Snoepjes

 Italië herstelt zich. Ik denk aan de olijfpluk in Calabrië. Wat ging met machines die de stam van een olijfboom omklemden en dan schudden, tot een regen van rijpe olijven naar beneden kwam, waar plastic zeilen lagen uitgespreid om ze op te vangen.

 Ging mijn vriendin het dorp in om vlees te kopen, dan leerde zij dat er kalfsvlees was als de slager de kop van het geslachte kalf buiten aan een spijker op de deur had gehangen, bij wijze van uithangbord.

 Nu weet ik ook waar die zak zo sterk riekende Calabrische citro­enen van­daan kwam, die ik in mijn R4 had meegebracht. Het was wis­selgeld.

 Dat kwam zo, in 1972 was het wisselgeld in Italië op, geen briefjes van 500 en 1000 lire meer en zeker geen munten van 100 of 200 lire. Wat nu?

 De oplossing was vaak snoepjes. Je kreeg toffees of verpakte caramels terug als je met papiergeld betaalde. Briefjes van 1000 lire waren het schaarse betaalmiddel ook voor de benzineautomaten, waarvoor ze helaas meestal te verkreukeld waren.

 Toen er een processie onder m'n raam voorbij kwam zag ik waar dat van kwam. De priester die het heiligenbeeld begeleidde hield een stok met een spijker omhoog, waar vrome huisvrouwen vanaf hun balkons briefjes van 500 of 1000 op prikten.

Torens

 In deze tijd kom ik moeilijk in slaap. Pogingen tot het vinden van een heenkomen doe ik vele, Maar mijn interne kijkdoos draait in kringen rond. Zo brengt de tijdelijke sluiting van Boijmans me - klaarwakker - bij Breugels toren van Babel, die nooit de hemel zal bereiken. 

 Een van de eerste fantasieen in architectuur, was denkelijk het zeer grote, te beginnen bij de beetje kinderlijke piramides.

 Wat is er met het zeer grote gebouw? Het bouwen van torens is tot mislukken gedoemd, wie naar de hemel reikt brandt zich, gelijk Icarus. En de Twintowers.

 Mijn mooiste mislukte toren is die van Beauvais. Al 500 jaar in de steigers. Een griezelige stad die in 14-18 ook nog eens vernield werd, en sindsdien vol staat met mislukte pogingen tot bewoonbaarheid. Maar voor de geesten wijken is er zo weer 100 jaar voorbij.

Een middeleeuwse kathedraal tussen wat nieuwbouw uit de jaren '20 verliest zijn context, zijn betekenis. De flatjes aan zijn voet trekken hem naar betekenisloosheid. Hij wordt een invalide ding. Van binnen vol stutten als krukken.

 De bedoeling was ooit dat hij hoger zou reiken dan naburige kathedralen. Hoogmoed die werd gestraft.

 Maar zo kom ik niet in slaap. 

Het moment.

 Wat ik zocht wist ik heel goed. Omschrijf het als een beleve­nis die me mezelf deed vergeten. Zoals bij het, na 40 jaar weer ruiken van de vreemde verf­lucht die in het schuu­rtje van mijn grootvader hing. Eén en al herken­ning werd ik, zeg gerust volle­digma­king. Het even hele­maal ver­dwijnen in een stuk muziek.

  Binnenshuis vond ik het niet. Ik ken de schuldi­gen: het boek, de gram­mo­foon, de film, die me geleerd hebben dat alles over kan. Echt lezen, kijken en luiste­ren hoeft niet meer, zeggen de boeken, platen en films om me heen, wij lopen niet weg, het kan later altijd nog.

 Maar later bete­kent nooit. Ja, ook lezen is eigenlijk heel ver­keerd, zei Scho­penhau­er al. Mensen zouden zelf moeten denken, ervaren.

