Publieke werken

 Thomas Rosenboom zei me vanmorgen in het Victoria Hotel bij de presentatie van acteurs, scenarist en regisseur dat hij even weinig wist als ik. Er worden decors gebouwd, in Boedapest. Dit najaar beginnen de opnamen.

 Regisseur Joram Lürsen en scenarist Frank Ketelaar hebben high drama voor ogen. Twee kleine mannen, de vioolbouwer en de mislukte Hoogeveense apotheker - Gijs Scholten van Aschat en Jacob Derwig - in hun vergeefse strijd tegen het bouwgeweld en de inzet van de moderne tijd rond 1900. Nu 450.000 exemplaren verkocht.

 Ik zoek het meisje. Maar er komt in het boek geen vrouwenrol voor, behalve de stille apothekersvrouw Martha. Maar het moet toch een Nederlandse publieksfilm worden en Rifka Lodeizen staat hier. Mij wordt uitgelegd dat om haar erin te schrijven de twee mannen wat verjongd zijn. Natuurlijk, Derwig, de apotheker kan geen zwaarlijvige zestiger zijn.

 Maar wat je als Rosenboom-lezer het meest benieuwt is of de spanning van het boek bewaard kan blijven. De zelfoverschatting die altoos voor de val komt, de onvermijdelijke vernederingen. De Rosenboom-achtige spanning van het 'doe nou niet' die in het boek over je komt bij al wat de twee middenstanders tegen de hoge heren, de instanties ondernemen.

 Het zijn er dus twee gebleven. Ketelaar heeft de vioolbouwer en de apotheker niet samengevoegd tot een.

Het moet een film voor een groot publiek worden, zegt Lürsen. Dat hij wil overdonderen met een gecombineerde aanpak van decorbouw en digitale visualia: groots. Heel erg 1900, heel erg stationsplein. Maar dan? Waar in het verhaal stapt Rifka Lodeizen uit de trein op CS? En dan? 

Clouds of Sils Maria

 Zag vanavond de film van Olivier Assayas over acteurs en acteren. Met Juliette Binoche van alle kanten. Tegen het oer-Zwitserse decor van het Engadin, waar Nietzsche al wandelde met zijn waterbekertje.

 Een godswonder dat er af en toe een geslaagde film of toneelstuk ontstaat, denk je achteraf. De financiering, het script en de acteurs zorgen in deze film over de productie van een toneelstuk voor een parallelle film. Over repetities, persoonlijke verwikkelingen en carrières van de hoofdrollen, regie en schrijver.

 Onder iedere film of toneelstuk ligt een film. Het knappe van Assayas is dat hij in de hoogtepunten, de scenes waarin Binoche en haar assistente in de bergen boven Sils de dialogen lopen te repeteren, de relatie oudere vrouw vs. jongere vrouw uit het toneelscript in de werkelijkheid verdubbelt tot een meesterlijk vlechtwerk.

 De clou daarbij is dat Binoche dit stuk twintig jaar eerder gespeeld heeft, toen in de rol van de jongere vrouw die de oudere - die verliefd op haar is - vernedert en dat ze nu de rol van de oudere vrouw heeft. 

 Dat zou moeten kunnen, acteren blijft acteren, en bestaat grotendeels uit het geloofwaardig maken van clichés. Dat is het vak. Binoche speelt zo knap dat ze niet oud wil zijn, dat ze de ouderdom uit haar strot moet wringen, dat je het gelooft. Ze wil niet, maar ze doet het. Ze bewoont haar gezicht. Het natuurgeweld rondom helpt.

   

Tags: 

Bubbles

 Beter kan het niet: Brussel als een verzameling zeepbellen, in de gedaante van een godin. Mijn Facebook-vriendin Niki Brusselsbubbles is de godin van de Internet glamour. Ik zal haar nooit zien, maar ze is er, elke dag.

