Avondlicht

 In de restauratie van het Landesmuseum van Münster zit ik naast een Duits ouderpaar met een blond doch­tertje van ik schat zeven jaar oud. Ze heeft lichtbruine ogen waarmee ze me aandachtig aankijkt. Dan wil ze me iets laten zien. Het blijkt een (net gekregen?) roze boa te zijn. Eerst snap ik het niet. Nee, het gaat niet om kijken, ik moet aan haar boa voelen. 'Zacht hè,' zegt ze, woordloos.

 De wereld is vol tekenen, maar wat zeggen ze? Ik kreeg een dagboek in handen uit 1940, en lees een passage, geschreven kort na het bom­bardement van Rotterdam, die beschr­ijft hoe een groep Rotterdamse evacués wordt opgevangen in een barakkenkamp. Eén man, een jood, onttrekt zich aan het gezel­schap. Langzaam dringt door dat hij kort voor de oorlog Nederland bereikte uit Duitsland gevlucht is. Men doet zijn best hem in het kampleven te betrek­ken maar hij blijft een buiten­beentje. Ik realiseer me dat de jodenvervolging in Nederland dan nog niet is begon­nen.

Het blijkt dat de man in Duitsland beroepsmu­sicus was, piani­st. Als dat aan het licht gekomen is besluit de amusements­com­missie, die nooit ontbreekt in dat soort verblijven, bij de eerstvolgende bonte avond een piano te huren. Na allerlei acts en optredens roept men hem op het podium. Hij wil eerst niet spelen, rammelt er tenslotte een paar schlagers uit, en krijgt veel bijval. Dan volgt zijn toegift. In doodse stilte speelt hij een klassiek stuk, een prélude (de dagboekschrijfster noemt geen titel of componist). Als het uit is, wacht hij het applaus niet af. Hij staat op, loopt het trapje naar de zaal af en het complex uit. Om niet meer terug te keren.

 Nooit heeft iemand meer iets van hem vernomen. Veel blijft in het verhaal oningevuld. Maar vreemd genoeg weet ik het eigenlijk al. De voorstelling vindt plaats op een zomeravond, de buitendeuren van het zaaltje staan open. Onder­gaande zon. Een rechthoek van licht, waarin de pianist, als hij het gebouw uitloopt verdwijnt. 

 Ik vraag de dagboekschrijfster naar de omstandigheden. Ja, het klopt, er was zomeravondlicht, Midden-Europese (Duitse) tijd in juni of begin juli 1940. En de deuren stonden open.

 Wie zou er niet zo uit zijn eigen verhaal willen weglopen.

 

 

Wat voorafging

 Het is zaterdagavond in Den Haag, de stille stad. Een enkele late fietser, lijn twee. Uit een schoolgebouw klinkt muziek. De klapramen van de gymzaal staan open. Binnen loopt men rond met flesjes cola in de hand. Insiders weten dat die cola bij sommigen voor meer dan de helft uit jonge jenever bestaat. Zo drink je onder de ogen van een rector.

Op Dixieland heb ik leren drinken. Tot de zoute pinda's als hagelstenen uit mijn neusgaten de wasbak in spoten. Ik vond 'De walging' een aantrekkelijke titel want dansen kon ik niet. Dixieland had de juiste graad van wanhoop en ranzigheid. Voor Den Haag 'beatstad' werd was het al hoofdstad van de Nederlandse Dixieland. Van Roefie Hueting en de Down Town Jazz Band tot Eric Krantz en de Dixieland Pipers (spreek uit 'piepers') en de Stork Town Dixie Kids van de gebroeders Katee allemaal kwamen ze uit Den Haag. Lees de werken van trombonist Frits Hotz. Dixieland verborg achter zijn uiterlijke vrolijkheid een diepe ernst. De ernst van zuiverheid in de leer van de Oude Stijl. De beste muziek was immers al lang geleden, in de jaren '20 en '30 gemaakt. Het ging om de puurheid van de navolging. Ik werd gelovig. Kocht epees bij het Gouden Grammofoonhuis en Radio Krenning, Caminada of Stuut en Bruin.

 In de gymnastiekzaal, onder de opgehesen ringen, stond ik geleund tegen het wandrek, 15 jaar oud, colaflesje in de hand, dronken te worden, naar de godinnen uit de vijfde en zesde klas te kijken. En deed of ik de muziek volgde. Er was een klarinettist met een onnavolgbare kuif, wiens naam door de stad ging. In later jaren zou hij sologitarist geweest zijn, een Nederlandse Clapton.