 Maar, vrees ik, de uitvinding van de beeld- en geluids­dragers heeft veel momenten voor altijd uitgesteld. De wetenschap dat iets wordt vastgelegd voor later verandert het kijken en luisteren in het nu. Echt oplet­ten hoeft niet meer, er komt immers altijd een herkan­sing. Is dat zo?

 Vergeet het, ieder later kent weer en nieuw later. Later betekent nooit.

 Moment komt van movimentum, omslagpunt, beslissend ogenblik. Waar is het? Ik moet er achteraan, zonder videorecorder. Het beste zou zijn een bootreis van 6 weken om mijn tante in Nieuw Zeeland nogeens te zien. En dan zou ze net overle­den moeten zijn.

 En nu weet ik het: Martien van Halst raasde op een kleine helse machine rond de Eerbeekse vijver, met oorverdovend geknetter. Martien vloog rond de vijver. En het dorp liep uit.

 Het ding had een naam, 'een plof'. Zo heette daar de eerste bromfiets: het Berini-eitje. Ik bleef het volgen op z'n rondjes, beseffend 'dit is het dus, en ik zie en hoor het.’

Stilte

 Stille dagen. Het bij mij thuis meest uitgesproken woordje was 'ssst'. Mijn vader schrok op bij het minste gerin­gste gerucht. Een geluidsneurot­icus heet dat nu. Mijn moeder zag als haar taak in dit leven hem 'ergernis te besparen'.

 Zo leerde ik me door het huis te bewegen zonder geluid te maken. Op mijn tenen te lopen. Krakende traptreden te vermijden. ' Zachtjes doen,' het verlaat je nooit.

 Stemverheffing was ongewenst. Had je het lef te vragen naar de reden dan was het antwoord 'we hebben ook nog buren'. Kortom, hij was zijn eigen buurman. De echte buren waren hoogbejaard, je merkte nooit iets van ze.

 In deze virustijd keert die stilte terug. Alsof je het door op je tenen te lopen niet zou wekken. 'Sssssst.'  'Le silence d'antan.' Toen leven begon met leren zwijgen.   

 Al vroeg werd ik heel selectief in het mee naar huis nemen van vriendjes. Ze mochten onder geen beding 'luidruchtig' zijn.

 Een blunder bleek Leo Brienen, die lawaaiige autogeluiden uitstootte bij het spelen met de Dinky Toys.

 Mijn vader kuchte, kuchte nogeens, en toen Leo niet reageerde, en luidkeels doorging met een auto-ongeluk kwam het 'heb jij dan geen manieren geleerd' en nam mijn vader hem bij een oor, trok hem de gang door, opende de buitendeur, zette hem op de stoep en sloot de buitendeur met een klap achter hem.

Zintuigen

 In haar nieuwe bundel 'Leegstand' snijdt Aafke Romeijn een onderwerp aan dat de Finse architect Pallasmaa me al eerder inwreef: de ordening, taakverdeling en vermenging van de zintuigen. Wie iets ziet hoort tegelijk onvermijdelijk ook iets, wie iets ruikt moet tegelijk iets zien, en zo door. Over haar depres­sie.

 Ze wordt wakker, op 'dag 23 (ochtend)'. En dan: '07.30 Het is er nog niet. Zal het komen? Het zal ongetwijfeld komen. Het was er gisteren, ht zal er morgen zijn, er is geen enkele reden aan te nemen dat het vandaag zal wegblijven.

 Daar komt het al.

 Het is een suizen in mijn botten dat me niet alleen laat Wanneer ik depressief ben raken mijn zintuigen versmolten: geuren voel ik op mijn huid, geluiden smaken naar aarde en spiritus, en mijn wanhoop klinkt als een zoemende bromtoon, alsof op een bouwplaats een paar straten verder nog een machine staat te draaien. Het suizen trekt door mijn lichaam: van vingertop naar elleboog naar schouderblad en verder. Soms begint het elders, net onder mijn kiezen, in mijn heupen, knieschijven of wervelkolom. Soms gaat het 40 kilometer per uur, soms sneller, nooit trager. Mijn gewrichten willen ontsnappen, mijn botten willen sterven. Laat me met rust, denk ik, maar het suizen luistert nooit.'  