 In Paradiso werd dit weekend de Internet-like plechtig begraven. Waarom? De redenen blijken heel calvinistisch. De like is 'niet echt'. In de Volkskrant sloot Olaf Tempelman zich aan. De voormalige kerk Parad­iso was zijns inziens een ideale plek om de laatste eer te bewijzen aan de opgestoken duim, die 'complimenten en andere vormen van waarachtig menselijk contact reduceert tot nietszeggende muisklikken'.

 Alles met een knipoog vanzelf, maar wat een misverstanden. Kerken waren eens - en nog - trefpunten waar hypocrisie hoogtij viert, met kerker­aden die toezien op het gedrag van de lidmaten. En dan, het compliment is toch wel de meest verdachte vorm van sociaal contact.

 'Echte woorden en daden', daar ging het de organisator om. Vlees en bloed in plaats van draadjes. Die techniek-vijandigheid hoort er ook bij. We gaan verder te voet.

 Ik gebruik buiten Facebook, waar het tussen aanhalingstekens staat, zelden het woord 'vriendschap'. Maar de 'like' is zo klaar als een klontje. Vrijblijvend en bemoedigend als een knipoog.

 Waar ik doodsbenauwd voor ben is de tirannie van het ware gevoel. Op Facebook sticht je je eigen dorp, met je eigen dorpsplein, waar men leutert rond de pomp. Wie je daar niet hebben wilt negeer je. Niki Brusselsbubbles ontbreekt nooit

Mark Cohen (2)

 'Toen ik wist dat ik de komende vijftig jaar vast zat in Wilkes-Barre, zat er niet anders op dan surrealist worden.' Aldus fotograaf Mark Cohen.

 Een kleine stad, waar hij een fotostudio dreef, gespecialiseerd in feest- en huwelijksreportages, pasfoto's. En na zijn werkdagen de straat op ging om voorbijgangers, buren te fotograferen. Niet om Wilkes-Barre te portretteren, meer omdat zijn oog steeds weer viel op details. In hoe de mensen eruit zagen, wat ze aanhadden, of in wat er op straat lag. Een in stukjes uiteengevallen boterham naast een plas op het asfalt.

 Niet schilderachtig zoals rotzooi pittoresk kan zijn, niet veelzeggend, erg veel niet. Hoe kwam die boterham daar? Hij ziet er niet aangevreten uit. Heeft iemand hem in stukken gescheurd, misschien om een vogel te voeren die er vervolgens geen trek in had?

 Zo werkt Mark Cohen. Hij werd ook surrealist, zegt hij, omdat ie steeds maar de zelfde huizenblokken rondliep. 'Running around the block', een begrip dat Randy Newman me leerde. 'A small action rate.' En hoe vaker en langer je dan kijkt hoe ongewoner het gewone wordt.

 Niets spreekt meer vanzelf.

 De mensen zijn arm, working class ze leven vaak in het openbaar, op stoepen en op straathoeken. Vaak af­gekeerd, terloops. De fotograaf moet jarenlang een beken­de, alledaagse figuur geweest zijn in Wilkes-Barre. En het toeval helpt hem vaak, of juist niet, als iemand zich afkeert of die mevrouw net oversteekt. Soms zet hij z'n flits in, en dan is het op straat echt 'o jee een flits'.

 Het is kortom geen recept. Alleen Mark Cohen met zijn oog voor detail en uitsnede kan dit doen. In Wilkes-Barre.

 

 

 

Tags: 

Mark Cohen (1)

 Vuile knieën. Hoe smerig waren wij, was de wereld nog rond 1975. Daarover gaat Dark knees, de tentoonstelling van Mark Cohen (1943) die zijn leven lang foto's maakte in Wilkes-Barre, Pennsylvania.

