinnen om hun angst uit te beelden?

 Crematie, heus, dat is de oplossing. Verlost ons van een zee aan kitsch. Toen in 1991 de kist van mijn vriend Johnny van Doorn door het luik omlaag zakte naar de oven liep iedereen decent weg. Behalve Maarten Biesheuvel. Die kwam naar voren, boog zich voorover en keek geïnteresseerd in de diepte, zeggende 'ja, dat wou ik weleens zien'

Pagina's