 Niet te vergeten, de nageluiden. Gehoorde geluiden gaan door in het hoofd, ook nadat ze opgehouden zijn. Daarop berust ook muziek.

 

 

Bank

 De Europese banken 'zitten goed in hun vet', ze zullen de Italiaanse banken steunen, zeggen bankiers en de Europese Centrale Bank.

 De Italianen zijn de uitvinders van de banken. Italiaanse banken waren ooit bouwkunstige paleizen die je met enige schroom binnenging met je travellers cheques. Agenten voor de deur. Geüniformeerde portiers, prachtig getraliede loketten. Veel marmer. Prachtige architectuur van rond de vorige eeuwwisseling.

 En dan kwam het. Je was aan de beurt. Een vreemdeling met vreemde cheques, die tegen het licht werden gehouden.

 Dan moest je tekenen. Een keer had je thuis al gedaan, de tweede moest nu precies lijken op die je thuis al gezet had.

 Dat lukte me maar zelden. Leek het niet dan werden er wenkbrauwen gefronst.

 Mijn handtekening is altijd een probleem geweest. Drie verschillende handschriften kruisen elkaar: schuinschrift, blokschrift en verbonden blokschrift, ook wel koordschrift. Ik schreef er eerder over. Zo werd mijn handtekening ondanks veel oefenen een vreemde, steeds verschillende krabbel.

 Bij het inleveren van travellers cheques werd dat een gang naar de bankdirecteur in zijn luxe kantoor. Daar moest ik dan nogmaals, voor een derde keer, in aanwezigheid van een getuige, tekenen, nu op de achterkant van de cheque. Paspoort erbij, en zuchtend gaf men dan wat bankbiljetten.

 Bij dit alles bleef ik denken: maar het is toch mijn geld.  Vergeefs. Banken keren de rollen om.

 Ik bezit geen boek met foto's van Italiaanse bankenarchitectuur. Zou het bestaan? Mijn voorlopige favoriet: Mantova.

Vlieg

 Vanmorgen de eerste vlieg op mijn bord. Hij at aandachtig een stukje appel, tenmiste iets dat op de plaats van een partje appel had gelegen, zoals vliegen dat kunnen, met twee pootjes welopgevoed hapjes naar het bekje brengend. Leek het nu maar zo of veegde hij met een pootje zijn bekje ook af?

 Hij liet zich door niets storen, de wereld bestond uit hem en mij. Hij maakte de wereld kleiner - of juist groter - en mijn toekijkende hoofd afzichtelijk.

 De vlieg trok zich nergens wat van aan. Zijn tafelmanieren waren indrukwekkend.

 Een vlieg als podiumpersonage ken ik verder alleen uit een voorstelling van Victor Borge, de Deense ontwrichter van het klassieke pianospel.

 Middenin zijn voorstelling landt er opeens een vlieg op de lezenaar van zijn Steinway. Hij wuift hem weg. Pas als de vlieg later terugkeert en zijn hoofd omcirkelt improviseert hij: 'That's that same fly, I guess he can't find the airport.'

 Dat grapje bleef in de show. Als mimische act, ook zonder vlieg. En de schilderkunst? Een vlieg van Albrecht Durer ken ik niet. Deze is van wie?