 Omdat hij daar toevallig woonde, het had ook een stadje ver­derop kunnen zijn. Zodra je het Fotomuseum binnenkomt word je meegezogen naar jaar en omstandigheden. Veel jaren '70. Door details die spreken voor een verdwenen wereld, die hij laat zien in korte afsnijdingen. Gedeelten van gezichten vaak, een arm, handen, voeten, een kin, een kruin, van iemand die in de weer is met wat ook. Maar ook geïsoleerde voorwerpen komen tot leven, een oud T-shirt op een hoopje, regendruppels op plaveisel, een knoop.

 Op hoeveel manieren kan een man zijn handen in zijn zakken steken? In zakken van welk materiaal? En dan? Je ziet materialen van de tijd. Vroege kunststof in ongelukkige, uitgelubberde plooien, tweed overjassen waar nu geen zwerver meer mee over straat zou gaan.

 Je ruikt Wilkes-Barre ook. Mensen en kleren die niet zo gewassen waren als nu, huizen niet zo gesopt. Kinderen gingen op zaterdag in de teil, het zelfde water voor allemaal. Wasmachines kwamen net kijken, bij de rijken. Mijn moeder huurde in die jaren een Hoovertje. Elke maandag kwam een VW-busje ze brengen voor de halve straat en haalde ze 's avonds weer op. In Wilkes-Barre zal het niet veel anders geweest zijn. Vlekken op een kous, in de tijd dat een vlek nog zo erg was dat er vlekkenwater bestond. Cohen fotografeerde vlekken. 

Tags: 

Kijkduin (2)

 De oorlog en de Atlantikwall maakten een eind aan Kijkduin. Mijn grootouders werden - met 135.000 andere Hagenaars, een kwart van de bevolking - geëvacueerd. Kijkduin lag - net als heel Scheveningen en Duindorp - jarenlang leeg.

 Na de oorlog verkende ik de ruïnestad, de bunkers in de duinen. Het Kijkduin-schooltje, aan het eindpunt van de HTM-bus waarmee sleutelkinderen - tramkaart aan een touwtje om de nek - uit mijn wijk Bohemen schoolgingen, stond er nog, in de vlakte. Het huis van mijn moeder was er niet meer.

 Verderop zigzagde de tankgr­acht van de Atlantikwall waar ik kikkervisjes ving, zittend op gedumpte roestige vaten, half onder water. Grote, geheime attractie was de omheinde Milva-kazerne, waar saluerende vrouw-generaals naar buiten fietsten, de Duinlaan op.

 Alle vier mijn grootouders hadden in 1942 moeten verhuizen, de kapitein en z'n vrouw naar Leersum. Het huis van mijn vaders ouders aan de Anemoonstraat was gesloopt.  

 Het kaalgeslagen Sperrgebiet tussen Den Haag en het ontvolkte Scheveningen, Duindorp en Kijkduin zag er spookachtig uit. De schilder Carel van Eeden heeft er onvergetelijke gouaches van gemaakt. Vanuit de Sneeuwbalstraat waar hij opgroeide keek je in een maanlandschap, met in de verte het silhouet van de Sportlaankerk.

 

Kijkduin (1)

 Twee verdwenen steden heb ik gekend, Reimerswaal en Kijkduin. Hun namen zijn niet van de kaart verdwenen, maar dat is alles, er is op die plaatsen nu iets heel anders.

 Het Kijkduin even buiten Den Haag waar ik als kind speelde was een ruïnestad. Mijn moeder had er met haar zus, broer en ouders gewoond in de verdwenen Noordwijkselaan. Er stonden op die plaats nog wat brokkelige muurtjes in het duinzand. De geschiedenis van Kijkduin is ongeschreven gebleven, al zijn er fragmenten van Clara Eggink, die er met J.C.Bloem en hun zoontje Wim - een Wim is bij Campert altijd een zeurpiet of erger - woonde, aan de Duinlaan, naast Joekie Broedelet en haar zoontje Remco Campert. Remco heeft duinver­halen geschreven in De jongen met het mes. Ook in z'n hoor­spel ‘Het einde van een stad’ ruist de zee. Hij woonde er in 1937, mijn moeder ook. Remco was toen acht, zij net twintig. Ze zijn langs elkaar heen gelopen. Of gefietst.  