 Ik probeerde zijn samenspel met de trombonist en de trompet te volgen. Wie deed wat en waarom? Ze waren me steeds te vlug af. Toen kwam mijn kans. Ik kon de echte grootheden, de mannen van de Dutch Swing College Band gaan zien. Over wie verhalen gingen als 'ze drinken jenever uit waterglazen'. Zeker, er werd kwaad van ze gesproken, een oude stijl-orkest dat 'Marina' van Rocco Granata op het repertoire nam, dat was te erg. Nee, dan Chris Barber, die was zuiver op de graad. 

 De kans kwam op een zondagavond, zomer 1958. Gratis concert in het openluchttheater van het Zuiderpark. Grijze lucht. Onrustig, Boekhorststraat-achtig publiek, vetkuiven, suikerspinnen. Er werd gefloten. Beweging achter het podium. De hoge lampen van het openluchttheater floepten aan en de band kwam op. Het witte jasje van leider Joop Schr­ier lichtte op. Waarom dragen pianisten witte jasjes? Meteen vlogen er colaflesjes door de lucht. Er doofde een lamp.

En Schrier? Wat deed Joop Schier? Met de angst van de oudere leraar in z'n stem begon hij de band voor te stellen: Het gefluit zwol aan. 'Jongelui, mag ik jullie aandacht...'. Joop Schrier meende in ernst dat van dit publiek iets als aandacht voor hem te verwachten viel. '... jullie aandacht.'

'Ouwe lul.' 

'...voor 'You do'n know how much you can suffer'.

De set werd voortijdig beëindigd.

Fraülein

 Mannen zag je tijdens mijn Duitse vakanties in de jaren '50 nauwelijks. In Schweich am Mosel had de hotelbaas, tevens boer, inplaats van een rechterhand wat je nu een Black and Decker zou noemen. Waar hij dagelijks behendig schoppen en hooivorken mee hanteerde, maar ook mes en vork. Mannen waren dood of weg. De meest gehoorde arbeidsvitamine was daarbij 'Fraülein' van Chris Howland, de Engelse militair van het Rijnleger. Ik kende het van AFN en Luxemburg. Onvergetelijke stem. Hier begint de Europese Unie.

 Hey Fraülein!

Nicht nur Wein und die Traüben,

Und das könnt Ihr mir glauben,

Liebt ein jeder am Altvater Rhein.

Jimmy Brown aus Dakota

Und aus Minnesota

Schwärmt nur von einem Fraülein.

Fraülein, Fraülein,

Siehst nachts Du die Sterne,

Fraülein...

Hallo, Fraülein...

 Chris Howland (1928-2013) kwam van de BBC en werkte na de oorlog in bezet West-Duitsland. Hij sprak al snel vloeiend Duits. Maar zijn accent deed het. Een typische radioman, al deed hij ook tv. In 1959 ging hij terug naar Engeland. Hierna veroverden de Italianen West-Duitsland: Catharina Valente, Vico Torriani en het internationale orkest van de Zwitser Hazy Osterwald, ook in Nederland te zien. Maar het nationalisme is terug. Wat zou Chris Howland de Brexit verfoeid hebben.

Straten

 Een rijk bezit is de biografire die Nico Keunng schreef over Willem Brakman. Voor mij vooral om de straten. Of het nu de achterafgangetjes zijn waar tuinhekjes op uitkwamen of mooier nog de de sluiproutes die ik moest nemen als mijn fietsver­lichting het niet deed.

 Losse draadjes, een dynamo die scheefsloeg, doorgebrande lampjes. Je werd aangehouden en kreeg een bekeuring van zeker vijftien gulden, mijn halve zakgeld. Daarom zocht ik duistere routes  achterom, die ik in noodtempo aflegde.

 Fietsen zonder licht was minstens zo erg als het je op het gras van de sacrale gemeentelijke gazons begeven, voorbij de geel/groene bordjes. Een nu onvoorstelbare wereld van rijwielen en begeven waarin veel verboden was 'om het gras te sparen'. En altijd buurvrouwen genoeg die de politie belden. OP de bordjes stond 'verboden zich te bevinden'of 'te betreden.'