 

Appelpunt

 Nu de Brakman-biografie 'Een ongeneeslijk heimwee'van Nico Keuning zich wijd en zijd verspreidt komt de nieuwe digitale editie van Tijdschrift Terras, annex Raster als geroepen. Met daarin een buiten deze tijd tredende dialoog, getiteld 'Nadere kennismaking' uit 2002. Zonder twijfel gesitueerd in Den Haag, vermoedelijk in de tearoom Lensvelt-Nicola, maar Krul kan ook. Ik heb met Willem ook weleens een appelpunt met slagroom gegeten. En gezien hoe de wereld zich dan aandachtig rond de schrijver en zijn taartvorkje schikte:

 heer: Het is nu ieder voor zich, vroeger ging dat allemaal anders en ongetwijfeld erger.

 vrouw: Erger?

 heer: Nu ja, begrijpt u mij niet verkeerd maar de voorschriften waren toen anders, men sloot de voeten aaneen, boog, lichtte de hoed en zei: neemt u mij niet kwalijk mejuffrouw, maar ik vermoed dat u hier niet toevallig staat, daarbij; grijs mantelpakje, handtasje in de linkerhand en zo precies op het tijdstip van de afspraak. Bent u misschien?

 vrouw: Maar dat klinkt helemaal niet erg.

 heer: Waarachtig wel en dat moet destijds zeer vervelend geweest zijn, vernederend en - eerlijk - het verdere voorspel is ook niet alles, zo'n oliegladde, suave man, al die geheimzinnige kaartjes op dat bureau. Het lot zelf, eindelijk eens even zichtbaar. Ik kan het niet helpen, maar ik bespeurde in de diepte van dat hoofd een diepe tevredenheid, sadisme en bankrekening.

 vrouw: Ik weet niet, ik vind het wel vreemd wat u daar allemaal zegt.

 heer: Ik zal het u straks allemaal uitleggen. Kijk goed uit. Kijk goed uit! als we deze oversteek overleven stel ik voor in dat restaurant daar op de hoek een kopje koffie te gaan drinken.

 vrouw: In dat grote strenge?

 heer: Het is niet groot en streng, het is juist stijlvol en intiem. Ik zit er vaak, lees er mijn krant en kijk daar vaak overheen naar dit kruispunt en ik mag wel zeggen dat ik zo mijn ongelukjes heb gezien. Laten we ons niet in die rij voegen. Gauw nu! Dank heilige Christofoor, hier moeten we zijn.

 vrouw: Nou, u was gauw aan de overkant, ik ben buiten adem.

 heer: Wat u hier hoort is muziek. Die is als de stem van God zelf, overal aanwezig, ook op de toiletten. Ik heb eens een man ontmoet die vertelde in Griekenland, op vakantie, in een prachtige baai te hebben rondgezwommen waarin ook Odysseus moet hebben gesparteld. Helaas op de Pastorale van Beethoven die uit de bergen op hem neerdaalde. Ik zeg dit alles maar opdat u zult begrijpen hoe flink we moeten zijn in de toekomst.

 vrouw: Bent u gelovig? U sprak zo over Gods stem?

 heer: Ik ben niet gelovig vermoed ik maar daarom kunnen we wel evengoed dat gezellige plaatsje nemen daar aan het raam. Als het maar even kan zit ik daar. Ik kan er van alles kwijt, bril, mijn pijp en tabak. Een ideale vensterbank.

 vrouw: Ik heb alleen mijn handtasje. Als ik het straks dan maar niet vergeet.

 heer: O, heeft u wat dat betreft maar vertrouwen in mij. Dat doet me weer even aan het geloof denken, nee, ik geloof niet dat ik gelovig ben. U vindt het misschien vervelend dat ik het daar nog even over heb?

 vrouw: Nee, juist helemaal niet.

 heer: Dat is ook weer niet goed. We doemen op en verdwijnen weer en daar moeten we dan vertrouwen in hebben. Dat heb ik niet, ik bekijk dat om zo te zeggen wantrouwend over mijn krant heen.

 vrouw: Het lijkt mij helemaal niet goed dat u hier zo vaak...

 heer: Meer dan dat, het is ook niet goed, wantrouwen deed me tot op heden alleen blijven maar niettemin, hier zitten we nu, stijlvol en gezellig. Wilt u iets bij de koffie?