 Mijn groot­vader, de afgekeurde, invalide zeekapitein van de Holland Amerika Lijn, pacht de fietsenstalling achter het strandhotel. Vergeefs, de kinderen fietsen weg zonder te betalen. Remco schrijft in 'Herinner je je nog?' (1956):

 'De storm blies de zomerkuilen in het strand dicht, blies het zand in de verlaten houten limonadetentjes en de keet van de reddingbrigade, zwaaide het zand in bijtende golven het lege terras van het badhotel op, tegen de grote spiegelruiten aan, waar niemand zich in spiegelde. Het hotel stond als een spookhuis aan het einde van de boulevard.

De Belgen komen!

 Het is 2014 en nog is de Grote Oorlog voor Nederland een blinde vlek. Toch vluchtten in 1914 duizenden militairen, Belgische en Engelse - vergeefs ingezet om Antwerpen te verdedigen - naar Nederland. En duizenden burgers. Waar ze onmiddellijk in kampen werden opgeborgen.

 Terwijl de Duitsers Luik, Mechelen, Leuven en Antwerpen in de as legden - represailles omdat de Belgen terugvochten - bleef Nederland angstvallig neutraal en ontsprong de dans. De schilder in uniform Rik Wouters schreef zijn vrouw Nel in augustus 1914 vanuit Luik, waar zijn regiment door de Duitsers overlopen werd: “Ge weet dus van Jules dat ik niet gesneuveld ben, gelijk dat ze in Brussel van mij zeggen. Ik ben zelfs kunnen vluchten dankzij de laffigheid van onze commandant, die van de eerste occasie heeft geprofiteerd om zich terug te trekken, maar spijtig genoeg was het om ons op een weg te doen uitkomen waar er langs drie kanten op ons geschoten werd, terwijl dat de Duitsers niet te zien waren, doordat dat klein wegeltje afgeboord was met een hoge, dikke haag. Langs alle kanten vlogen de kogels over onze kop en velen hebben daar spijtig genoeg hun dood gevonden en ik peins zelfs dat de commandant de eerste van allemaal was. Daarna sloegen we allemaal op de vlucht en het was en 'redde wie zich redden kan'.”

 Er vluchten 250.000 Belgen via Vlissingen naar Engeland, ruim een miljoen kwamen naar Nederland. Burgers en - dienstweigerende of gedeserteerde militairen werden gescheiden en kwamen - ook Rik Wouters - deels in Kamp Zeist, het grootste van Nederland.

 Het en­thousiasme van de opvang sleet. De vluchtelingen hadden zich te schikken naar strikte voorschriften. Belgen die zelf wat geld hadden mochten gaan waar ze wilden. De minderbedeelden ‑ veruit de grootste groep ‑ waren verplicht zich dagelijks in hun kamp te melden, met een speciale sectie voor criminelen en dames van lichte zeden. Die laatsten kwamen samen met de categorie 'minder gewenste elementen' in Nunspeet terecht.

 En nu herdenkt Rotterdam feestelijk de komst van de Belgen. Op zondag 19 oktober as. komen 100 Belgen, honderd jaar later, weer per trein naar Rotterdam. En er worden 100 vrijwilligers gezocht voor het ontvangstcomité. Feestelijk? En vanaf 4 oktober is er een expositie in Flehite in Amersfoort. Tja.

 Het Flanders Fields museum in Ieper krijgt nog steeds uit Nederland zijn minste bezoeke­rs. 

Tags: 

Gett, echtscheiding op z'n orthodox

 Twelve Angry Men van Sydney Lumet was de eerste rechtbankfilm die ik zag. Daar waren het gewone Amerikanen die tot uitputtens toe, dagenlang moesten overleggen over een schuldvraag. In Gett, het Israëlisch echtscheidingsdrama dat ik ademloos volgde, gaat het ook om tijd, het proces duurt vijf jaar.