 Een wereld waarin je er beter van uit kon gaan dat niets mocht. Voetballen zeker niet. De wereld waarin Johan Cruijff en Piet Keizer opgroeiden. Schoot je je bal over een tuinmuurtje dan was je hem kwijt, voorgoed. Eens heb ik een hele middag strafregels moeten schrijven op het politiebureau Loosduinen. De tekst ben ik kwijt.

Billy Turf

 Er zijn dagen waarop de wereld nergens heen wil. De mijne, bedoel ik. Slot noch zin, nergens. De avond valt en nog ben ik nergens. Of het moest bij Billie Turf zijn, het dikste studentje ter wereld, dat zuchtte onder de stok van meneer Kwel.

 Engels heel Engels. Boris Johnson is een Billy Turf-kopie.

 Stout. Maar meneer Kwel ontbreekt in het nieuws, met z'n Angelsaksische promotiehoed, met kwastje. Henk Beentje stuurde me Linus Pauling met zo'n hoed. Nu Boris nog.

 Billy en z'n zusje Bessy droegen beiden het Engelse schooluniform, zij het fluffy en stuffy.

 Waar die idiote promotie-dracht - met cape - vandaan komt weet ik nog niet. Henk ziet er een afleiding van het stucplankje in. Je ziet hem op alle Amerikaanse schoolfoto's.

Wegplakken

 Een tijd van doe het zelven! Veel woorden leerde ik in de tijd dat mijn huis verbouwd werd. Van een oude schilder en timmerman. Vooral 'wegtimmeren' en ' wegplakken'. Je kon in een kamer een hele deur, ja het hele verleden wegplakken. Ik kende het van oude Franse hotels, waar complete lichtschakelaars waren weggeplakt.

 De behanger had eens z 'n vrouw weggeplakt.

 Toen Knauf Rot- en Geelband uit de Elzas de Rijn kwamen afgezakt was het eind zoek. Heel het verleden, krullen, lijsten en slingers werden weggestuct.

 En toen ik Cailebottes schilderij van de vloerschavende werklui zag wist ik weer hoe de oude Sondaar dat deed: verdunnen met heel veel peut, zodat je de kamer uit stonk en dan met emmers tegelijk over de vloer.

 Volgde de gipsplaat. Eerst netjes aftimmeren en dan die platen erover. 'Lekker strak'.

 Stuccen is een kunst, denk erom. Een stucplank, en dan het juiste mengsel en een handje van vaardig aanstrijken.

 In de woorden van Vivian Stanshall van de Bonzo Dog in zijn epos 'I'm bored'. En dan daarop rijmend 'mortarbored', wat toch niks anders kan betekenen. Van 'verveeld' naar 'stucplank'.

 En toen moest het formica nog komen, kromtrekkend en wel

 Ik overweeg een huisarcheologische expeditie naar de Ardennen en Noord-Frankrijk.

Schoolgang

 Er zijn denkelijk geen foto's meer van de achterkant van de Haagse Zo­nnebloemschool, zo uitzonderlijk gelegen aan een in de jaren '30 met klinkers beslagen duinpan tegen de helling van de Daal en Bergselaan. Op de hoek woonde klasgenoot Olga van der Poel, die Albert Hein zou trouwen. Verderop Hella Haasse, het lagere volk woonde onderaan de duinenrij.

 Nu moet er nu heel leeg zijn. Het gebouw waar ik zoveel jaren doorbracht onder leiding van de banjospelende Van Blitterswijk, de nerveuze Nenni en diens vriend Balster onder toeziend oog van C.Eegdeman, Hoofd der school, wiens handtekeningstempel te groot was voor de daartoe bestemde vakjes. Zodat er vele malen C.Eegdeman over elkaar in mijn rapport stond.

 Dit alles in gangen waar de labrizeringen strak werden afgelijnd door rijen glanzend zwarte schooltegels. Waarop eindeloze rijen jashaakjes. Je ziet ze dezer dagen op de televisie, de lege gangen. Met een enkele dode garanium op de flauwgele glimtegels van de vensterbank.

Op de vloer lagen tegels met steeds andere raadselpatronen. Waarop je nooit uitgekeken raakte. En kijk daar komt de heer Braamzeel in zijn traingingspak met scheidsrechtersfluit om de nek. En ik sidderend wachtend in kelderkou van het Stokroosveld op zijn bevrijdend commando Kleden!

Joop en Frans

 Net als in China bestonden homoseksuelen in Den Haag alleen in het verborgene. Mjn vader had een hekel aan ze. Een collega van hem, de leraar Engels van Randwijck voldeed aan alle cliche's. Hij droeg fluwelen kostuums en regisseerde het schoolt­oneel.