 vrouw: Niet graag, ik ben eerlijk gezegd een beetje nerveus, ik wil liever alleen maar koffie.

 heer: Nerveus?

 vrouw: Nu ja, zo'n eerste kennismaking.

 heer: Maar mijn beste en nog grote onbekende, dan heeft u ook geen vertrouwen, dat hebben we dan alvast gemeen.

 vrouw: Dat is best mogelijk. Je hebt hier een mooi uitzicht.

 heer: De wetenschap zegt dat alles is terug te voeren op vroeger tijden, een persoonlijke oerknal, een schrik die alle asjes heeft verbogen.

 vrouw: Ik ben bang dat ik me daar niets van kan herinneren. Zullen we bestellen?

 heer: Natuurlijk, wat onattent van me. Eerst koffie, dan de geest. Ober!

 ober: Mevrouw, meneer.

 heer: Twee koffie ober en twee maal appeltaart met.

 ober: Het komt er aan meneer.

 vrouw: Maar ik heb heus geen trek in appeltaart.

 heer: U kunt het altijd nog laten staan. Ik zal natuurlijk wel verwijtend zitten kijken, maar u weet het dan tenminste

zeker. (...)

wordt vervolgd in het nieuwe digitale Tijdschrift Terras.

Tags: 

Niet

 'Ik wil er niet zijn.' Maar slaap brengt niet de gewenste afwezigheid, ik was er, meer dan me lief is, lig ik in bed en zoek een veilig heenkomen. Waarheen?

 Na veel omzwerf kom ik terecht in Orvieto, de tufstenen stad op de berg met in de Dom de wederopstanding des vlezes van Luca Signorelli. De vrouw in de bushalte-bar had er nog nooit van heeft had gehoord. Het is eerste pinksterdag en er waait een gure wind. Over het grote plein zwierven kleine meisjes, huiverend in dunne witte feestjurkjes. Eerste Communie. Wat dat meebrengt zie ik in het hotel, een vertimmerd klooster, waar een gezelschap volwassenen in feestkleding - veel satijnen dames - duidelijk ouders van de witte meisjes zich overgeeft aan de attracties die er op deze dag bij horen. Liters spumante. En schalen vol slagroomtaart. Er is veel te veel, het komt niet op. Ze worden dronken. De witte meisjes dwarrelen rond en eten er niet van. Een satijnen dame vleit zich aan me en dwingt me aan de taart en de spumante.

 Nu slaap ik toch. Ik ben er.

Afgelast?

 Dat was het fatale woord dat hing boven besneeuwd Den Haag. Natte sneeuw, niks bijzonders, een dun laagje. Maar als voetbaljon­gen in de Adspiranten 4D wist je de weg. Eerst het radionieuws voor de hogere afdelingen van het amateurvoetbal. Waren die afgekeurd dan kon de jeugd het ook vergeten. West Twee, Tweede Klasse A lag plat.

 Maar je had tussengevallen. Soms ging de Tweede Klasse A, ons eerste, op zondag, gewoon door, maar de junioren en adspiranten niet. Waarom? De officials legden het uit. Trouwens, je zag het wel, de doelgebieden van de velden waren al onbegaanbare modder geworden, soms door de terreinknecht afgezet met linten. Daar een paar slidings en er wilde in geen weken geen gras meer groeien.

 En de officials in hun grote jassen surveilleerden streng.

 Daar stond voetballend Den Haag-West dan voor de etalage van de sigarenwinkel naast De Sierkan, op het Valkenboschplein.

 Te kijken naar de opgehangen briefjes. Soms was het meteen duidelijk en dropen de jongens af, een leeg weekend tegemoet.

  Hoe heb je gespeeld'.

 'Afgelast.' Een leegte die ook vandaag over me komt.

 Alles afgekeurd! Door wie? Vroeger waren dat de consuls, onbekende mannen met hoeden die in alle vroegte de velden langs geweest waren en in het gras hadden geprikt.

Pagina's