 En dan nog slaagt de religieuze rechtbank er niet in de almachtige echtgenoot te overtuigen zijn vrouw vrij te laten. Geen jury hier. De religieus‑fundamentalistische huwelijkswet, daar draait het om. Steeds het zelfde, kale zaaltje. Steeds de zelfde liegende, draaiende gelovigen.

 Wat is een vrouw voor de Joodse wet? Niet meer dan een  productiemiddel om kinderen te maken en het gezin te runnen. Huwelijken zijn alleen heel soms ontbindbaar, niet omdat een vrouw ergens recht op heeft, maar omdat ze geen nut meer heeft. Zulks te bepalen door de echtgenoot, die dan luidop voor de rechters moet verklaren dat ze nu vrij is om te gaan met welke andere man dan ook. Maar deze echtgenoot verdomt dat.

 In het Oude Testament gingen weduwen geruisloos over naar een broer. Zo wordt her en der ter wereld nog over vrouwen beschikt. Bij ons in uithoeken nog maar kortgeleden ook.

 Wat Gett, The Divorce Trial of Viviane Am­salem zo gruwelijk maakt zijn de vanzelfsprekende gezichten waarmee mannen, rechters, getuigen, buren, familie - ook de vrouw zelf - gevangenen zijn van dit zieke bewind met z'n driedubbele moraal. Noem het geloof. Alles tussen de witte muren en metalen tafels van een piepklein rechtszaaltje.

 Toch, er ontluikt iets in Viviane, na jaren, opeens heeft ze onder de tafel gelakte teennagels, later draagt ze zelfs een rode trui en een gekleurd rokje. Er is kleur. En de rechter maant Viviane van haar haar - ze heeft het gewassen en verschikt het - af te blijven. Het zaaltje beeft. Want iedereen ziet meteen, dit loopt verkeerd af.

Baudelaire en vrouwen

 In 'Mijn hart blootgelegd', aantekeningen van Charles Baudelaire (1821-1867), de dandy, de flaneur, keert steeds de liefde terug als dubbelzinnigheid. Zijn twijfelachtige vriendin Jeanne Duval geldt als inspiratrice van de Fleurs du mal. 'Een intelligente vrouw beminnen is flikkergenot,' schrijft de dichter. En verderop:

 'De vrouw is het tegendeel van de dandy. Dus moet ze afschuw inboezemen. De vrouw heeft honger en ze wil eten, dorst, en ze wil drinken. Ze is loops en wil geneukt worden. wat een verdienste! de vrouw is natuurlijk, dat wil zeggen weerzinwekkend. Daarom ook is ze altijd vulgair, het tegendeel van de dandy.' 

 Later weidt hij uit over: 'Het object dat in het maatschappelijk leven het interessantst is, een vrouwengezicht.' Als volgt: 'Een verleidelijk, mooi hoofd, ik bedoel een vrouwenhoofd, is een hoofd dat prikkelt tot dromen - maar op een onbestemde manier - over wellust en verdriet; dat gepaard gaat met een idee van melancholie, lusteloosheid, zelfs verzadigdheid, - of juist met een tegengesteld idee, dat wil zeggen vuur, levenslust geassocieerd met opwellingen van bitterheid, zoals die bijvoorbeeld voortkomen uit ontberingen of wanhoop. Mysterie, berouw zijn evengoed kenmerken van het Schone.'

 En zo komt hij uit bij het onvermijdelijke Ongeluk en zegt 'dat ik me nauwelijks een type schoonheid kan voorstellen (zou mijn brein een toverspiegel zijn?) waarin Ongeluk ontbreekt.'

 Rijst de vraag hoe bang Baudelaire was voor intelligente vrouwen.

 

Tags: 

Pagina's