 En bovenal, hij praatte 'aanstellerig' en werd door c­ollega's, vooral mijn vader, nagedaan. Dit gebeurde in de ouderlijke erker, waar de leraren naschoolse borrels dronken en over collega's roddelden.

 Van Randwijck leek me aardig, hij speelde toneel. Maar bij ons thuis kwam hij niet over de vloer.

 Een ander geval was jeugdvriend oom Frans, een kandidaat-notaris de met mijn vader in 1940 bij het Regiment wielrijders had gezeten en almaar niet getrouwd raakte, waar veel grapjes over gemaakt werden. Hij staat op alle foto's, altijd gearmd met een 'overgeschoten' tante of collega. Goed gekleed, altijd. Mooie hoeden.

 Tot mijn moeder me op een dag vertelde dat oom Frans haar in vertrouwen had genomen. Hij was homoseksueel en werd als notaris gechanteerd door 'een jongetje'. Ze had dit verhaal niet aan mijn vader durven vertellen, omdat, nu ja, ik begreep. 'Ja jongen, je vader'.

Afwezig

 Na drie dagen kan ik mijn computer weer bereiken. En leef, denkend aan het schoolmeisje wiens mobieltje in de gracht was gevallen, waarop ze de hand voor de mond slaand in meisjesschrik uitriep 'Ik ben dood'.

 Tijdens mijn beddagen (nee, geen corona) was ik koortsig overal, laatstelijk in Gargnano aan het Gardameer in de reuzenvilla Pen­sione Giulia, waar Mussolini in de laatste periode zijn maîtresse Clara Petacci onderbracht, die hij 's avonds met een motorbootje bezocht. De SS zat ik de kelder en luisterde alles af. Zijn echtgenote, donna Rachele, boerenmeisje uit zijn geboortedorp Predappio zat een villa verder op aan het meer, waar ze een koe hield op het gazon, die ze zelf molk, uit angst dat de Duce vergiftigd zou worden.

 Ik ontmoette er Margaret en David, bejaarde Engelsen die elke zin openden met 'during the war'. Er waren in Engeland toen geen insecten, zoals hier, omdat Churchill heel het land had laten besproeien met het nieuwe DDT.

 De eigenares van Villa Giulia had Mussolini nog meegemaakt en zoals elk meisje was ze verliefd op de Duce. En nog.

Verdwalen

 Het dal van de Serchio volgde ik, vanuit Lucca en kwam bij Barga. Daar ging ik lukraak rechtsaf de bergen in. Asfalt lag er nog. Maar op Apennijnenpas hield dat op bij een tentje met versnaperingen. Daarna ging de weg onbestraat verder omhoog.

 'Waar gaat dit naartoe?' vroeg ik. 'Modena,' zei de verkoper lachend. Dat lag in de Povlakte, ver achter de bergen. 

Stoutmoedig, want dat was het, je kunt ook zeggen dom, reed ik omhoog. Er stond nog een grenssteen, die later uit 1800 bleek. Hier hield Toscane op en begon Emilia. De weg desintegreerde, wrong zich tussen rotswanden door. Er lagen overal rotsblokken op, die mijn vriendin en ik opzij duwden, het ravijn in. Omkeren was onmogelijk, geen ruimte. Meter na meter schoten we op, af en toe gesteund door een erg oude kilometerpaal. Ja, dit was eens een doorgaande weg geweest tussen twee verdwenen landen! Het werd almaar kaler, het enige teken van beschaving waren alleen nog karton­netjes 'Divieto la caccia', verboden te jagen. Geen mens, geen huis in zicht. Geen richtingbordjes. Waar was ik? Geen antwoord. Geen verbinding hier.

 Weer een erg grote steen op de weg. De auto dan maar laten staan en verder lopen? Maar waarheen? Eindelijk, na uren, het werd al donker ging de weg van gruis over op oude keien. En kwam tenslotte uit op asfalt. En zie, een jager. En mijn vraag: 'Waar zijn we hier.'

 Die kant op, daar lag Abetone. Verdomd, het wintersportplaatsje van de kaart.

 Ik zocht het later op. Een hertog en een gravin hadden rond 1800 een oogje op elkaar, ze hadden elkaar hier ooit ontmoet en besloten een weg te laten aanleggen tussen hun domeinen. Die na hun dood al spoedig in onbruik was geraakt.

Pagina's